Advies- Communicatie Wim Arts
Citroenberg 35
4707DA Roosendaal
Tel. 0165536667 / 06 38153098
wim@acwa.nl

BEVRIJDINGSKIND 1945

Dinsdag 3 mei 2016 interview BN / De Stem van Maaike Walravens

ROOSENDAAL – Achttien jaar was Wim Arts (70) toen hij hoorde dat zijn vader niet zijn biologische vader was. Hij verbleef die week bij zijn oom en tante om te helpen met het verbouwen van hun huis. Na een dag hard werken, en onder het genot van een borrel stelde Arts op een avond zijn oom de vraag: ‘Hoe zit het nu precies met mijn vader?’. Zijn oom vertelde dat Wim een kind is van een Ierse soldaat uit het Britse leger, een zogenaamd bevrijdingskind.
Wim wist het min of meer al. Hij was een jaar of vijf toen hij voor het eerst geconfronteerd werd met het familiegeheim. “Ik stond met mijn vader in de tuin, toen een vrouw langsfietste. Ze wees naar mij en vroeg aan mijn vader ‘Wie is dat manneke?’. Ze kende mijn vader, wist dat hij destijds pas drie jaar getrouwd was met mijn moeder. Ik was vijf.”

Wim, inmiddels 70 jaar, zit in de woonkamer van zijn appartement in een seniorencomplex in Roosendaal. Aan een van de muren hangt een groen-wit doek met de tekst ‘An Irishman’s Philosophy’ (De filosofie van een Ier. red). Die filosofie komt erop neer dat je altijd de keuze hebt om je ergens druk over te maken. Wim kocht het doek tijdens een van zijn trips naar Ierland toen hij zijn vader ging zoeken. Hij voelt zich Iers ja. Aan een andere muur hangt een vlag van de streek waar zijn biologische vader vandaan komt. Sinds twee maanden weet hij meer over de man. Het kostte hem 25 jaar actief zoeken, tal van brieven, telefoontjes, mails, reizen naar Ierland, Engeland, gesprekken met vreemden en verre familieleden. En ook tranen, want sommigen vonden dat hij te ver doordraafde in zijn zoektocht. “Maar wie wil nu niet zijn roots weten? Dat is een natuurlijk gegeven.”

Wim’s moeder woonde tijdens de oorlog samen met haar vijf zussen en haar broer bij hun ouders in Tilburg toen het gezin in contact kwam met zeven militairen van het Britse leger die in Tilburg gestationeerd waren. Vanuit een magazijn in de stad zorgden de soldaten voor de bevoorrading van technische legeronderdelen in de rest van het land. Wim`s moeder raakte bevriend met de korporaal van het stel, de Ier Edward O’Malley. Ze raakte zwanger van hem en niet lang daarna ging Edward terug naar Engeland, waar hij woonde.
Wim werd geboren in Moederheil in Breda, een opvanghuis voor ongehuwde vrouwen. Ook al werden in de periode na de oorlog veel ‘bevrijdingskinderen’ geboren uit relaties tussen Nederlandse vrouwen en bevrijders, een ongehuwde vrouw met kind was niet kies in die tijd. Dus toen Wim`s moeder twee jaar na de bevalling trouwde met een Nederlandse man, besloot het kersverse echtpaar Arts om Wim op te voeden als hun kind en daar verder niet over te praten. Ook toen Wim wist van zijn biologische vader werd daar thuis geen woord over gerept. Hij had een goede band met zijn ouders en wilde zijn familie niet ten schande maken. “Dat was altijd het grootste probleem. Ik wilde meer over mijn ‘roots’ weten zonder afstand te nemen van mijn familie.”

Wim`s zoektocht werd serieus in 1990. In dat jaar ging een van de andere kinderen die in Moederheil geboren was, in hongerstaking uit protest dat ze het dossier van haar biologische vader niet in mocht zien. Tot die tijd werden de dossiers achtergehouden. De rechtbank besliste in het voordeel van de bevrijdingskinderen en zo zag Wim voor het eerst de naam van zijn biologische vader. Hij begon te schrijven naar het ministerie van Defensie in Engeland, met de vraag om meer informatie over zijn vader. Uit privacy-redenen kreeg hij die informatie niet, waarna hij naar de Ierse ambassade schreef. Daar kreeg hij hetzelfde antwoord, echter, onderaan de brief van de ambassade was een telefoonnummer met potlood gekrabbeld. Het bleek het nummer te zijn van een medewerker van de ambassade die Wim als privépersoon verder wilde helpen met zijn zoektocht. De naam O’Malley kende zij uit de regio waar ze een vakantiehuis bezat.

Nu, 25 jaar later, en met de hulp van de ambassademedewerkster heeft Wim de informatie die hij zocht over zijn biologische vader gevonden. Edward O’Malley –Eddy – was een bouwvakker. Een vrolijke en loyale man die op jonge leeftijd naar Engeland emigreerde, trouwde en drie kinderen kreeg, twee dochters en een zoon. Een echte O’Malley ook: Een harde werker, ondernemend, een veroveraar. Hij overleed in 1979.
Wim staat tijdens het vertellen regelmatig op van zijn stoel om de ene keer een van zijn mappen vol documenten van zijn zoektocht te pakken en de andere keer een sleutelbos tevoorschijn te grissen waaraan het familiewapen van de O’Malley’s hangt. Het is een welgestelde boerenfamilie die is uitgewaaid naar plekken over de hele wereld. Neem Martin O’Malley, de democraat die meedeed aan de voorrondes van de presidentverkiezingen. Ja, hij is trots op zijn Ierse familie. “Natuurlijk!”, zegt hij geëmotioneerd. “Het is mijn tweede thuis! Ik voel me meer en meer een O’Malley.”

Over een paar maanden reist Wim weer naar Ierland voor de O’Malley-reünie, waar honderden familieleden van over de hele wereld naartoe komen. Zoals iedereen draagt hij een naamkaartje. Mensen spreken hem dan vaak aan, hij wordt herkend: ‘Oh, ben jij die Wim uit Nederland die zijn vader zocht’. “Ik ben een onderdeel van die familie. Ik krijg een warm gevoel als ik daar ben.” Dit jaar hoopt Wim meer te weten te komen over zijn halfbroer en –zussen. “Die hoop ik nog te ontmoeten. Daar is nu alles op gefocust.”

Filosofie van een Ierse man.

Er zijn slechts 2 dingen om je druk over te maken.

Als je gezond bent is er niets om je druk over te maken.

Als je ziek bent zijn er 2 dingen om je druk over te maken.

Of je wordt beter, of je gaat dood.

Als je beter wordt is er niets om je druk over te maken.

Als je dood en naar de hemel gaat is er niets om je druk over te maken.

Als je naar de hel gaat, zul je het snel te druk hebben met het schudden van handen van je vrienden en heb je geen tijd om je ergens druk over te maken.

Roosendaal januari 2011

Inleiding

Soms lees je een tekst waarbij je in gedachte vraagtekens plaatst of waarvan leermeester Frans de Clercq zei, ‘schrijvers en dichters liegen de waarheid.’

Voor dit boek probeer ik, door mijn bril, de waarheid zo goed mogelijk te achterhalen en waar nodig met dichterlijke vrijheid aan te vullen.

Persoonsgegevens werden in Nederland bij gemeenten op akten van de burgerlijke stand en in het bevolkingsregister ondergebracht. Vanaf 1920 tot 1939 zijn deze gegevens op familiekaarten bijgehouden. Daarna is overgegaan tot invoering van persoonskaarten. Kinderen werden op de persoonskaart van vader ingeschreven. Vanaf 1-10-1994 zijn persoonskaarten vervangen door digitale persoonslijsten in de gemeentelijke basisadministratie.

Mijn overgrootvader van vaderszijde is afkomstig uit Overasselt en van moederszijde uit Beers. Twee dorpjes gelegen aan de provinciale grensrivier de Maas tussen Gelderland en Brabant met jaarlijks terugkerende overstromingsrampen. Beide families hebben begin vorige eeuw aan overlast van het maaswater meer dan natte voeten overgehouden. Voor vervoer in het eilandenrijk aan beide zijden van de Maas waren ze op roeiboten aangewezen omdat de wegen veelal ondergelopen waren.

Overgrootvader Antoon Arts van vaderszijde werd geboren op 21 april 1841 in het Gelderse Overasselt waar hij grof- en hoefsmid was. Grootvader Laurensius Arts, geboren in 1876 op 10 maart, werd “Frans de smid” genoemd hoewel hij een boerenbedrijf startte en daar zijn hele leven gewerkt heeft.

Volgens goed gebruik noemde Antoon zijn oudste zoon naar zijn grootvader Laurensius. Omdat Antoon de roepnaam Rens, van zijn opa, voor zijn oudste zoon en beoogd opvolger niets vond, werd de nieuwe pater familias van meet af aan Frans genoemd. In het dorp leefde de familie Rens en Antoon wilde niet dat zijn zoon met een achter- maar met een voornaam aangesproken werd.

In de kamertjes boven de smederij was het, uit de wijde omgeving, een komen en gaan van smidsknechten en dienstmeiden die tegen kost en inwoning het vak mochten leren. De leerlingen kwamen o.a. uit Ravenstein, Uden, Mill, Appeltern, Beugen, Heesch, Wijchen, Escharen, Beuningen en Kuik, allen volgens het bevolkingsregister inwonend. Kuik, het huidige Cuijk, staat volgens de in 1900 gehanteerde schrijfwijze genoteerd.

Frans de smid die het allemaal gelaten over zich heen liet komen, voelde er niet veel voor om later smid te worden met al dat “vremd” volk over de vloer zoals hij zei. Hij hoopte te zijner tijd rustig zijn koeien te kunnen melken en geen paarden te beslaan of ploegen te smeden of herstellen.

Bij boer Valk hielp Frans dagelijks om 5.00 u. met melken omdat, zoals zijn vader dat in de smidse tegen zijn klanten zei, “hij loopt anders toch maar in de weg.” Achter de smederij aan de Schonenbergseweg startte hij op dertig jarige leeftijd onder aan de dijk op de grens tussen Over- en Nederasselt een eigen boerenbedrijf. Frans trouwt in 1908 op 32-jarige leeftijd met de 1 jaar jongere boerendochter Henrica Thijssen uit Malden. Uit dit huwelijk werden vijf zonen en twee dochters geboren.

Oudjaar 1925 brak `s morgens om 7.00 u. over een breedte van 50 m. de dijk van de Maas op de grens van Over- en Nederasselt door. In het land van Maas en Waal werden door het stromende water en ijs ruim 3000 huizen beschadigd of verwoest.

Tijdens deze dijkdoorbraak stonden Frans met Rica en hun 5 zonen, 2 dochters en 1 boerenknecht in de vrieskou op de hooizolder rillend en angstig naar het woest kolkende water te kijken, Het wassende water sleurde stukken houten dakconstructie, rietendakbedekking en hooi het natuurgeweld in. Harry, het jongste zesjarige zoontje gleed van het hooi het stromende water in. Broer Piet wist ternauwernood zijn jongste broertje, zoals hij tot op hoge leeftijd vol trots vertelde, voor de ogen van zijn moeder bij zijn lurven te pakken, uit het water te trekken en terug op het hooi te zetten en van een wisse verdrinkingsdood te redden.

Moeder Henrica stierf 6 jaar later in 1931 op ruim 53 jarige leeftijd. Haar oudste zoon Antoon van 22 werkte als leerling boekhouder in Nijmegen, zoon Wim als smid leerling bij een vriend van smid opa Antoon in Bemmel en Jacques leerde timmeren en het aannemers vak in Overasselt. Zoon Piet leerde van vader Frans het landbouwer en boer zijn. Kleinzoon Louis zette later het gemengde bedrijf om in een varkensbedrijf.
Harry, mijn vader, bij overlijden van zijn moeder 12 en zijn jongste zusje Rie van nog geen 10 jaar zaten op de gemengde dorpsschool. Oudste, 14 jarige, dochter Toos kreeg terwijl ze op de huishuidschool zat een moederrol in de schoot geworpen. Door hard op de boerderij en voor ieder dubbeltje buitenhuis te werken, wist de familie zich ternauwernood staande te houden. De oudste dochter ging in 1942 op 25 jarige leeftijd in het centrum van Nijmegen bij een huisarts voor dag en nacht in dienstbetrekking. De jongste dochter Rie verhuisde op amper 10 jarige leeftijd van Overasselt naar een familie in Oss.

