Zonder oorlog, toch oorlog

Zonder oorlog,

toch oorlog !

Een verhaal over een ruim dertigjarig ambtenaarschap dat voortijdig beëindigd werd door een onnozel arbeidsconflict met de gemeente Roosendaal.

Wim Arts

Eerste druk: september 2001

Uitgeverij : ACWA Roosendaal
k. v. k. H 20099999
isbn 90-806477-1-3
www.acwa.nl

Dit boek draag ik aan mr. Theo Velo op voor zijn steun en vriendschap bij het
het oplossen van een arbeidsconflict. ‘Merci bien, monsieur Velo.’
Daarnaast wil ik een ieder danken die met zijn support en ideeën bijgedragen heeft aan de totstandkoming van dit boek.

Roosendaal, september 2001
Wim Arts

Zonder oorlog, toch oorlog !

1. Tekenaar 2e klas. 1
2. Opzichter 1e klas. 9
3. Projectopzichter 17
4. ‘Medewerker Begraafplaatsen’. 23
5. Rouwverwerkend ambteloos burger 50
6. Voor zijn ‘recht’ strijdende ambtenaar. 69
7. Boeksluiting 113

1. Tekenaar 2e klas.

In 1945 in Breda geboren en opgegroeid binnen een katholiek gezin met drie zussen en drie broers in de directe omgeving van het kasteel in Wijchen – een plaats gelegen onder de rook van Nijmegen – mag van een prettige kindertijd gesproken worden. In een dorp, zoals door Wim Sonneveld bezongen in zijn lied ‘het dorp’, waar mijn vader boekhouder was bij een schoolmeubelfabriek en in het maatschappelijk leven verschillende bestuursfuncties vervulde en tot op de dag van vandaag – 82 jaar – erelid van de plaatselijke voetbalvereniging is. Na het doorlopen van twee jaar m.u.l.o. en l.t.s. timmeren belandde ik op de u.t.s. te Nijmegen. Aanvankelijk was de bedoeling om na m.u.l.o. en kweekschool onderwijzer te worden. Veertig jaar later zou een psycholoog in de sterkte/zwakte analyse het prozaïsch omschrijven: ‘Door adolescentieproblematiek heeft hij gedoubleerd op de m.u.l.o. en is vervolgens naar de l.t.s. gestuurd.’ Aansluitend op deze periode – tussen man en daos (Brabants voor adolescent) – met een diploma u.t.s.–bouwkunde op zak startte in juni 1967 mijn loopbaan in het dorp waar ik opgegroeid was. Als jongste bediende op het kantoortje van een timmerfabriek verrichtte ik eenvoudig technisch-administratief werk zoals het invullen van bestellijsten, urenadministratie en het verzorgen van telefoonverkeer. Een overheidsbaantje zou betere en vastere vooruitzichten bieden en er was voor mij geen reden om hieraan te twijfelen. Vanwege een mogelijke ‘marktuitbreiding’ vond bij de schoolmeubelfabriek een fusie met een andere schoolmeubelfabriek plaats en kwam na de reorganisatie mijn vader buiten de boot te vallen. Hoewel hij bij een houthandel – eveneens als boekhouder – intussen ander werk gevonden had, is hij nooit meer helemaal de ‘oude’ geworden. De gedwongen overgang – na een twintigjarig dienstverband – had hem geen goed gedaan. ‘Bij de overheid zou dit nooit gebeurd zijn !’ Maar daar was op dat moment weinig emplooi voor mensen uit de bouw. ‘In de sector weg- en waterbouw lagen meer kansen.’ Grote delen van Nederland moesten nog van riolering en verharde buitenwegen voorzien worden. De woningnood vroeg om het uit de grond stampen van uitbreidingsplannen en het Rijkswegennet moest uitgebreid worden. Bij de wederopbouw na de eerste grote bestedingsbeperking van na de oorlog bevonden we ons in de nieuwe periode van uitbreiding. Via de P.B.N.A. startte ik een oriëntatie op het nieuw beoogde werkterrein. Korte tijd na aanvang van de studie voor weg- en waterbouwkundig opzichter volgde een benoeming tot weg- en waterbouwkundig tekenaar bij Rijkswaterstaat in Breda. Aan mijn levensperiode van 18 jaar in het land van Maas en Waal kwam – september 1967 – een einde en ik was daarmee weer terug in Brabant, in Breda, waar mijn wieg had gestaan. Ik had nog weinig kaas gegeten van het nieuwe vakgebied en voelde me ‘een vreemde eend in de bijt’ en dus begon na enige maanden het zoeken naar weer een andere werkkring. Een kleine gemeente met méér op de praktijk gericht uitvoerend werk kreeg mijn voorkeur. De mbo.-opleiding zou hier wellicht beter tot zijn recht komen dan bij een grote organisatie – zoals de Rijkswaterstaat – met veel en meest hoger opgeleide ambtenaren. Daarnaast hadden de kleinere gemeenten voor hun nieuwe werknemers woonruimte in de aanbieding. In hun personeelsadvertenties stond meestal de zinsnede, ‘voor het verkrijgen van woonruimte zal zonodig medewerking worden verleend.’ Met trouwplannen in het vooruitzicht was dit een leuke bijkomstigheid.