Harry werkte van juni 1939 tot en met maart 1944 bij ijzerwaren handel gebroeders van Campen in Nijmegen als assistent boekhouder / jongste bediende en van 19 oktober 1944 tot januari 1946 bij Dickmans paraplu fabrieken als boekhouder.

Overgrootvader Antoon van Riet van moederskant geboren 29 juni 1853 in het Brabantse Beers, oefende ook twee beroepen uit, namelijk molenaar en bakker. Door vader Wilhelmus was hij van zijn 17 ᵉ tot 20 ᵉ levensjaar als bakkersleerling naar Veghel gestuurd. Het malen van meel en het bakken van brood in 1 hand, daar zag mulder Antoon wel brood in. Zijn grootvader Wilhelmus, geboren te Volkel als zoon van Meester-schoenmaker, kocht op 22 juli 1852 de Beerse Molen voor een bedrag van fl. 8.030,00. Zijn vader Willem moet ook een vermogend man zijn geweest. Hij schonk elk van zijn 3 zonen een molen. Een van zijn kleinzonen, mijn opa, Wilhelmus van Riet werd ook in Beers op de molen geboren op 15 mei 1886. Helm zoals mijn grootvader in Beers genoemd werd, was voorbestemd om als derde molenaar “van Riet” de molen te runnen.
Maar zoals Bredero zei, “het kan verkeren.” Hoewel een foto van Helm`s verloofde, de oudste dochter van een herenboer uit een naburig dorp op het dressoir in de beste kamer pronkte, lonkte hij naar nog maar kort in dienst getreden dienstmaagd Antonia wat niet zonder gevolgen bleef. De niet uitgesproken, maar voor de hand liggende planning van familieopvolging werd hiermee compleet onderuit gehaald.
Vader Antoon spande zonder op de molenaars leerling te wachten, vloekend en zuchtend het hitje voor de sjees en reed in galop naar de pastorie. Normaal gesproken, behoorde het rijklaar maken tot een van de taken van de jongste bediende Gradje, maar daar kon hij niet op wachten. Hij wilde zo snel mogelijk met mijnheer pastoor in crisisoverleg en liep zonder groeten de forse pastoorsmeid Anna omver, hoewel die hem met een brede glimlach wél begroette terwijl zij voor hem de antieke zware hardhouten voordeur met een brede zwaai opende. Over de voordeur van de pastorie vertelde mijnheer pastoor trots aan eenieder die het horen wilde dat hij die uit een van de kastelen van Lodewijk XIV uit Zuid Frankrijk had weten te bemachtigen net als de meubels in zijn kamer.
Zouden de dorpsroddels die Anna opgevangen had dan toch waar zijn?
Mijnheer de mulder en kerkmeester had ze nog nooit zo kwaad en overstuur, zonder te kloppen, de kamer van mijnheer pastoor zien binnenstormen zonder op het bekende “entree” van mijnheer pastoor te wachten. Alleen zijn kapelaans en de dienstmeid klopten sporadisch op de deur van mijnheer pastoors museumachtige kamer met Lodewijk XIV meubels en een heuse “Weissenbruch” aan de muur. De kapelaans om hun preek voor zondag af te geven en Anna om de maaltijden te verzorgen. Mijnheer pastoor had de gewoonte om voorafgaand aan de lunch te brevieren. Gelukkig was het nog geen 11.uur stelde de pastoorsmeid met een blik op het koekoeksklokje in de woonkeuken geruststellend vast.
Na een ½ uurtje werd er 3 keer gebeld om aan te geven dat een kan koffie voor mijnheer pastoor en zijn bezoek met een tweetal kopjes en het zilveren roomstelletje naar binnen gebracht mochten worden. Mijnheer pastoor had besloten te proberen iets aan zijn lijn te doen dus de speculaasjes konden achterwege blijven. Met een buiginkje zette Anna het dienblad op het eiken bureaublad voor bezoekers aan de rechterzijde. Vanuit de persoon achter het bureau gezien was dit aan de linkerzijde boven de linkse rij laden. In een paneel aan de voorzijde werd het bureau opgesierd met een gebeeldhouwde heilige geest. Midden voor de Heilige familie en in het rechtse paneel het familiewapen de Quay van mijnheer pastoor.
Menig bezoeker kreeg bij het bestuderen van de fraaie gebeeldhouwde afbeeldingen op het imposante meubelstuk de overtuiging dat mijnheer pastoor belangrijker was dan burgemeester Thijssen. De jonge Thijsen was in 1899 zijn vader als burgemeester opgevolgd. Zijn vader die 43 jaar burgemeester geweest werd bij zijn afscheid, kort voor zijn overlijden, door van koning Willem III geridderd vanwege “ langdurige trouwe plichtsvervulling als die van burgemeester “, aldus het Boxmeers Weekblad van 2 september 1899. De familie Thijssen was van adellijke komaf, bezitter / verpachter landgoed De Barendonk en fervente jagers. In het boekje Beers in oude ansichten lezen we: “ Onder de jagers waren nogal wat belangrijke personen, zoals burgemeester Thijssen, de commissaris van de Koningin uit de provincie Limburg en baron Van Heuvel.”
Toegegeven moet worden de familie de Quay is Beers steeds trouw gebleven. Ook oud-ministerpresident Jan de Quay is op het kerkhof in Beers begraven. Hij kreeg van Wim Kan de opdracht zijn gevallen kabinet met zijn allen te lijmen en dan te carnavallen.
Lijmen was een gave die ook de heeroom van Jan de Quay als geen ander bezat.

Overgrootvader Antoon van Riet moest mijnheer pastoor gelijk geven dat Helm en tegelijkertijd zijn hele familie een gang naar Canossa bespaard zou blijven, als zijn besluit opgevolgd werd. Het paar moest in de parochiekerk van de bruid, de H. Martinus kerk, in Cuijk en niet in Beers trouwen. Eerlijk is braaf, ook mijnheer pastoor vond dat een geruststellende gedachte. Hij zou het vervelend vinden als, zo waren de regels nu eenmaal, voor het bruidspaar niet de 2 bidstoelen door de koster op het priesterkoor klaargezet konden worden. Bij een 1e klas trouwmis hoorden de zojuist door de Bossche meubelmaker van de St. Jan afgeleverde meubelstukken klaargezet te worden. Maar een hoog zwangere bruid, ook de aanstaande schoondochter van zijn kerkmeester, zou knielend in de 1e kerkbank de trouwringen, na het jawoord, aangereikt worden. Deze bank werd, normaal gesproken, gereserveerd voor leden en hun familie van het kerkbestuur. Voor de dokter en hoofdonderwijzer / koordirigent, wiens kinderen hij ook als het enigszins mogelijk was graag in zijn kerk trouwde, was de 2e kerkbank gereserveerd .

Mijnheer pastoor beloofde met een bevriende pastoor in het Duitse Niedermörmter kontakt op te nemen om te vragen of hij geen mogelijkheid zag het toekomstige jonge echtpaar binnen zijn parochie aan woonruimte en Helm aan werk te helpen. Helm had niet zoals zijn vader een bakkersopleiding gevolgd, maar zich in de elektronica verdiept. Zo had hij een radio wereld ontvanger gebouwd waarmee hij met de radioantenne boven in de molen een grenzeloze ontvangst had.
Met de trein van Cuijk naar Nijmegen en via Kleef of Gogh was Nieder-mörmter op 1 dag goed te bereizen. Hij zou een brief schrijven en vragen of hij met zijn kerkmeester bij collega- pastoor op audiëntie kon komen en 1 nacht op de pastorie slapen.
Bij een vorig soortgelijk bezoek had hij in een grote kamer geslapen met in een kast voldoende drank voor de hele week. Frau Müller had hem op de bovenste plank, naast een extra kussen, op de sigaren en de flessen drank gewezen.
Enigszins opgelucht dat mijnheer pastoor, zoals gewoonlijk, nagenoeg voor alle problemen een oplossing had, liet overgrootvader Antoon zijn paard in sukkeldraf naar de bakkerij teruggaan. Hij hoefde de leidsels niet te gebruiken omdat het paard de weg naar de molen kende. Hij besloot, terwijl hij zijn hoed voor de slager, met zijn onafscheidelijk peukje sigaar in zijn linker mondhoek, aantikte ook een sigaar op te steken. Met een klik knipte hij het hoekje uit het mondstuk en met duim en wijsvinger kraakte hij de kop van de sigaar. Hij besloot onderweg niet in het dorpscafé “de huiskamer van Beers” gelegen naast het patronaat een welverdiende borrel te drinken. Hiermee werd voorkomen dat hij aan José de cafébaas moest uitleggen wat hij op de pastorie was wezen doen. Om dit met Gerrit de postbode als toehoorder daar zag hij tegen op. Hij vond het al erg genoeg dat hij zijn vrouw Maria moest gaan vertellen dat Helm in dezelfde kerk ging trouwen als waarin zij zelf getrouwd waren. Vorige week had Maria nog wel tegen hem gezegd “als ik niet beter wist, zou ik denken dat Tonnie in verwachting is.” Maar dat zoonlief de vader zou zijn, kon ze zeker niet bedenken.
Broer Frans was destijds een zeer jonge hulpkoster in de kerk waar zij trouwde. Gelukkig zou hij in de vooravond om sla uit de moestuin komen dan zou ze hem het verschrikkelijke nieuws vertellen en hoefde hij het niet van een ander te horen.
Nu maar hopen dat mijnheer pastoor haast zou maken met het schrijven van zijn brief. Eigenlijk wilde hij de volgende morgen al naar Duitsland vertrekken en zelf de regie in handen nemen. Met de trein vanuit Cuijk naar Nijmegen en vandaaruit met de trein naar het Duitse Kleef of Gogh was zo`n 60 km. en dat moest binnen 4 uur gepiept zijn. Daarbij had hij rekening gehouden met een uur wachttijd op aansluitende trein in Nijmegen en het passeren van de douane.
Een tiental jaren later schreef hij zijn, 2 in Tilburg woonachtige, zoons dat mijnheer pastoor gestorven was en het land onder water stond. In het familiearchief zat bijna honderd jaar later van zijn hand ook een verslag van een bijeenkomst van het molenaarsgilde. Om deze brieven en het verslag voor het nageslacht veilig te stellen heb ik ze persoonlijk bij de FotoArchiefDienst in Cuijk afgegeven. In een bedankbrief sprak voorzitter Jos Janssen hierover zijn erkentelijkheid uit. Hij beloofde de gift met grote zorgvuldigheid te behandelen en te zorgen dat ze toegankelijk blijven voor de bezoekers van het museum. Om de originele brieven en het verslag te bewonderen zult u naar Cuijk moeten reizen. Voor de lezer van dit boek heb ik de tekst zo zorgvuldig mogelijk overgeschreven.

DIOCESAAN MOLENAARSGILDE
GEVESTIGD BEERS, den 18 januari 1920
TE `s – BOSCH

Waarde Zonen en familie,

Het zal u zeker wel benieuwen geen tijding van ons te ontvangen. De reden is dat hier alle verkeer stil staat! De Maas is zooals we gister hoorden in Cuijk aan 13 Meter boven A.P.! Terwijl in het rampzalige jaar 1880 de peilschaal aldaar stond aan 12,37! Het ziet er hier dan ook allerverschrikkelijkst uit. Vrijdagnacht kregen wij het water in huis en is tot nu, zondag 2 uren, steeds blijven wassen. Het staat bij ons ongeveer 40 cm. in de keuken, wij hebben tot gisteren, zaterdag, nog ondergehuisd, en zijn dezen zondagmorgen pas naar boven vertrokken. De koe hebben we op de Hoef gebracht, waar alles uit is en een paard in staat. Vandaag is er in Beers gene Mis geweest, wijl de wegen diep overstroomd zijn. Ook bij W Jans zitten ze er diep in doch Marie floddert er maar tot aan de knieën door heen om te melken en te voederen. Onze jongens zijn aanhoudend in de weer om zoveel mogelijk hulp te bieden. Gisteren waren ze bij A. Verbergen waar 2 vette varkens van ieder 300 kilo en twee kleine verdronken zijn. Op andere plaatsen is het nog erger, doch dit zal later eerst blijken als alles weer bekend raakt. Er is geen de minste gemeenschap met de dieren wijl ieder meer dan genoeg met zich zelf te doen heeft. Het is een aanhoudend hulpgeroep doch wijl wij alléén in de hele Vianen een boot hebben is het onsend gelijk iets van betekenis te helpen. Vrijdag brak de Leuvenstraatse dijk bij Herm. Driessen door, overal had men uit alle macht gekeerd, doch ten laatste ging het water over of door de dijken. De menschen hadden in de dijkbroek meer dan 1000 Zakken zand geworpen doch niets afgedaan, ook wijl het tenslotte toch overal onderliep! Dezen morgen kwam hier een boot voorbij waarin de nieuwe secretaris van de Bond de Hootsmans (Bijenman) welke mij toeriep dat de Maasdijk te Cuijk en ook de spoordijk tussschen Cuijk en Catwijk doorgebroken zijn. In Cuijk zaten ze reeds zaterdag in de geheele Groote straat in het water, ook bij tante Miek en bij de koster doch daar hebben we verder niets meer van gehoord. Ge kunt wel begrijpen hoe het er in Cuijk zal uitzien daar ze meer dan 3 kwart meter hooger water hebben dan in `80! Ik zit hier op den zolder met potlood te schrijven wijl mijn schrijfgereedschap in de kamer staat en ik daar niet bij kan komen. Een dragend varken hebben we geplaatst op de opkamer aan het voeteneind van ons bed. De andere twee, vette, voor het raam van de bakkerij op den voorstal. De geit en de konijnen op de zolder, hond en kat dito. We hadden een 30 kippen doch weten niet wat hun lot is, we hooren geen haan kraaien, doch kunnen er niet bijkomen om te zien hoe het er mee staat, de bijen staan op de bovenste plank, doch staan zoowat halfweg in `t water; wat dit geven zal weten we evenmin. Er is in Beers, zoo ik denk geen 100 □ Meter land meer bloot en van de huizen geen 20 die het water niet binnenliep. Gisteren is Pastoor de Quay gestorven doch kan natuurlijk niet begraven worden, wijl het kerkhof ook onder water staat. Ge begrijpt hoe ellendig het is zoo te zitten, doch wat moet het voor die arme menschen wel zijn die in het hooi of op een wrakke zolder zitten met het vee tot aan den buik in het water en niets of niet veel te eten hebben! Er schijnen meer doorbraken te zijn want het water stroomt tusschen het huis en de molen door met het geweld van eene groote rivier en komt van Cuijk of Oeffelt en niet vanaf Linden zooals anders en loopt ook over den grindweg in de richting naar Linden waar het anders vandaan komt. Tusschen Beers en Cuijk staat de grindweg overal onder water. In Cuijk moet het allerverschrikkelijkst zijn! Wijl het meeste water maar tot de spoorlijn kan en dus eene groote diepte moet overbruggen. Op het oogenblik(circa 3 uur) meenen wij dat het iets begint te vallen, ook vertelde Slootsmans dat er overal val gemeld werd. 4 uur. Zodeven komt hier weer een boot voorbij en riepen de inzitten ons toe dat er tusschen Cuijk en Katwijk meer dan 60 Mtr. Spoordijk was weggeslagen zoodat treinenloop geheel stilstaat. Bij Henri Loefen zijn 3 runderen en een varken verdronken. Paul en G Arntz zijn zoo even thuis gekomen en brachten een verdronken varken mede van ongeveer 100 kilo van wie het is weten wij niet, doch zullen het den Burgemeester laten weten om zoo het kan den eigenaar weer te geven. Hoe later het wordt hoe meer treurige berichten binnenkomen. Bij Jans was alles nogal goed doch wijl wij zaterdag niet konden bakken kregen ze honger, wij hadden hun nog een halve mik kunnen brengen en brood hadden ze nog wel. De treinen rijden, zoo men zegt, tot aan de dijkbroek, de bielzen hangen over eene groote lengte in de lucht en de passagiers moeten met booten overgebracht worden. Cor en Vincent en Jo hadden een vlot gemaakt en zijn even naar de kippenkooi geweest, doch konden niets uitvoeren wijl het water te diep was. Vincent zag er drie voor het raam zitten, die leefden toch in ieder geval toch nog. Morgen als de boot thuis is, zullen we wel nader onderzoek instellen. Bij Hent Martens is, zoo men zegt, het huis ingevallen, doch zijn zoover men weet, geen ongelukken voorgekomen. Wat nogal meevalt is, dat het niet vriest of hard waait, dan zou het nog erger zijn. Dan was het zeker dat vele van die zwakke huisjes omverwaaiden. Maandag 8 uur. Dezen nacht is het water iets gevallen, zoowat 3 cm. zoodat we weer wat asem krijgen. We hebben in de kippenkooi gekeken en was alles in orde er was maar en haan verdronken. Mijn plan is om vandaag naar Nijmegen te gaan om een of meer booten te kopen doch weet nog niet of ik er zal kunnen komen. Ik zal zoodra mogelijk weer zien te schrijven met dan wel weer meer nieuws. Ik zal dezen brief meenemen dan kan ik hem hier of daar op post doen. Laat dezen ook Toos enz. lezen en hebt ge een bevriend krantenuitgever, die ook, wie daaruit een goed krantenartikel zou kunnen halen. Denk niet dat ik in iets overdrijf! Het is véél, véél erger! Als we hier op Uwe slaapkamer of boven op den molen zitten en rondkijken zien we een onafzienbare oceaan met hier en daar een huis tot aan het dak in het water en boomen soms tot aan de kruin in het water. Ik zal maar eindigen, de jeremiades worden te lang. Na vele groeten van ons allen die het nog zéér goed maken (behalve de waterellende natuurlijk) blijf ik Uw vader enz.
AJvRiet.

Verslag bijeenkomst van het molenaarsgilde.

Op woensdag 2 April stond in de Echo v.h. Land van Cuijk eene advertentie van de Kooper van de motermalerij van den Heer van Sambeek. L. Willems. L. Willems commissionair in kunstmeststoffen waarin hij aanbood voor eventueele klanten te malen voor 2 ½ cent per zak, terwijl de molenaars van Cuijk en omstreken voor dezelfde hoeveelheid 4 ct. berekenen, zoodat al het loon dus met bijna 40% verminderde. Daar de molenaars van Cuijk op de eerste plaats, zich hierdoor ten zeerste in hun bestaan bedreigd zagen, verzochten zij aan het Bestuur van onze Molenaars Gilde eene spoedeisende Algemeenevergadering op te roepen om te trachten deze zaak in orde te brengen. Deze vergadering had plaats op Zondag 6 April bij den Heer M. Jansen, molenaar te Haps, en werd bezocht door 25 leden molenaars, welk druk bezoek wel bewees van hoe groot belang zij de zaak in kwestie, voor den molenaarsstand beschouwden.
Na langdurige discussie werd door den voorzitter voorgesteld om twee afgevaardigden welke niet onmiddellijk in de zaak betrokken waren, naar de Zeer Eerw. Heer Pastoor Sengers (te Cuijk) Geestelijk Adviseur van de Ha.. te Cuijk te zenden, met de opdracht zijn Zeer Eerw. teneinde ene bemiddeling in deze zaak te willen bereiken welk voorstel met algemeene stemmen werd aangenomen. Bij acclamatie werden hiervoor gekozen de Heeren G. H. Verhofstad te Vierlingsbeek en de Heer Jos Reijnen te Wanroy. Welke heeren zich bereid verklaarden om aan deze opdracht te voldoen. Reeds de volgenden dag begaven beide Heeren zich naar de Pastorie en verkregen na uiteenzetting van onze grieven de toezegging dat de Zeer Eerw, Heer Pastoor zoveel in zijn vermogen was in ons belang zou medewerken. Op de daarna onmiddellijk volgende samenkomst, met den Heer L. Willems stemde deze dadelijk met het voorstel van onze commissie in, en beloofde onvoorwaardelijk, voor het zelfde loon te zullen malen als de andere molenaars, zoodat de kwestie geheel van de baan was. Het bleek echter spoedig dat wij ons ten zeerste in Willems vergist hadden, daar hij niet wilde voldoen aan zijne belofte om de Advertentie in de Echo van h. L. v. Cuijk te wijzigen of terug te nemen terwijl hij voortging met voor het mindere loon te malen. Na vergeefsch verzoek om hiermede op te houden en zijne belofte na te komen., verzocht hij om eene Algem. Verg. te beleggen waarop hij zijn standpunten zou verklaren. Deze Verg. werd aanstonds door het bestuur uitgeschreven en gehouden op Donderdag 17 April in St. Josefs Vereniging te Cuijk. Aanwezig waren
27 Leden molenaars, terwijl de Zeer Eerw Heer Pastoor eveneens tegenwoordig was.
De heer Willems had een brief aan onze vereeniging gericht, welke door den Zeer Eerw. Heer Pastoor ontvangen was. In dezen brief deelde Willems mede niet op de vergadering te kunnen komen enz. terwijl hij voorstellen deed, die door een der leden met een soort flesschentrekkerij vergeleken werden.
(Brief voorlezen)
Daar geen der leden zin had aan zijn onzinnigen eisch te voldoen werd besloten, te trachten op te sporen wie de principalen waren waar achter hij zich verborg, om zoo mogelijk daarmede te kunnen onderhandelen.
De commissie hiermede belast, is hierin niet kunnen slagen, zoodat het bleek onmogelijk verder te kunnen komen wijl Willems zijn woord niet nakwam en de Principalen niet wilde noemen. Daar de Verg. veder niets kan uitrichten, werd besloten aan het Bestuur nader op te dragen onderzoek in te stellen. Op 20 Ap. had eene bespreking plaats tusschen den Zeer Eerw. Heer Pastoor, den Voorzitter en de Molenaars van Cuijk, en werd goedgevonden een schrijven aan Willems te zenden waarin hij verzocht werd op te houden met voor particulieren te malen, terwijl, bij niet voldoen aan dit verzoek de Molenaars van Cuijk en omstreken zouden beginnen met handel in kunstmeststoffen, als zijnde ons eenig middel van verweer. Antwoord werd verzocht op Dond. 24 Ap. 4 uur terwijl eene bestuursverg. op den zelfden dag werd gehouden een uur na de aan Willems gestelden tijd . Tegenwoordig waren 3 best. Leden, De Heer Reijnen verhinderd wegens ziekte, De Zeer Eerw. Heer Pastoor en de molenaars van Cuijk waren eveneens tegenwoordig. Daar van Willems geen antwoord was ingekomen, werd op die Verg. besloten , in beginsel, om met dien kunstmesthandel te beginnen. Daar het Bestuur overtuigd is, dat de Vereeniging in deze zaak correct is opgetreden en het gevaar voor loonsverlaging , voor de molenaars in het geheele land van Cuijk eene groote ramp blijft bestaan, weet niet beters voor te stellen om, althans in Cuijk vooreerst, den meststoffenhandel te beginnen, terwijl de Molenaars van Cuijk beloven om het maalloon op het oude peil te houden, indien de leden van onze Gilde aan deze zaak den noodigen steun willen verleenen, om de oprichting van dezen handel mogelijk te maken, daar wij het als ons laatste middel van verweer beschouwen. Om de zaak verder uit te werken en zoo mogelijk haar beslag te doen krijgen is hoofdzakelijk het doel van deze Vergadering. Zoo ik meen zal de Zeer Eerw. Heer Pastoor wel even het woord nemen, ten einde ons misschien nog te wijzen om tot ons doel te kunnen geraken.

1945

Met een zacht herfstzonnetje in zijn rug fietst mijn heeroom Wim van Riet en aankomend missionaris Mill Hiller, heerbroer Wim – voor zijn zus Leny en mijn moeder – op zaterdag 15 september 1945 van het retraitehuis Cenakel in Tilburg naar het doorgangshuis voor ongehuwde moeders Moederheil in `t Ginneke bij Breda. Heeroom Wim had al lang in de missie tussen de zwartjes willen zitten, dan was hem ook dit bezoek aan Breda bespaard gebleven. Vanwege de oorlog was het niet mogelijk om als missionaris naar Afrika uitgezonden te worden. De missionarissen konden niet naar de missie omdat alleen oorlogsboten de zeeën bevoeren en daarom werd pas in 1946 opnieuw gestart met het uitzenden van de eerste missionarissen. Hoe anders had hij zich, als gediplomeerd missionaris, de tijd aansluitend aan zijn preisterwijding voorgesteld. Zijn lagere schooltijd had hij bij de fraters van Tilburg doorgebracht. Een van de fraters ging als missionaris naar Borneo. Met hem bleef Wim een tijdje schriftelijk contact houden. Thuis in de Koestraat in Tilburg kwamen de missionarissen van het klein seminarie over de vloer. Zij kwamen daar voor hun “hobby” en niet voor de missie.