Binnen een half jaar lukte het om bij de gemeente Zundert in de functie van weg- en waterbouwkundig opzichter te beginnen. Aan het geboortedorp van Vincent van Gogh met, het buitenverblijf de ‘Angorahoeve’ van het echtpaar, beeldende kunstenaar Richard en dichteres Henriëtte Roland Holst op de ‘Buissche Heide’, het Trappistenklooster met de broer van Godfried Bomans, de beschermde natuurgebieden en haar jaarlijks terugkerend bloemencorso was ik binnen korte tijd verknocht. Bij Zundert hoorde het kerkdorp Achtmaal waarbij je alles óp deed. Óp Achtmaal moest een nieuw riool gelegd, een trottoir herstraat, een verkeersbord of nieuwe lichtmast geplaatst worden. Dit óp fascineert me nog steeds. Zoals sommige mensen niet met wintersport gaan maar óp wintersport, ze in Roosendaal óp voetbal zitten en mijn broers in Wijchen ònder voetbal. Het is moeilijk uit te leggen waarom. Misschien omdat mijn interesse nu eenmaal vaker uitgaat naar het feit wáárom iets is, dan het gegeven dat iets zo is. Maar dit terzijde. De gedachte dat een mbo.-opleiding in een relatief kleine gemeente meer voorstelde dan bij de Rijkswaterstaat klopte. In Zundert was je direct ‘mijnheer de opzichter’. Al was het nog heel onschuldig, hier kwam ook voor het eerst het fenomeen steekpenningen om de hoek kijken. Over de kleur en kwaliteit van de geleverde straatstenen onstond verschil van mening. Na enig heen en weer gepraat, tussenkomst van mijn directe chef en de directeur gemeentewerken kwam dé oplossing. De directie van de fabriek stelde een verklaring op schrift waarin zij garant stond voor de kwaliteit van alle geleverde straatstenen. Van het kleurverschil – door de leverancier werd ik gecomplimenteerd voor mijn bijzonder goede gezichtsvermogen – zou korte tijd na openstelling van de rijweg niets meer te zien zijn. Op directeursniveau werd een en ander geregeld. Na afloop kregen alle ‘betrokkenen’ door de leverancier van de straatstenen – voor de ‘prettige’ samenwerking – een fles Franse cognac aangeboden Mijn directeur verzekerde dat dit nog nét door de beugel kon. Tegelijkertijd waarschuwde hij om scherp voor ogen te houden wat toelaatbaar was. In het begin van zijn carrière had zich bij een andere nóg kleinere gemeente in Limburg ook zoiets voorgedaan. Tijdens een gesprek tussen de directeur gemeentewerken, de burgemeester en de directeur van een fabriek voor rioolbuizen werd aan het eind van het gesprek gevraagd of ‘de heren’ als geste één doos sigaren mocht worden aangeboden. Hiermee werd ingestemd. Bij thuiskomst bleek onder in de doos een briefje van honderd gulden te zitten. “Je mag ervan verzekerd zijn dat ik het er erg moeilijk mee had. In midden-vijftiger jaren was f. 100 een heel kapitaal. Na een nacht hiervan wakker gelegen te hebben, besloot ik de volgende dag naar de burgemeester te gaan. Zich niet op zijn gemak voelend, nam deze de doos sigaren over en zei met de directeur van de betreffende fabriek contact op te zullen nemen. Ik heb er nooit meer iets over gehoord,” aldus besloot hij zijn anekdote. Hiermee aangevend hoe voorzichtig je in voorkomende gevallen moet zijn. Over soortgelijke zaken zou ik een apart boek kunnen schrijven. (Voor dit boek heb ik echter het carrièreverloop als leidraad gekozen.)