Vader Helm van Riet, voor mij opa van Riet, mocht dan wel geen zelfstandige molenaar/bakker in Beers geworden zijn, maar door studie en grenzeloze inzet promoveerde hij in Tilburg tot hoofd van de afdeling elektriciteit bij de textielfabriek Mutsaerts. Opa van Riet was een verwoed radioamateur zoals veel van de missionarissen in spe. De toekomstige missionarissen werd op het seminarie geadviseerd te zorgen voor een radio met wereldontvangst om ook in de rimboe van het laatste wereldnieuws op de hoogte te blijven. Bij de familie van Riet werd in hun elektriciteitswinkeltje o.a. onderdelen voor bouwpakketten van de 1e doe het zelf transistor radio`s verkocht. De komst van de in toog gehulde Mill Hillers naar Koestraat 97 Tilburg had dan ook weinig met religie van doen. De pater familias, heeroom Wim keek als klein menneke met bewondering en ontzag naar de solderende zwartrokken en riep spontaan “Ik wil ook missionaris worden.”, zonder zich te realiseren dat het bouwen van een transistor radio niet tot de hoofdtaken van een missionaris behoorde en daarmee zag hij direct af van de ongeschreven wet om als pater familias te zorgen voor een nieuwe stamhouder die de familie in mannelijke lijn voortzet.

Op school had heeroom Wim geleerd dat missionarissen van het H. Hart uitgezonden werden naar de Molukken, Oceanië, Nieuw Guinea, de Filipijnen en Brazilië. Omdat zijn aanmelding voor het klein seminarie bij de missionarissen van het H. Hart in Tilburg te laat kwam, vond zijn vader dat hij zich dan maar voor de opleiding van de missionarissen van Mill Hill moest aanmelden, die kende hij immers ook. Dat maakte Wim niets uit, hij wilde op avontuur naar het buitenland. En of dat nu als missionaris of als broeder was, hij vond het allemaal goed. Natuurlijk koos hij er voor om priester /missionaris te worden maar voor het geval de priesteropleiding te zwaar was, kon hij altijd nog overschakelen om als broeder uitgezonden te worden.

De eerste jaren op het kleinseminarie verliepen niet probleemloos. Als 12 jarige ging hij naar het Sint Joseph-studiehuis van de congregatie van de Fraters van Mill Hill aan de Dr. Ahausstraat, op amper 5 km loopafstand van het huis waar hij geboren en opgegroeid was. Het leverde hem aanvankelijk veel heimwee op. De daarop volgende 2 jaren filosofiestudie in Roosendaal met voertaal Engels omdat er ook Engelse, Ierse en Schotse studenten op het seminarie zaten, verliepen voorspoedig met boven verwachting goede studie resultaten. Zo ook de 4 jaar theologie bij Mill Hill in Londen. Hier werden Engels en Latijn als voertaal afgewisseld. Normaal gesproken zou hij na zijn priesterwijding als missionaris uitgezonden worden, maar tijdens zijn laatste studiejaar kreeg hij tbc, waardoor zijn priesterwijding uitgesteld werd. Twee jaar moest hij vanwege zijn ziekte in het sanatorium Dekkerswald bij Nijmegen kuren. Het sanatorium was gelegen tussen de Heilig Landstichting en Groesbeek in de prachtige bossen van Groesbeek waarbij bovenal 3 keer R het uitgangspunt was . Rust, reinheid en regelmaat

Het verblijf op Dekkerswald, dat wel drie jaar kon duren, kende vier fases:
1. Volstrekte bedrust (maandenlang) en dit dag en nacht en jaarrond in de
open lucht.
2. Na enkele maanden was er verdere verpleging in de (draaibare) lighal of
op het terras.
3. Daarna was het toegestaan om een korte wandeling te maken in het bos, uiteraard
mannen en vrouwen gescheiden.
4. De laatste 8 weken was er werktherapie om weer te wennen aan het
leven buiten Dekkerswald.

Ondertussen brak ook voor Mill Hiller Wim van Riet, de oorlog uit zodat het niet mogelijk was dat hij na zijn wijding in 1941 naar de missie uitgezonden werd. De klas van 1939 was de laatste groep die als missionaris uitgezonden werd. Daarna zijn uitzendingen tot 1946 achterwege gebleven. Ter opvulling werd in 1941 een jaar les in missiologie, de Oost-Afrikaanse taal Kiswahili, volkenkunde, taalkunde en dergelijke gegeven. Het Swahili is een Afrikaanse taal die vooral in Oost Afrika gesproken wordt door ongeveer 50 miljoen mensen. In Tanzania en Kenia is het Swahili, naast het Engels, een officiële voertaal.
Na dat extra jaar kregen de jonge priesters een diploma uitgereikt, waarmee ze de eerste ‘gediplomeerde’ missionarissen waren, zo vertelden ze trots maar helaas moesten ze tot ver na de 2e wereldoorlog op hun beurt wachten om naar de missie uitgezonden te worden.

Mejuffrouw Smit maatschappelijk werkster van doorgangshuis Moederheil voor ongehuwde moeders Valkenierslaan 5, `t Ginneke ontving heeroom Wim van Riet hartelijk en met alle egards. Het was haar niet duidelijk waarom de “jonge” 32 jarige priester een gesprek wilde en dan nog wel tijdens het bezoekuur. Een tijdstip waarop geacht werd dat ze discreet op haar kamertje, lezend of bezig met lichte administratieve werkzaamheden zat te wachten om zo nodig bezoekers van Moederheil te woord te staan. Als een andere bezoeker gevraagd had om tijdens het bezoekuur een afspraak te maken dan had ze daar zeker niet mee ingestemd. Om alle verkeer op de gang goed in de gaten te houden, ging ze steevast in het midden achter het raam zitten met de glasgordijntjes iets uit elkaar geschoven. Maar een priester de deur wijzen en vragen een afspraak buiten de bezoekuren te maken, nee dat kon niet en daarvoor zette ze graag alles aan de kant. Bij het begroeten van personen die met haar afgesproken hadden, probeerde ze terloops onder het geven van een hand te ontdekken of er een trouwring om de ringvinger zat. Ontdekte ze geen trouwring bij de bezoeker dan was ze op het ergste voorbereid. Soms moest ze, zelfs aan twintigers, uitgebreid voorlichting geven over wat volgens de wetten van moeder natuur na 9 maanden te wachten stond en dat het in verwachting raken niet het gevolg van een tongzoen kan zijn. Of zoals haar oudste broer tot grote ergernis zei; “Het waait er niet vanzelf in.” De laatste keer dat hij dit weer zei, verliet ze demonstratief de kamer. Een 19 jarige tantezegger moest ze vorige week uitleggen waarom ze boos op haar vader was. Maar daar had ze geen oren naar. Angstige weken had haar nicht achter de rug omdat ze bang was van zoenen met een Poolse bevrijder van Breda zwanger te zijn. Gelukkig kon ze ook haar vertellen dat je daar niet zwanger van wordt maar dat door de spanning haar menstruatie misschien wat verlaat was. Ze vertelde tieners, twintigers maar ook een enkele dertiger dat een bevalling in Moederheil op de afdeling voor ongehuwde moeders op dezelfde manier verliep als bij gehuwde moeders thuis of in het ziekenhuis.

Voorkinderen komen voor 25 % voort uit families met een eerdere voorkind geschiedenis had de priester tijdens het voorbereiden van zijn bezoek aan Moederheil gelezen. Zijn vader en moeder hadden het tijdstip van het geboren worden van hun oudste dochter, reeds na 4 maanden huwelijk, zo veel mogelijk proberen te verdoezelen. Hiervoor hadden ze hun koperen en 25 jarig huwelijksfeest steevast 1 jaar later gevierd, zogezegd een leugentje om bestwil. Hun zilveren bruiloft werd niet op 12 mei 1935 maar op hun 26e trouwdag 12 mei 1936 gevierd. Het 1 jaar later vieren van hun huwelijks jubilea zouden ze tot en met hun gouden bruiloft in 1961 volhouden. Daar werd niet van afgeweken, want wat moest de buitenwacht wel niet denken en daarvoor waren ze hun eerste huwelijksjaren toch niet in Duitsland ondergedoken. Als Wim`s zus Leny in haar familie “ons Leen” genoemd het tijdschema van haar vader en moeder zou volgen, dan moest ze nog deze maand, september 1945, trouwen maar met wie. De aanstaande vader ene Edward O`Malley was een geallieerde soldaat, Ier van geboorte en lid van het Lancashire Regiment van het Engelse bevrijdingsleger dat `s Hertogen Bosch bevrijd had. Edward was gedetacheerd in Tilburg in de garage van Gerzon in de Tuinstraat tegenover het NS station Tilburg. Met een zestal collega soldaten zorgde hij in de rang van korporaal als leidinggevende voor distributie van auto-onderdelen voor “bevrijd” Nederland.

Het Lancashire regiment had in oktober 1944 Den Bosch bevrijd. Direct hierna was Eddy met een zestal soldaten doorgestuurd naar de garage van Gerzon, Tuinstraat in Tilburg. Zij verrichtten koerierswerkzaamheden door auto-onderdelen bij verschillende legeronderdelen in Brabant af te leveren. Voor een zending onderdelen naar Grave en Nijmegen vroeg Eddy aan de priester of hij wellicht mee wilde rijden. Zo sloeg hij twee vliegen in één klap. Wim was een voortreffelijk tolk omdat het Engels door zijn studie op het seminarie in Londen zijn 2e Moerstaal geworden was. Eddy kwam dat goed te pas. Zo had hij onderweg géén taalproblemen te verwachten want met hulp van de priester gekleed in toog zich ieder moment verstaanbaar maken. Daar kwam bij dat “father Bill” zoals hij hem noemde in het land van Maas en Waal de weg wist. Hij stelde voor om, nadat ze de onderdelen voor de jeep in Grave afgeleverd hadden, door te rijden naar Beers en een bezoekje aan de molen in Beers te brengen en met de pont in Katwijk bij Cuijk de maas naar Mook over te steken om naar Nijmegen door te rijden en het laatste pakketje auto-onderdelen af te geven en over de brug bij Grave weer terug naar Tilburg te rijden. Het was Eddy duidelijk geworden dat de koperen molen die in de woonkamer van familie van Riet in Tilburg, waarvan de wieken konden draaien een kopie van de Beerse molen “De Hoop” was en vanaf 22 juli 1852 in eigendom van de familie van Riet. Tijdens dit rijtje zag Eddy kans om ook nog het een en ander te vragen. Hij maakte zich zorgen over zijn terugkeer naar Ierland. Tijdens het gesprek in de jeep onder 4 ogen vroeg hij Wim het hemd van zijn lijf. Eddy had zich onder andere bezorgd afgevraagd of er in Nederland een wet was die het geallieerden verbood terug naar hun land te gaan, als bewezen werd dat zij een kind verwekt hadden. Wim, uit overtuiging celibatair, wist er als buitenstaander weinig over te vertellen maar beloofde, als Eddy dat per se wilde weten, hiervoor contact met het militairgezag op te nemen. Maar Eddy is er nooit meer op teruggekomen en verdween een tijdje later met de Noorderzon zonder van de familie Van Riet afscheid te nemen. Toen bleek dat Wim`s zus in verwachting was, werd het hem duidelijk waarom Eddy hiernaar gevraagd had en zich niet meer durfde te tonen.

Meestal kwamen de kameraden John, Jock en Eddy met z`n drieën bij de familie van Riet in de Koestraat op bezoek. Eddy, de oudste, probeerde met zijn jeep rond winkelsluitingstijd op het kerkplein, van de “Heuvelse” kerk Sint Joseph in Tilburg, te staan en wachtte de meisjes die bij V & D werkten op. Hij probeerde er voor te zorgen dat op de achterbank enige dozen met gereedschap stond zodat er maar 1 zitplaats naast de bestuurder vrij was die hij speciaal voor z`n nieuwe vriendin tijdelijk van een plaid voorzag en bij terugkomst in de garage van Gerzon in de Tuinstraat weer netjes opborg om bij een volgende gelegenheid opnieuw te gebruiken. Eddy probeerde tijdens de korte taxiritjes van amper 2 km. even stil te staan om een afspraakje te maken voor een volgende ontmoeting in een van de achterpaden in de Koestraat. Een afspraak aan de voorzijde in de Koestraat of bij Gerzon in de Tuinstraat was ze niet goed bevallen. Ze werden dan door te veel mensen in de gaten gehouden om nog maar te zwijgen over het feit dat hun samenzijn per kerende post thuis in de Koestraat door een van Leny`s zussen gemeld werd. Het was een publiek geheim dat Leny van Riet op Eddy O`Malley verliefd was maar beiden realiseerden maar al te goed dat het niets kon worden omdat Eddy ruim 7 jaar getrouwd was en 3 kinderen had.

Mill Hiller Wim vertelde mejuffrouw Smits maatschappelijk werkster van Moederheil dat tijdens het familieberaad, zonder zijn zus er bij te betrekken er voor `t Ginneke en niet voor het in Goirle geopende huize De Bocht gekozen was. Het tehuis in Goirle was door het militair gezag speciaal voor de meisjes / vrouwen die van een kind van een geallieerde soldaat in verwachting waren. Maar een van Leny`s zussen, die onderwijzeres was, had van kinderen uit haar klas gehoord dat ze `s zondags bij hun oudste zus in “De Bocht” op bezoek waren geweest. Die kinderen kwamen uit een NSB gezin waar Duitse soldaten in en uit liepen, dus het laat zich raden welke nationaliteit de vader van de jonggeborene heeft, vertelden de leerkrachten glimlachend tegen elkaar. Nee De Bocht in Goirle was te dicht bij, want voor je het wist ging het verhaal de hele school rond dat juffrouw van Riet op bezoek ging naar en van haar zussen in De Bocht. Nu was de vader gelukkig geen Duitse soldaat, maar toch en dat in de tijd dat, Albert De Booy uit volle borst op de radio zong,

In mijn straatje woont een meisje
Luist’rend naar de naam van Trees
’n Echte Hollandse verschijning
Knap, en aardig in d’r vlees
Nooit moest zij iets van verkering
Vrijen vond ze ongezond
Maar direct na de bevrijding
Ging ’t gerucht van mond tot mond

refr.:
Trees heeft een Canadees
O, wat is dat kindje in d’r sas
Trees heeft een Canadees
Samen in de jeep en dan vol gas
Al vindt zij dat Engels lang niet mis is
Wil zij dolgraag weten wat een kiss is
Trees heeft een Canadees
O, wat is dat kindje in d’r sas

Sprak een Hollandse aanbidder
Haar van trouwen of zoiets
Kreeg hij dadelijk ten antwoord
“Niks ervan, ik koop een fiets!”
Nu is Treesje aan ’t studeren
Iedere middag neemt zij les
Want tot nu toe was haar Engels
Enkel maar: “Oké en yes!”

refr.:
Als ze maar een uniform ziet
Raakt ze hevig van de wijs
Vraag je haar: “Weet je wat ‘love’ is?”
Zegt ze smachtend: “Very nice!”
Och, hoe zal het gaan met Treesje
Als haar boy uit Canada
Binnenkort weer zal verdwijnen
Naar zijn ‘home’ in Ottawa

“Het Kanton” in Oosterhout schreef onder de kop “Ook onze meisjes moeten het weten!!”

“Een volkomen afwijzende houding tegenover den Duitschen soldaat was een allereerste verplichting van ieder Nederlandsch meisje; daarom is ook waardige houding geboden tegenover hen die als bevrijders tot ons zijn gekomen.

Onze meisjes moeten het weten, dat van haar houding in groote mate de toekomst van ons volk afhangt. Het is haar plicht onze bevrijders dankbaar te zijn, het is haar recht deze dankbaarheid te toonen maar dit mag NOOIT gaan ten koste van het eigen volk. Zij moeten weten dat zij de moeders zullen zijn van het komende Nederlandsch geslacht en dat geen blijvende liefde haar kan binden aan mannen die morgen misschien weer voor altijd zullen vertrekken!
Zij moeten het weten dat onze bevrijders mannen zijn, die elders in een ver land hun verloofde, vrouw, hun kinderen hebben; vrouwen die haar zwaar offer voor het vaderland met moed en liefde brengen, vrouwen voor wie niets te zwaar is bij de gedachte dat HIJ eens terug zal keren.
Zij moeten het weten dat deze mannen zoovele jaren verstoken van warme huiselijkheid en oprechte vrouwelijke genegenheid, dankbaar zullen zijn, ondanks zich zelf soms, hier reine en hoogstaande meisjes aan te treffen die hen niet bedwelmen met haar zinnelijke hartstocht maar die hen kan herinneren aan dat grote ideaal dat zij achterlieten gindsch in het verre vaderland……
Zij moeten het weten dat deze mannen elke dag gevaar loopen gedood te worden en dat zij elk ogenblijk bereid moeten zijn de eeuwigheid in te gaan.
Wie onzer meisjes zou de eeuwige ondergang van één onzer bevrijders op haar geweten willen hebben?
Zij moeten weten dat de oorlog een straf van God is voor de grote zonden van een verdwaasde een verzinnelijkte wereld. Iedere zonde tegen de heilige wetten van God bezwaart en verlengt de strijd die door zoo ontelbaar velen met volledige inzet van eigen leven gevoerd moet worden. Wie onzer meisjes zou de verantwoording op zich durven nemen deze strijd maar één ondeelbaar moment verlengd te hebben?
Wij zijn bevrijd, maar de oorlog gaat voort!
DAT MOETEN ZIJ WETEN …. ONZE MEISJES!!”

In Limburg werden de jongens en meisjes boven de 17 jaar opgeroepen voor een bijeenkomst tegen zedenverwildering en voor een positief principieele Katholieke levensbeschouwing. Verscheidene personen zullen de actueele problemen scherp belichten. Ook Vader Bisschop zal aanwezig zijn en opkomend Limburg toespreken. De meeting zal gesloten worden met een kort lof in de openlucht. Extra treinen en trams zullen loopen en de Zangvereeniging “Mignon” uit Heerlen zal haar medewerking verleenen.
DE GEESTELIJKE NOOD IN DEZE TIJD.
De katholieke Actie in het bisdom Roermond heeft een grootscheepsche actie op touw gezet tegen de algemeene zedenverwildering en voor de handhaving van de zedelijke volksmacht die ten grondslag moet liggen in iedere vorm van wederopbouw.

Het familieberaad van de familie van Riet bestond naast vader en moeder van Riet, uit priester en zoon Wim, dochters onderwijzeressen Thé en Ton, zonder dat de persoon waarover gesproken werd aanwezig was. De opdracht was te gaan zoeken naar een plaats voldoende ver weg. In ieder geval zo ver weg dat er geen gevaar bestond dat een het tehuis bezoekend kind van school kon zeggen; De zus van onze juf hebben wij ook gezien. Met andere woorden, zeker niet huize De Bocht in Goirle onder de rook van Tilburg op loopafstand van de ouderlijke woning. Huize De Bocht in Goirle lag amper 8 km vanaf het woonadres Koestraat 97 in Tilburg dus wat lag er meer voor de hand dan dat er voor Goirle gekozen zou worden. Wim, was als jonge priester recht in de leer en wilde niet meewerken om te onderzoeken het kind te zijner tijd in een gezin of ergens anders onder te brengen zoals in een kindertehuis voor wezen. Naar verluidt werd deze mogelijkheid in Goirle, tegen het kerkelijk gezag in door de zusters, als alternatief achter de hand gehouden. In de statuten Stichting De Bocht doorgangshuis stond duidelijk vermeld. Zij heeft tot doel,

1 Het verzorgen (respectievelijk het toezicht houden op de verzorging) van het buitenwettelijk geboren kind, zodanig dat de grondslag gelegd wordt voor zijn toekomstige Plaats in de geordende maatschappij.

2 Het onderzoek naar de aanstaande moeder en haar milieu vooral ten aanzien van de wenselijkheid om, zo enigszins mogelijk, de bevalling te doen geschieden in eigen of naasten familiekring en zo mogelijk het opvoeden van dien familiekring tot het gezamenlijk aanvaarden en dragen in Christelijke geest van de consequenties van de eenmaal gemaakte fout van de aanstaande ongehuwde moeder.

3 De opvoeding van aanstaande moeder tot het moederschap, hetzij in het doorgangshuis hetzij in eigen omgeving zowel voor als na de bevalling.

Moederheil in `t Ginneke achter Breda, gezien vanaf de Rijksweg, lag met zo`n kleine 30 km. op een relatief veilige afstand van Tilburg omdat de 1e keus de voor de hand liggende Huize De Bocht in Goirle was. Moederheil had de combinatie van vroedvrouwenschool en doorgangshuis voor ongehuwde moeders. Een bezoeker kwam in Breda, in tegenstelling tot de Bocht in Goirle, niet per definitie voor een ‘bevrijdingskind’ en het tehuis in de bisschopsstad Breda was recht in de Rooms Katholieke leer met haar uitgangspunten.

Mejuffrouw Smit maatschappelijk werkster van Moederheil tikte met 2 vingers rustig en foutloos op de robuuste 25 jaar oude Olympia schrijfmachine. Het merendeel van de vragen sloeg ze over en bleven daardoor onbeantwoord omdat ze ook later niet meer ingevuld zouden worden. Bij het invullen van deze inschrijvingsformulieren vond ze het spannend en een sport om te achterhalen waar en onder welke omstandigheden en wanneer het kind verwekt was. Een situatie die ze al weer jaren geleden in het Mastbos, bijna zelf had meegemaakt maar waaraan door een gluurder, die in de struiken op een dode tak trapte, plotseling een einde werd gemaakt. Maar aan een priester durfde ze deze vragen niet te stellen zoals ze aan haar beste vriendin nooit iets over dit voorval in het Mastbos had gezegd. Ze kon toch moeilijk aan de priester waarmee ze hetzelfde geboortejaar 1913 deelde, vragen of hij wist of het kind in huis, tuin, militair voertuig of achter de bosjes verwekt was. Zonder oogcontact met de priester te maken, tikte ze krachtig met 2 vingers nauwgezet verder,

Plaats van herkomst: Tilburg.

Ingeschreven te: Tilburg.

Beroep aldaar: Caissière V & D

Opgenomen door bemiddeling van: Father W. van Riet. (Heerbroer), Cenakel, Tilburg

Voor rekening van : Ouders

Financiële condities: Tussenklas, toegezegd opn. 22 october 1945 (7 maanden zwanger)

Nadere gegevens betreffende het meisje, omgeving, thuis enz. van de Meisjesbescherming e.a. Meisje is uit gezin van 12 kinderen, 6 kinderen zijn nog thuis. Zij is altijd een moeilijk kind geweest.

Verwekker: Ier. (Canadees?)
geb. d.d.
Naam: O`Malley geb. plaats
kerkgen. R.K.
beroep
nationaliteit

Huisarts: Parochie:

Informatie betreffende den verwekker: Meisje heeft 2 mnd. kennis met hem gehad.

Pastoor:

Werkgever:

Vaderschapsactie niet mogelijk:
niet gewenscht:

Wanneer heeft gemeenschap tusschen de moeder en den vermoedelijken vader plaats gehad:

Bekentenis van den vermoedelijken vader:

Verklaringen van getuigen:

Brieven:

Is er poging gedaan tot abortus Provocatus?

Zijn er voorbehoedmiddelen gebruikt?

Wilt u nog `n kopje koffie en of een sigaar vroeg mejuffrouw Smit het laatste formulier met carbon papier uit de schrijfmachine draaiend en blij dat ze besloten had het overige papierwerk achterwege te laten. Wel vertelde ze tussen neus en lippen door dat het in dit huis de gewoonte was om de meisjes en of jonge vrouwen die voor een opname in aanmerking kwamen bij inschrijving een schuilnaam te geven. Alléén deze schuilnaam zou tijdens het verblijf in Moederheil gebruikt worden. Het werd de toekomstige moeders en hun familie op het hart gedrukt deze schuilnaam te gebruiken. De nieuw ingeschrevene Leny kreeg Jeanne als schuilnaam. Dit was de naam op de lijst die vrij was en de juffrouw vond het niet nodig om de priester te vragen of hij wellicht voor zijn zus voor een andere schuilnaam zou willen kiezen. Zij hoopte daarnaast met deze Franse meisjesnaam een bijzonder mooie naam voor de zus van de priester op de tusschenklasse gevonden te hebben. Dat later boven de lijsten van de bloeddruk metingen in het dossier de naam Sjaan als naam voor Leny gebruikt wordt, kon zij niet helpen.