Vanwege heimwee besloten we na twee jaar naar Roosendaal te gaan verhuizen, maar ik wilde in Zundert blijven werken. Hierdoor ontstond een groot ‘ambtelijk’ probleem. In het ambtenarenreglement stond opgenomen dat alle ambtenaren werkzaam bij de gemeente Zundert in de gemeente woonachtig moesten zijn. Voor ‘administratieve’ ambtenaren was het mogelijk dat het college van B. en W. op eenvoudige wijze hiervoor ontheffing verleende. Bij ‘technische’ ambtenaren lag dat moeilijker. Veelal waren zij ‘vrijwillig’ lid van de vrijwillige brandweer. De carrières bij brandweer en gemeente vormden in positieve zin een ‘kruisbestuivend’ geheel en waren daarmee sterk plaatsgebonden. Maar ook bij andere calamiteiten dan brand, windhoos, wolkbreuk of ernstige verkeersongevallen moesten deze ambtenaren direct oproepbaar zijn. De directeur gemeentewerken had grote moeite met mijn nieuwe plannen. Dit gevoel was wederzijds. Vanwege het werk hoefde ik niet weg én hij dreigde een kracht te verliezen waarover, zoals hij vertelde zeer tevreden was. Dat het tussen ons klikte, bleek ook uit de vraag of ik familie was van ‘die Arts’, welke destijds als redacteur bij ‘De Nieuwe Linie’ werkte. Deze vraag werd gesteld omdat hij vaststelde dat ik goed met een pen omging en nogal ‘linkserig’ uit de hoek kon komen. Beiden waren wij geen
West-Brabanders. Hij kwam uit Lithoijen. Een dorp gelegen op 25 km. afstand van Wijchen over de Maas aan de Brabantse kant. Hij praatte op me in om het nog een tijdje aan te zien. Toestemming van het college voor een verhuizing was uitgesloten, dit zou een te grote precedentwerking geven. Op voorhand duidelijk dat hier alleen maar negatief op beslist zou worden. (Zoals mijn vrouw volgens de regels, louter en alleen omdat zij in het huwelijk trad, als onderwijzeres ontslagen werd.) Intussen waren in vak- en dagbladen advertenties verschenen waarin bij de gemeente Roosendaal & Nispen onder andere een opzichter bij de afdeling weg- en waterbouw gevraagd werd. Door de rang van hoofdopzichter op korte termijn in het vooruitzicht te stellen, deed de directeur een allerlaatste poging mij vast te houden. De rang van hoofdopzichter met gelijke salarisbedragen stond in de advertentie van Roosendaal ook vermeld. Ongetwijfeld zou het langer duren voordat deze rang in de nieuwe gemeente bereikt zou worden. Maar dit was voor mij beslist geen reden om de sollicitatie in te trekken. Mijn besluit om de sollicitatie door te laten gaan, stond vast. Nadat ik een tijdje niets op de sollicitatie gehoord had, besloot ik telefonisch contact met het hoofd personeelszaken op te nemen. ‘In de vacature van opzichter was al iemand benoemd !’ Enig telefonisch overleg bleef niet zonder gevolg. Een sollicitatiegesprek moest uitwijzen of een benoeming als tekenaar bij de gemeente Roosendaal & Nispen tot de mogelijkheden behoorde. Het ‘buitenleven’ van opzichter trok me meer dan dat van tekenaar op een bedompte tekenkamer met een werkterrein van een paar vierkante meter. Maar eenmaal bij deze gemeente zou een nieuwe functie van opzichter binnen handbereik liggen. Als interne sollicitant lagen mijn kansen aanzienlijk beter dan nu als buitenstaander. Bij het sollicitatiegesprek waren de directeur gemeentewerken, de chef van de afdeling weg- en waterbouw en het hoofd personeelszaken aanwezig. Het hoofd personeelszaken vroeg ; “Zijde gij van Roosendaol dan zijde net als ikke”. Enigszins bekend kwam mij die tekst wel voor, maar à la minute was ze niet thuis te brengen. Later herinnerde ik me dat ik tijdens de carnavalsdagen in Roosendaal geprobeerd had om een lied met soortgelijke tekst mee te zingen. Mijn vrouw had een grammofoonplaatje met op de A-kant het carnavalslied van Roosendaal van dat jaar met op de hoes een afbeelding van de toenmalige carnavalsprins – op dit moment gemeenteraadslid voor de Vrije lijst – en op de B-kant het ‘Roosendoals lieke.’ Nee een Roosendaler ben ik niet, maar mijn vrouw is een geboren en getogen Roosendaalse. Bij het noemen van de achternaam van mijn vrouw gaf het hoofd personeelszaken aan mijn schoonfamilie wel te kennen. Hij noemde verschillende zwagers met voor- en achternamen, hun beroep en de plaats waar ze werkten. Een situatie waarop het gezegde, ‘de wereld is klein’ van toepassing was en het geheel als vertrouwenwekkend overkwam. Dit bleek ten onrechte toen later duidelijk werd dat uitgerekend dit hoofd personeelszaken ‘een kunstje flikte.’ Al gauw was de benoeming zo goed als rond. De directeur stelde een benoeming in de rang van tekenaar 1e klas voor, met inschaling op hetzelfde salarisniveau als bij de vorige werkgever. De diplomatoelage van een paar tientjes per maand voor het diploma weg- en waterbouwkundig opzichter kon niet meegenomen worden. De gemeente Roosendaal & Nispen kende geen diplomatoelage voor haar ‘technische’ ambtenaren. Bovendien was het diploma met deze opleiding specifiek voor opzichters en niet voor tekenaars ! Daar was weinig tegen in te brengen. Het hoofd personeelszaken stelde een benoeming in de rang van tekenaar 2e klas op het maximum voor, met als bruto salaris een bedrag gelijk aan het brutosalaris in Zundert minus de diplomatoelage. Hij voegde hier aan toe, “ bij bevordering naar de rang van tekenaar 1e klas zou een extra periodiek toegekend worden.” Op zich klonk dit veel belovend. Bovendien moest aan de mogelijkheid om naar Roosendaal te kunnen verhuizen de hoogste prioriteit gegeven worden. Positieverbetering was niet het voornaamste doel.