Priester Wim werd gevraagd om zo snel mogelijk bij thuiskomst in Tilburg een brief te schrijven met het verzoek tot opname in Moederheil. De maatschappelijk werkster vroeg of het mogelijk was vooral in de brief mee te nemen waar moeder en kind een week na de geboorte naar toe zouden gaan om plaats te maken voor een volgende ongehuwde toekomstige moeder met een soldatenvader, want moederoverste had beloofd dat plaatsing van moeders met “bevrijdingskinderen” voorrang zouden krijgen dit als antwoord op een vraag vanuit het militair gezag Breda. Mochten ze alsnog besluiten het kind af te staan dan vroeg ze dit in de brief te vermelden. Eerder had ze terloops gezegd dat het toch niet Gods bedoeling kon zijn het kind in een weeshuis te laten opgroeien. Maar van de priester had ze begrepen dat ze hem dat niet hoefde te vertellen en van de ouders van de ongehuwde moeder had ze dat ook begrepen. Ze wist niet dat deze 2 mensen in een soortgelijke situatie hadden gezeten toen ze ruim 35 jaar geleden en nog vóór de 1e wereldoorlog voor de geboorte van hun baby in Duitsland moesten onderduiken om op 23 augustus 1910 in een warm zolderkamertje met een klein dakraampje als luchtverfrissing en overdag een buitentemperatuur van ruim 30 graden Celsius de bevalling te laten plaats vinden. Van enige kraamhulp was nagenoeg geen sprake, buiten dat van het 7 maanden zwangere 17 jarige meisje dat op de zolderkamer naast hen gestationeerd was en die met natte handdoeken op het voorhoofd van de moeder enige verkoeling probeerde te brengen.

Opgelucht dat alles zo voorspoedig verlopen was, werd met een hartelijke handdruk afscheid genomen gevolgd door een zegenend gebaar. Father Wim van Riet op zijn fiets om van Breda naar Tilburg te fietsen en schreef in gedachte de brief zoals die bij thuiskomst met zijn nieuwe vulpen zou schrijven. Deze vulpen had hij gekregen bij zijn aantreden als rector van het retraitehuis in Tilburg en had daarmee bijna nog niet geschreven omdat hij meestal alles met potlood schreef. Hij had ontdekt door zo veel mogelijk met potlood te schrijven het gemakkelijk was teksten uit te gummen en te wijzigen. Maar voor deze bijzondere aangelegenheid vond hij het gepast de brief met de nieuw gekregen vulpen met vaste hand te schrijven hoewel het hier een privé aangelegenheid was waar hij voor ingehuurd was.

Tilburg 19 september 1945

Geachte bestuur,

Na overleg gepleegd te hebben met mijn ouders, deel ik U mede, dat we het zeer op prijs zouden stellen indien mijn zus, Helena van Riet, in October, of indien mogelijk nog eerder, in Uw Stichting opgenomen kan worden. Wij zagen ze dan graag in de zgn. Tusschenklas geplaatst. Bovendien zou ik gaarne enkele adressen van U vernemen, waar ik zou kunnen trachten het kind onder te brengen, indien het niet door U opgenomen kan worden.

Bij voorbaat mijn hartelijke dank.

Met de meeste hoogachting,
W. van Riet
Retraitehuis Cenakel
Tilburg

Nog dezelfde dag dat door de postbode de brief bij Stichting Moederheil Breda bezorgd was, werd vanuit het bestuur geantwoord.

Breda 21 september 1945.

Den Weleerw. Father W. van Riet,
Retraitehuis “Cenakel”
Tilburg

In antwoord op Uw schrijven dd. 19 Sept. jl. delen wij U mede, dat wij Uwe zuster kunnen opnemen in de tussenklas op 22 oktober a.s.

Wij zouden u willen verzoeken, thans reeds stappen te doen, om het kindje als het 3 mnd. oud is dus ongeveer Maart-April onder te brengen in Huize Rustoord te Oisterwijk.

Heerbroer Wim wachtte een fietstocht van bijna 70 km. naar Overasselt om zijn zus te vertellen wat er zonder overleg met maar voor haar geregeld was. Zus Leny verbleef, 6 maanden zwanger, in afzondering op de boerderij van oom en tante in Overasselt. Oom en tante hadden geen kinderen maar hun deur stond altijd open voor pensiongasten zoals neefjes, nichtjes en andere kinderen die hun vakantie bij hen in Overasselt doorbrachten. Ook hun 2 neven, Antoon en Jacques van Riet uit Tilburg, broers van Leny, die in hun vakantie als kleine mannekes vaak bij oom en tante op de boerderij logerend doorgebracht hadden, waren ook in de oorlogsjaren van harte welkom. Zij waren inmiddels, voor in de 20, jongvolwassenen en een prooi om door de Duitse bezetters als goedkope arbeidskrachten naar Duitsland gestuurd te worden. Tot zondag 17 september 1944 na de hoogmis zaten zij boven op de hooizolder ondergedoken. Die zondag vonden in Over- en Nederasselt een van de grootste luchtlandingsoperaties aller tijden plaats. In de weilanden ten noorden van beide kerkdorpen landde het 504e Parachutisten Infanterie Regiment.
Het regiment was onderdeel van de 82ste Luchtlandingsdivisie die op die dag tussen Eindhoven en Arnhem naar beneden kwam ten behoeve van Operation Market Garden. Deze operatie met de woorden Market Garden bestond uit twee onderdelen. Market voor de luchtlandingen en Garden voor het grondoffensief. Generaal James M. Gavin en zijn mannen hadden als taak de heuvels bij Groesbeek te veroveren en daarbij de bruggen over de Maas, de Waal en het Maas-Waalkanaal veilig te stellen. In de dagen na 17 september landden er vele Waco-gliders in en om Overasselt en Nederasselt en in de omgeving van Groesbeek, omdat er duizenden manschappen moesten worden voorzien van materieel en goederen. De opmars van de geallieerden is hier in deze omgeving zeker niet zonder slag of stoot voorbij gegaan. Wekenlang bevond dit gebied zich in de frontlinie. Toen eenmaal de Britse tanks van het 30e Legercorps de Maas over waren en door Nederasselt en Overasselt reden, wist menigeen dat de bevrijding van Nederland op komst was. Dat voor de mensen boven de rivieren eerst nog een lange Hongerwinter zou volgen, wist niemand.

Leny had het liefst eind december 1945 in Overasselt op de boerderij van oom en tante de bevalling afgewacht. Daarover had ze met de huisarts van oom en tante gesproken en die wilde wel op zoek gaan naar een kraamverpleegster. Het was voor hem een aardige bijverdienste in deze magere jaren en als extraatje was hem een deel van het te slachten vetgemeste varken beloofd. Leny zag er tegenop om naar de nonnen van Moederheil in Breda te gaan. In een moeilijk leesbaar stencil had ze o.a. gelezen,

tot het gezamenlijk aanvaarden en dragen in Christelijke geest van de consequenties van de eenmaal gemaakte fout van de aanstaande ongehuwde moeder.

Door haar hoofd bonkte alle mogelijke straffen c.q. consequenties die daarvoor denkbaar waren. Ze had wilde gedachten, zoals voor boetedoening op een zolderkamertje op water en brood biddend tot God in een lelijke tot ver over haar knieën hangende van jute gemaakte positiejurk, om vergiffenis te vragen. Broer Wim had haar voorgehouden dat voor de aanstaande moeders in Moederheil voornamelijk wassen, strijken, afwassen, schoonmaken, naaien, aardappels schillen en groentes schoonmaken op het dagprogramma stonden. Hij beloofde mejuffrouw Smit in een brief te schrijven dat zijn zus op 17 jarige leeftijd met goed gevolgd de naaicursus op de Mater Amabilisschool had afgerond en dat naai- en verstelwerk naast het werk als caissière bij V & D haar hobby was.

In Tilburg hadden vader en moeder van Riet het geen goed idee gevonden om in Overasselt de bevalling te laten plaats vinden. Het lag te veel voor de hand dat er geruchten zouden ontstaan dat de vader van het pasgeboren kindje een boerenzoon uit Overasselt zou zijn. Voor je het wist, kreeg een van de jongens Arts de rol van vader toe bedeeld. Jacques timmerman/aannemer had vriendschappelijke omgang met zus Thé en Harry de aankomend boekhouder met Leny die door sommige mensen uit Overasselt als “zware” verkering werd bestempeld. Daarbij was er het probleem dat de jonggeborene onmogelijk bij het kinderloze, op leeftijd zijnde, echtpaar op de boerderij in Overasselt kon opgroeien al was het maar voor korte tijd.

Het telegram uit Tilburg gebood er voor te zorgen maandag 22 oktober 1945 om 11.00 u. in `t Ginneke bij Moederheil Valkeniersstraat 5 te zijn. Omdat de Duitsers bij hun terugtocht op 17 september 1944 de middelste pijler van de spoorbrug bij Ravenstein opgeblazen hadden was er tot begin 1945 geen trienverkeer vanuit Nijmegen richting Breda over de Maas mogelijk geweest. Gelukkig hadden de Britten versneld met behulp van twee tijdelijke houten hulppijlers de brug hersteld en konden op 4 februari 1945 de treinen de brug weer berijden.

De stationsrestauratie van Nijmegen was tijdens het bombardement van Nijmegen van 22 februari 1944 getroffen en bij de gevechten van Operatie Market Garden in september 1944 was het weer raak. Van het stationsgebouw was op 22 februari 1944 bij het bombardement van Nijmegen alleen de stationsrestauratie getroffen. Maar van de binnenstad ook wel “de stad met de torens” genoemd stond geen gebouw meer overeind nadat door de Amerikanen bij vergissing een bommentapijt boven Nijmegen afgeworpen was omdat ze dachten boven de 1e stad in Duitsland te vliegen. Nijmegen veranderde die dag in één grote puinhoop en verloor een pracht aan huizen in de antieke binnenstad van de oudste stad van Nederland. In dit vergissingsbombardement kwamen 763 mannen, vrouwen en veel kinderen in Nijmegen om het leven. Op 26 februari trokken duizenden mensen in een rouwstoet naar het kerkhof aan de Graafseweg om de laatste eer aan hun omgekomen familieleden, buren, vrienden en de burgers te brengen. Daar waren de doden in massagraven bijgezet waaronder 24 kinderen en 8 nonnen van een kleuterschool.
Al met al, 22 october 1945 een troosteloze aanblik maar gelukkig behoorde treinverkeer weer tot de mogelijkheden. Vanuit Nijmegen gingen die dag rechtstreeks 3 treinen naar Breda. De 1e vertrok 6.46 u. aankomst Breda om 9.17 u., de 2e om 12.52 u. aankomst 15.33 u. en de laatste die maandag met een directe verbinding om 16.25 u. met aankomst om 18.53 u. Met de opdracht zich om 11.00 u. in `t Ginneke bij Moederheil te melden, bleef er geen andere keus over dan te zorgen om goed half zeven op het perron klaar te staan. Broer Wim kende kapelaan Bronckhorst van de Maria geboortekerk aan de Berg en Dalseweg uit de tijd dat hij in het sanatorium van Dekkerswald gelegen had. Op hoogtijdagen werd Wim vanuit Dekkerswald ingevlogen voor de mis met drie heren om als derde priester op het altaar te staan. Aan hem zou hij vragen of het mogelijk was dat broer en zus de nacht van zondag op maandag op de pastorie konden slapen. Hoe hij het allemaal precies uit ging leggen waarom ze `s morgens om kwart voor zeven met de trein weg moesten, daar zou hij nog wel over na denken. Maar wie weet zou de kapelaan geen vervelende vragen stellen en zouden de 2 priesters die zondagavond op de zolder van de pastorie kunnen doorbrengen met biljarten of een partijtje badminton zoals de laatste keer dat hij daar overnacht had. Ook toen was hij, september 1944, vanuit Overasselt naar Nijmegen gekomen en moest `s morgensvroeg naar Oosterbeek waar het missiehuis Vrijland van Mill Hill een korte tijd bevrijd was. Alleen werd hij gedwongen vanuit Elst met de trein weer naar Nijmegen rechtsomkeer te maken omdat de Duitse bezetting vanuit Arnhem een tegenoffensief begonnen was.

Ruim een jaar later, maandag 22 oktober 1945 waren de rails vrij van puin en de breedte van het looppad was hier en daar 1,50 m. voldoende breed om het treinverkeer ongestoord doorgang te verlenen. Al met al een troosteloos aanzien `s morgens om halfzeven op het perron waar door de ochtendmist slechts een klein wereldje overgebleven was. In een witte stoomwolk reed de locomotief sissend en remmend het station binnen met op het perron een handjevol mensen waaronder Leny die met haar koffertje zonder op te kijken voorzichtig aansloot. Door de conducteur geholpen, stapte ze in de trein en dook stil in een hoekje weg. Langs de trein liep een andere conducteur die met een harde klap de treindeuren met hun glimmend zojuist gepoetst koperen beslag dicht gooide. Voordat hij de laatste deur dichtgooide, wenkte hij de Nijmeegse perronopzichter dat het vertreksein gegeven kon worden en stapte hij handenwrijvend het gangpad in met een knipoog naar Leny die beleefd maar verlegen met een nauwelijks zichtbaar knikje de knipoog beantwoordde. Met veel lawaai en stoom zette de locomotief zich voorzichtig in beweging om langs vele stationnetjes naar, voor Leny, als eindbestemming Breda te gaan.
In Oss stapte een jonge boer de trein in die op weg naar de Bossche veemarkt tegenover Leny ging zitten, met in de binnenzak van zijn colbert een dik gevulde geldbuidel waarvan de ronding op zijn borst te zien was. Hij keek glimlachend oogcontact zoekend de coupe rond en vertelde luid zijn verhaal, alsof iedereen in zijn verhaal geïnteresseerd zou zijn. Hij doceerde dat je nu jongvee moest kopen omdat kort voor de winter de dieren op stal moesten en de prijzen gunstig waren. Of hij zijn verhaal tegen een bepaald persoon afstak was niet duidelijk maar hij vervolgde vol trots in 1931 op 14 jarige leeftijd met zijn opa direct na de opening van de veemarkt er voor de eerste keer geweest te zijn. Hij vertelde vorig jaar vlak voor de bevrijding van Den Bosch bij het opblazen van de werkplaatsen in de veemarkthallen getuige geweest te zijn. Leny had snel uitgerekend dat hij 3 à 4 jaar ouder, nog geen dertig, moest zijn en nu al zo grijs dacht ze. Opgeschrikt hoorde ze de conducteur met een “goedemorgen jongedame” naar haar kaartje vragen en ze ging hiernaar op zoek. Waar had ze het kaartje enkele reis Nijmegen – Breda van fl. 4,00 opgeborgen. Ze zocht in haar portemonnee maar het bleek los in haar winderjas te zitten omdat ze het na ontvangst van de NS lokettiste direct weggestopt had zodat niemand kon lezen dat ze naar Breda moest wat voor haar gevoel gelijk stond als enkele reis naar de gevangenis. Vóór 1 november had ze nog nooit een winterjas aan gemogen maar vanwege haar positie was het toegestaan om hem nu te dragen. Op deze fris-warme 22e october met 17 graden Celsius vond ze het te warm voor de winterjas maar daar werd niet naar gevraagd. Haar moeder had het niet nodig gevonden dat er twee jassen eerst mee naar Overasselt en daarna naar Breda zouden gaan. Voor je het wist zou er een kwijt raken en denk er om, het geld groeit me niet op mijn rug was een gevleugelde uitspraak van haar moeder.
Zonder de conducteur aan te kijken gaf ze hem haar treinkaartje, die het omdraaide en luid riep, “Zo mevrouwtje en wij gaan niet naar Den Bosch maar naar Breda het Haagje van het Zuiden dat is een mooiere stad.” Het ontbrak er nog aan dat hij vroeg wat ze er moest gaan doen. Gelukkig knipte hij het kaartje snel en ging weer verder. Tegen de jonge boer zei hij, “Zo Fons en we gaan weer naar de “Bossche Mert” zie ik. Naar buiten kijkend zag Leny dat de mist bijna weg was en de zon voorzichtig te voorschijn kwam. De trein zou even voor achten in Oss aankomen en er goed 10 minuten stil staan met voldoende tijd om even haar benen te strekken en de ½ liter melk op te drinken die haar tante in de koffer meegegeven had. Met een geplande aankomsttijd van kwart over negen in Breda zat ze in den Bosch ongeveer op de helft van haar ongeveer 2 ½ uur durende treinreis.

Breda werd bijna een jaar eerder op 29 oktober 1944 door Polen bevrijd. In de omgeving en op het Stationsemplacement waren er in de weken voor de bevrijding enige bombardementen geweest. De enige stadsbuslijn richting `t Ginneken Markt en Princenhage Markt was in takt.
Broer Wim had met mejuffrouw Smit afgesproken dat een van de zusters van Moederheil in de stationsrestauratie Leny zou opwachten en dat ze gezamenlijk met de bus naar Ginneken Markt zouden gaan en het laatste stukje naar “Valkenhorst” te voet.

Zuster Aldegonde zat naast de deur in de 2e klas wachtkamer en wenkte in een draaiende beweging naar twee mensen. Naar de ober om een kopje koffie af te rekenen en haar bezoek uit de trein om naast haar te gaan staan. Zonder haar bezoek een hand ter verwelkoming te geven gleed de rechterhand in haar pij en haalde wat klein geld tevoorschijn waarmee ze haar consumptie betaalde. “Dus jij bent Leny uit Tilburg” zei de non neerbuigend terwijl ze het wisselgeld wat ze van de ober gekregen had aan de zijkant van haar pij liet verdwijnen. “Zet je koffertje straks in de bus maar naast je op de bank, want er is in de bus plaats genoeg, de schooljeugd komt pas na 16.00 u. terug naar `t Ginneke.” gebood de non. Ze ging in een adem verder met; “Je verwacht de baby gelukkig half december nog vóór Kerst zodat het geen Kerstkind wordt,” Goed voorbereid was zr. Aldegonde, dat had ze in een paar zinnen duidelijk laten horen maar waarom het gelukkig geen Kerstkind zou worden was Lena niet duidelijk. De huisarts had om en nabij 20 december uitgerekend en dat vond Lena wel een probleem want op die dag was ze jarig en ze hoopte vurig niet op haar verjaardag te bevallen. Waarom ze dat hoopte, wist ze niet maar het voelde niet goed een kind op haar verjaardag te moeten krijgen. Het was allemaal zo onwezenlijk en ze moest er helemaal niet aan denken straks als ongehuwde moeder door het leven te moeten want “vriend” Eddy, Edward volgens de papieren was afgereisd zonder iets van zich te laten horen. Ze wist niet of hij Nederland al verlaten had. Doordat de spanningen haar te veel werden had haar huisarts na instemming van Heerbroer Wim met de bedrijfsarts van V. & D. Tilburg contact opgenomen. Hij tastte af of er problemen zouden ontstaan als Leny zich ziek zou melden om haar met een vervroegd zwangerschapsverlof te laten gaan omdat er anders nog meer groeiproblemen voor de baby te verwachten waren. Leny kon de druk niet aan en met haar gewicht ging het ook niet goed. Ze kwam bijna niet meer aan. Door haar functie achter de kassa voelde ze zich de hele dag bekeken, zeker op die momenten dat meisjes van school uit haar klas zonder iets te kopen de winkel in en uit liepen tijdens de middagpauze.

Van de katholieke V & D was bekend dat zij via haar internaten probeerde mee te werken om jonggehuwden door te laten werken. Hierbij was het een ongeschreven wet om dagelijks om 7.30 u. in de Heuvelse of Sint-Josephkerk op het Heuvelplein tegenover V & D naar de H. Mis te gaan. V & D had als katholiek bedrijf een goede naam onder katholieke families en goede relaties met de katholieke geestelijkheid en had hoofdzakelijk katholieke medewerkers in dienst. Indien mogelijk was het bedrijf graag bereid mee te werken om iedere geboorte zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen. Een dame van personeelszaken ging stipt iedere woensdagmorgen om 11.00 u. haar rondje doen. Soms bezocht ze met een air, alsof ze de koningin in hoogsteigen persoon was, een winkeljuffrouw waarvan haar directe collega`s nog niet wisten dat ze in verwachting was. Als ze dat merkte, stapte ze van haar troon wat deed alles om te voorkomen dat de verhoudingen tussen de personeelsleden onnodig onder dit voorval verstoord werden.

Moederheil Breda had bij de komst van Leny 31 aanstaande ongehuwde moeders uit de directe omgeving opgenomen. De aanmeldingen voor het jaar 1946 stroomden binnen. Het zag er naar uit dat dit aantal in het voorjaar ruimschoots boven de 100 zou liggen waarmee de beddencapaciteit binnen korte tijd onvoldoende dreigde te worden. De bisschop van Breda liet s `zondags door de pastoors bij hun parochianen vragen of zij nog een bed met lakens, een kussen en dekens konden missen.

Voor de vele patiënten, want zo stonden de aanstaande moeders in de administratie vermeld, vormde de financiën meestal een groot probleem. Gelukkig was het door hulp van heerbroer Wim mogelijk geweest om in een enveloppe een voorschot van fl. 100,00 mee te nemen. Omgerekend naar de huidige euro`s praat je dan toch gauw over ruim 600,00 euro. Van haar spaarbankboekje had Leny vergezeld door haar moeder fl. 100,00 opgenomen en in een enveloppe van de Rijkspostspaarbank aan broer Wim gegeven die er voor zou zorgen dat hij dit geld zo spoedig mogelijk bij de rector van Moederheil bezorgd zou worden. Dit voorschot was onvoldoende om tot eind 1945 de kosten voor Jeanne van fl. 1,50 per dag te betalen. Met haar rekenervaring als caissière had ze snel uit gerekend dat voor 22 oktober 9 dagen, en voor november 30 en december 31 dagen van dit voorschot betaald moesten worden. Met een totaal van precies 70 dagen à fl. 1,50 tot het eind van het jaar moest er nog fl. 5,00 bijgelegd worden buiten de kosten voor de baby. Zuster Gotharda die als verloskundige de bevalling zou verzorgen had bij de 1e ontmoeting er fijntjes op gewezen dat voor de installatie fl. 20,00 en voor de bevalling fl. 15,00 betaald moest worden. Gelukkig had Lena`s vader een formulier ondertekend dat hij als “ouder” voor de betaling zou zorgen. Hij had Leny op het hart gedrukt er op te staan dat ze alle kosten, ook voor het kindje, zelf zou moeten betalen. Gelukkig had Leny bij V & D en thuis voor haar uitzet kunnen sparen maar ze besefte ook dat van haar spaargeld straks niets meer over zou zijn. De geplande kosten tot en met 31 december 1945 bedroegen met bevallingskosten fl. 369 (ruim 2.000,00 euro) Broer Wim, Father van Riet zoals in de administratie vermeld, had contact met het R.K. kinderhuis Rustoord in Oisterwijk gezocht om over de verpleegprijs van het kindje te praten en was met fl. 30,00 in de maand thuis gekomen. Sociale verzorgster mejuffrouw Smit van Moederheil schreef. Later is de moeder van Leny in Oisterwijk geweest en toen verklaarden de zusters, dat het fl. 1,25 per dag moest zijn. Per dag fl. 1,00 maar daarbij kwam nog fl. 0,25 per dag voor kleertjes. Ik heb haar toen aangeraden nogmaals naar Huize Rustoord te Oisterwijk te gaan om daar klaar te komen voor fl. 1,00 per dag. De moeder zou daarna een berichtje geven aan Moederheil. En dan niet te vergeten dat bij het verlaten van Moederheil opnieuw betaald moest worden. Over financiën maakte Leny zich geen zorgen zolang alles van spaarcenten en een lening bij V & D betaald kon worden, vond ze alles goed.