Op een stralende dag van de arbeid – 1 mei 1970 – startte het nieuwe dienstverband. Dat men in de gemeente Roosendaal & Nispen het begrip ‘Dag van de arbeid’ niet kende – rooms en rimpelloos – of er niets mee te maken wilde hebben, bleek spoedig. Een gemeente, waarbij de ambtenaar onderwijs op aanvraagformulieren voor het starten van een school met Openbaar Onderwijs namen en handtekeningen schrapte van mensen waarvan hij wist dat ze van huis uit R.K. waren. Door tussenkomst van de vereniging voor Openbaar Onderwijs uit den Haag is dit rechtgezet. Het gemeentebestuur bestond hoofdzakelijk uit mensen voortkomend uit aan K.V.P. gerelateerde groeperingen, zoals lijsten van Katholieke werknemers, Katholiek Centrum, Katholieke Unie en Katholiek Vooruitstrevende Partij. Naast Roosendaals Belang, de persoonslijst Piet Rampaart en de lijst Protestantse groepering waren alléén de landelijke PvdA en Boerenpartij (boer Koekoek) in de gemeenteraad vertegenwoordigd. Het was bijna allemaal ‘katholiek’ wat de klok sloeg. Leden of sympathisanten van de PvdA werden nog schamper met ‘die rooien’ aangeduid.