Bij de laatste keuring was ze 1½ kilo aangekomen, woog nu 63 ½ kilo en Lena werd er op voorbereid dat het nu niet meer lang zou duren. Na een vooravond en een nacht voorweeën met een harde buik en niet geslapen te hebben begonnen vrijdag 20 december om 6.00 u. de echte weeën. Zuster Gotharda die op weg naar de kapel even de slaapzaal op liep, gebood de aanstaande moeder naar de verloskamer ondanks het feit dat er amper 4 cm. ontsluiting was. Voor de zuster was op de verloskamer werken een feest. Dat straalde ze ook uit met haar slagerskleding aan. Ruim zes uur later kon ze op de kaart schrijven dat om 12.10 u. de aard der verlossing spontaan zonder navelstrengomstrengeling en Fluxus verlopen was. Als lichaamsgewicht, voor de kleine Wimmie, werd 7½ pond genoteerd. Mejuffrouw Smit had met Heerbroer Wim afgesproken dat zij hem in het retraitehuis zou bellen als het kindje geboren was en Heerbroer Wim zou op zijn beurt zijn ouders en verdere familieleden op de hoogte stellen. Zo gemakkelijk kwam ze er niet vaak vanaf, namelijk dat met 1telefoontje alles geregeld was. Ooit had ze het versturen van geboortekaartjes op zich genomen maar dat was zo slecht bevallen dat ze gezegd had zich hier niet meer voor te zullen lenen. Eens had ze op aangeven van de jonge moeder de vader ook een geboortekaartje in een enveloppe gestuurd, dat door de moeder van de jongeman geopend werd. Nu was de vader al weer bijna vergeten dat hij vader ging worden maar toen zijn moeder om uitleg vroeg waren de rapen gaar. Mejuffrouw Smit werd verweten in een complot te zitten met het oogmerk haar zoon een “vaderschap” in de schoenen te schuiven. Ze besloot alleen naar de toekomstige vader een geboortekaartje te sturen als hij haar daar om zou vragen na instemming van de moeder. Met het verzorgen van de aangifte van de geboorte op het gemeentehuis, vond ze voldoende geregeld te hebben. Door de ambtenaren van de Burgerlijkenstand werd ze altijd met veel eerbied ontvangen en er werd haar door de heren ambtenaren nooit meer gevraagd dan wat strikt noodzakelijk was en in het bevolkingsregister genoteerd moest worden.

De doop zou, door de zusters geregeld, nog diezelfde dag door de rector van Moederheil, zonder dat de peter en meter erbij waren plaatsvinden. Als Peter en Meter waren de vader en moeder van Leny of te wel de opa en oma van Wimmie uitverkozen. Mejuffrouw Smits had toegezegd na de doop de procedure te starten zodat de Peter en Meter tevens als voogd benoemd zouden worden. In de functie van sociaal verzorgster was ze voor verschillende kinderen als voogd benoemd. Omdat onder andere de afstand Tilburg – Breda niet een twee drie te overbruggen was, werd binnen het familieberaad besloten dat het voogdijschap naar vader en moeder Van Riet zou gaan. De ouders van Leny stonden garant voor de financiën, dus wat lag er meer voor de hand dat zij ook het voogdijschap op zich zouden nemen .

Zuster Gotharda droeg, direct gevolgd door mejuffrouw Smit, het kind naar de doopvont. Voor doopnamen was de keus niet moeilijk omdat het kindje naar zijn opa of/en oma vernaamd zou worden. Bij een meisje werd het Wilhelmina, Antonia, Maria en een jongen zouden de doopnamen Wilhelmus, Antonius, Maria zijn met respectievelijk Wilma of Wim als roepnaam. De peter en meter kozen aanvankelijk voor roepnamen Mina en Helm maar dat vond dochter Thé, als reserve-meter, geen goed idee. Er waren binnen de familie genoeg kinderen met de doopnamen Wilhelmus, Wilhelmina of Antonius en Antonia. Waarom zou zij als reserve meter/voogd met Theodorus of Theodora niet vernaamd mogen worden met Dorus of Dora als roepnaam. Zelf was ze niet gelukkig met haar roepnaam Thé omdat ze Dora een veel leukere naam vond. Met de ambtenaar burgerlijke stand in Breda had verzorgster mejuffrouw Smit afgesproken dat bij een geboorte op vrijdag na 12.00 u. zij er voor zou zorgen dat ze na het weekend de aangifte zou verzorgen. Omdat ze maandag in `s Hertogen Bosch naar de begrafenis van haar peetoom moest, vroeg ze of kraamverpleegster Anna, die bij de bevalling geweest was, maandag de geboorteaangifte wilde verzorgen. Op de persoonskaart staat daarom vermeld;

Maandag 24 december 1945 aangifte geboorte om 12.10 u. door in Breda wonende 34 jarige kraamverpleegster Johanna, Jacoba, Maria Vermeulen. Kraamverpleegster verklaart dat in hare tegenwoordigheid in Breda Valkenierslaan 5 is geboren een kind van het mannelijk geslacht uit van Riet, Helena Henrica Petronella, caissière, wonende te Tilburg aan welk worden gegeven de voornamen Wilhelmus Antonius Maria. Waarvan akte, welke is voorgelezen en ondertekend door kraamverpleegster J.J.M. Vermeulen en ambtenaar burgerlijken stand G. Govaerts .

Juffrouw Smit vertelde dat Heerbroer Wim gebeld had en dat hij met vader en moeder zondag ná het lof van 15.00 u. naar Moederheil zou komen. Met de bus van 16.30 u. zouden ze er dan om 17.00 u. zijn om het kindje even te zien. Leny was te moe om te bevatten wat de sociaal verzorgster allemaal vertelde. Om te voorkomen dat er een hechting tussen jonggeborene en moeder zou ontstaan, mocht de jonge moeder haar baby niet zien en zeker niet de borst geven, want het kindje kon altijd nog afgestaan moeten worden. Wel moest ze moedermelk kolven die direct in een fles naar de kelder van Moederheil gebracht werd. Zuster Gotharda dacht dat er genoeg melk was zodat een ander arm kindje zonder moedermelk er ook wel van kon krijgen. Want hoe dan ook de zuster vond moedermelk de beste voeding voor de baby’tjes. Zij riep de verloskundigen in de buurt op om moedermelk die over was zo snel mogelijk bij haar in te leveren.

Deze moedermelk was goed voor de kleine kindjes en het spaarde kosten van voeding uit en dat was mooi meegenomen. Mejuffrouw Smit vroeg priester Wim of hij al iets meer wist van Rustoord het kindertehuis in Oisterwijk. De kosten waren voor beiden t/m 31 maart 1945 fl. 369,69 omgerekend naar prijspeil euro`s 2015 bijna 2.000,00 euro maar omdat in het kindertehuis Rustoord kinkhoest heerste moest Wimmie, waarmee ook de verpleegsters de baby aanspraken, nog ruim een week tot 8 april in Breda blijven. Er volgde nog een rekening voor 8 dagen à fl. 1,00 en bijdrage kosten taxi van fl. 12,00 met een totaal van fl. 20,00. Deze rekening zou een jaar onbetaald blijven.

In Overasselt vroeg Harrie Arts aan de oudste zus Thé van Leny van Riet, in de Kerstvakantie van 1945 op bezoek bij oom en tante in Overasselt, of zij een brief voor Leny mee wilde nemen. Thé zei dat “ons Leen” ziek was en een reactie wel lang kon uitblijven. Een leugentje om bestwil want ze kon toch moeilijk zeggen dat haar zus in Moederheil Breda was met een zoontje van nog geen twee weken. Nee, dat moest ze zelf maar zeggen als ze volgend jaar misschien met de Overasseltse kermis Harrie zou treffen. Vóór de oorlog hadden Thé en haar 10 jaar jongere goed 15 jarig broertje Toon op één dag 2 keer ruim 60 km. heen en terug gefietst om een paar uur op de kermis in Overasselt en vóór het donker weer thuis in Tilburg te zijn. Want dat was de voorwaarde die vader Helm aan zijn toestemming voor de fietstocht verbond. Hierbij had hij een ruime marche voor het begrip donker ingebouwd en gebood dat bezoekers van de Overasseltse kermis in het laatste zondag van juni om uiterlijk 7.00 uur in Grave bij zus Riet te zijn. In korte tijd moest vanuit Tilburg naast een bezoek aan oom en tante, kermis Overasselt terug naar Grave gefietst worden voor een bezoek aan zus Riet en zwager Marinus met hun zoontjes Jan, Wim en Toon in Grave. Per brief had Thé zus en zwager gevraagd te mogen overnachten om nadat ze uitgespeeld waren met de zoontjes van Riet maandag direct na het middageten weer terug op de fiets naar Tilburg te fietsen wat niet zonder hindernissen verliep over een opgeruimd maar nog niet volledig hersteld fietspad. Om de intocht van de geallieerden op te houden hadden de Duitsers vele eikenbomen langs de Rijksweg opgeblazen die kris en kras over de Rijksweg lagen. De bevrijders hadden het wegdek zo goed en zo kwaad als het ging gerepareerd maar reparatie van het fietspad had geen prioriteit.de Oom en tante in Overasselt informeerden bij aankomst hoe het met hun nicht en zoontje Wim was. Ze boden aan om nicht en baby naar Overasselt op de boerderij te laten komen om aan te sterken daarmee tegelijkertijd vele guldens te besparen. In een brief had Leny’s moeder laten doorschemeren dat ze veel geld aan Moederheil en straks aan het kindertehuis Rustoord in Oisterwijk moesten betalen maar om hoeveel het ging, schreef ze er niet bij. Ze durfde haar zus en zwager niet om een financiële bijdrage te vragen, want zus en zwager hadden zonder vergoeding op de boerderij 2 zoons onderdak geboden om te voorkomen dat ze gedwongen ingeschakeld werden om voor de Duitse oorlogseconomie in Duitsland te gaan werken. De broers Jacques en Toon hadden het in hun onderduiktijd goed naar hun zin gehad en daar hadden oom en tante ook nooit iets voor willen hebben. Leny zou net als haar broers ook melken kunnen leren. Dat moest wel iets bijzonders zijn, want de 2 broers vertelden dat vol trots aan iedereen die het horen wilde. Toen Harrie hoorde dat “de van Riets” graag koeien molken, bood hij aan Leny dat ook te leren, maar dat moest dan wel in het weekend want door de week moest hij iedere dag op zijn fietsje van Overasselt naar het kantoor in Nijmegen fietsen. In zijn brief begon Harrie daarover maar schreef ook vol trots m.i.v. 15 januari 1946 niet meer bij de Duitse Paraplu- fabrieken van Dickmann te werken. Harrie mocht dan wel door zijn werk bij Dickmann van te werkstelling in Duitsland vrijgesteld te zijn maar goed voelde het niet. De gemeentesecretaris van Overasselt had in januari 1945 op verzoek van Dickmann per kerende post een pas verstrekt voor het passeren “der brug Maaswaalkanaal” die tevens geldig was voor de avondklok. Harrie vond het destijds moeilijk te antwoorden als hem door mensen van de R.K. handboogschuttersvereniging Overasselt gevraagd werd wat zij moesten doen om ook zo`n pasje en vrijstelling van de avondklok te krijgen. Gelukkig was die tijd voorbij en hoopte dat hij niet tot Overasseltse kermis moest wachten voordat hij Leny weer zou zien en haar over zijn nieuwe werkkring en kosthuis in Wijchen kon vertellen. Over zijn nieuwe werkgever zou hij brieven vol kunnen schrijven of wat hij liever deed, typen op de robuuste schrijfmachine waar hij met forse slagen op de toetsen hamerde. Natuurlijk zou hij hier ook carbonpapier gebruiken, want van alles wat hij typte bewaarde hij een doorslag zelfs berichtjes aan arbeiders in de fabriek om hen er op te wijzen dat de formulieren voor aanvraag van de kinderbijslag op tijd getekend ingeleverd moesten worden ook al waren ze analfabeet, ze moesten altijd minstens een kruisje onder het aanvraagformulier plaatsen. Zo pronkte hij met de aanstelling bij zijn nieuwe werkgever en liet de benoemingsbrief duidelijk zichtbaar, tot ergernis van zijn leidinggevenden, tot zaterdag 12.00 u. op zijn bureau liggen. Als hij zaterdag om 12.00 u. het kantoor bij Dickmann verliet moest zijn bureau leeg en de kasten afgesloten zijn. Maandag legde hij als eerste de benoemingsbrief op nagenoeg dezelfde plaats linksboven naast de perforator op het bureaublad met daarnaast een folder over zijn nieuwe werkgever met de tekst, “De toenmalige hoofdonderwijzer Gommert Mes legde in 1909 de basis van het huidige bedrijf.”

Advies- Communicatie Wim Arts
Citroenberg 35
4707DA Roosendaal
Tel. 0165536667 / 06 38153098
wim@acwa.nl