Op de zolderverdieping in een oud herenhuis aan de Markt waren drie kamers als kantoorruimten voor de binnendienst van de afdeling weg- en waterbouw ingericht. Alles volgens het gebruikelijke stramien in de ambtenarenwereld. De hoogte van de werkplek in het gebouw was omgekeerd evenredig aan het belang binnen de organisatie. Een chef en een technisch ambtenaar vormden het overgebleven personeelsbestand van de afdeling ‘Voorbereiding’ weg- en waterbouw. Twee ambtenaren van ongeveer vijftig jaar. Vaderlijk zette de oudste – dé chef – zich in om aan woonruimte voor zijn nieuwe medewerker te komen. Hier openbaarde zich duidelijk het verschil in grootte van de ‘nieuwe’ en ‘oude’ gemeente. Bij het gemeentelijk woningbedrijf was het niet mogelijk om snel voor een woningwetwoning in aanmerking te komen. Het salaris en de lange lijst woningzoekenden maakten het onmogelijk om binnen korte tijd een woning toegewezen te krijgen. Via de R.K. woningbouwstichting St. Joseph viel wellicht iets te regelen. Een wethouder, een raadslid en verschillende vakbondsbestuurders van het N.K.V. vormden het bestuur van de R.K. woningbouwstichting. In september werden in het nieuwe uitbreidingsplan de eerste woningen opgeleverd. Met een beetje geluk was daar voor een gemeenteambtenaar wel een mogelijkheid om een woning met voorrang toegewezen te krijgen. Voorzien van woonruimte kon later rustig naar andere woonruimte gezocht worden. Doorstroming van een goedkopere naar een duurdere woning ging probleemloos. Even werd het kopen van een woning overwogen. Maar met – een paar maanden wachten – toewijzing van een huurwoning in het vooruitzicht werd deze optie al snel verlaten. “Ofschoon in de advertentie niets over woonruimte stond, kun je toch niet zeggen dat we je niet goed geholpen te hebben, ” merkte mijn chef trots op. Het lobbyen was inderdaad niet zonder resultaat gebleven. Binnen een tijdsbestek van drie maanden werd ons de zesde op te leveren woningwetwoning in de nieuwe woonwijk toegewezen.

Ofschoon Roosendaal een groot dorp, geen stad en maar enige schoenmaten groter dan Zundert was, kwam de gemeentelijke organisatie op dat moment sterk overeen met die van de gemeente Zundert. Het maken van tekeningen en bestekken van de civieltechnische werken werd uitbesteed aan een tweetal ingenieursbureaus. Door de personeelsuitbreidingen met een tekenaar per 1 mei, een technisch ambtenaar en de chef landmeter per 1 juni kon een nieuwe start met de afdeling weg- en waterbouw gemaakt worden, met de opzet om op korte termijn door verdere personeelsuitbreiding minder werk uit te besteden en meer voorbereidingen uit te voeren. Promotiemogelijkheden te over met het opzetten van een nieuwe tekenkamer, zoals mijn nieuwe baas uitlegde. Theoretisch geheel juist, maar de twee nieuwe collega’s waren hoofdzakelijk geïnteresseerd in de mogelijkheid om nieuw personeel met een hbo-opleiding aan te trekken. De chef-landmeter vanwege het opzetten van een zelfstandige afdeling landmeten en de weg- en waterbouwkundig ‘technisch’ ambtenaar voor het verwezenlijken van een grote tekenkamer. Hij had daarbij voor zichzelf het nieuwe begrip souschef bedacht. Tot dan bestond binnen de gemeentelijke organisatie alleen maar de toevoeging plaatsvervangend bij chef. Souschef was een geheel nieuw fenomeen. Bij het aantrekken van twee ambtenaren met een h.t.s.-opleiding zag de souschef wel kans tot het opzetten van een tekenkamer met een ‘tweedeling.’ De ene helft zou zich bezig gaan houden met het voorbereidende werk voor de uitbreidingsplannen en de andere helft van de tekenkamer met de voorbereidingswerkzaamheden van de reconstructies en het onderhoud van wegen en riolering. Zo waren ‘de prijzen’ snel verdeeld en bleef van de in het vooruitzicht gestelde carrièremogelijkheden niet veel meer over. Daar werd niet geheimzinnig over gedaan. De souschef in spe maakte duidelijk, dat zijn prioriteiten lagen bij het aantrekken van hoger opgeleide ambtenaren, om te zorgen voor een goede basis voor de nieuwe tekenkamers. “Daarnaast levert het leidinggeven aan mensen met een hbo-opleiding meer punten voor de functiewaardering.” De afdeling ‘Voorbereiding’ van de afdeling weg- en waterbouw was naast de afdeling ‘Uitvoering’ een kleine afdeling binnen de dienst gemeentewerken. De afdelingen grondzaken, bouw- en woningtoezicht, stedenbouw en het woningbedrijf vormden de andere afdelingen. Als een donderslag bij heldere hemel diende een paar maanden later zich de eerste reorganisatie aan. De dienst gemeentewerken werd opgedeeld in de diensten Stadsontwikkeling en Gemeentewerken: Stadsontwikkeling als beleidsvoorbereidende dienst met de afdelingen grondzaken, stedenbouw en bouw- en woningtoezicht, Gemeentewerken als uitvoerende dienst met de – in opbouw zijnde – afdeling weg- en waterbouw, plantsoenen, bouwkunde en het woningbedrijf. Binnen de organisatie ontstond grote onrust. De kabinetschef, ‘beschermheer ’ van de burgemeester en bepaald geen techneut werd tot directeur van de nieuwe dienst Stadsontwikkeling benoemd. Achtergebleven ambtenaren van de ‘uitgeklede’ dienst Gemeentewerken voelden zich gedegradeerd. ‘Medewerkers in een overall op klompen.’ Verschillende protestbrieven werden uiteindelijk tot één brief samengevoegd en aan het gemeentebestuur aangeboden. Niet gehinderd door veel kennis van zaken ook door mij ondertekend. Een enkele collega die niet tot tekenen bereid was, werd onder druk gezet. Dit was de eerste van een tiental reorganisaties en organisatieaanpassingen tijdens mijn ruim 30 jarig ambtenaarschap bij de gemeente Roosendaal. Maar ook de enige waarbij zó heftig geprotesteerd werd. Om het overleg en de inspraak in goede banen te leiden en te vermijden, werd het begrip organisatieaanpassingen in plaats van reorganisatie ingevoerd. Organisatieaanpassingen kenmerkten zich door hun ‘beperktheid’ in wijzigingen, hetgeen nog niets zei over de gevolgen voor de individuele ambtenaar, die (weer een chef boven zich) kregen. Strikt formeel, zonder overleg met de ambtenaren en hun vakbonden. Dat er later nog heftige discussies ontstonden of iets nu wel of geen reorganisatie of organisatieaanpassing was, laat zich raden. Zeker door hen die zich door de wijziging benadeeld voelden. Nauwelijks was de rust enigszins teruggekeerd, of de souschef begon met het invoeren van de naam hoofdafdeling weg- en waterbouw. Met de vondst van de functie souschef en nu weer het begrip hoofdafdeling kon niet ontkend worden dat de van Rijkswaterstaat komende ‘technisch’ ambtenaar een fijne neus voor deze organisatorische zaken had, hetgeen hem ook geen windeieren gelegd heeft. Alleen het begrip hoofdafdeling ging de afdeling personeelszaken net iets te ver en zo kwam er officieel een verbod deze benaming te gebruiken. Toen ik per 1 januari rekende op de bevordering naar tekenaar 1e klas, met de extra periodiek zoals tijdens het sollicitatiegesprek gesuggereerd was, kwam ik van een koude kermis thuis. Het bleek dat om voor een bevordering in aanmerking te komen, je eerst tenminste één vol jaar met je salaris op het maximum in een rang moest staan. Aan het niet doorgaan van de bevordering hield ik lange tijd een gevoel van ‘vroom bedrog’ gepleegd door het hoofd personeelszaken over, of zoals eerder vermeld het ‘kunstje’ dat hij mij flikte. Temeer daar de directeur voorgesteld had mij direct als tekenaar 1e klas te benoemen. De afdelingschef vol begrip voor mijn gedachten en gevoelens gaf aan er verder ook niets aan te kunnen doen of, wellicht beter gezegd, te willen doen. Je nek uitsteken voor een klein ambtenaartje vereist moed ! “Dan had je je maar beter moeten verkopen ! ” Het volgende jaar volgde de bevordering naar de rang van tekenaar 1e klas zonder noemenswaardige problemen.

Omdat ik dit alles met lede ogen moest aanschouwen, vroeg ik informatie over vakbonden op. Spoedig volgde een lidmaatschap en oprichting van de Roosendaalse jongerenafdeling van de ambtenarenvakbond A.R.K.A., waarin mij een bestuurslidmaatschap toebedeeld werd. Volgens goed vakbondsgebruik uit solidariteit lid geworden, maar tegelijkertijd als mogelijke steun om niet nog eens ‘ondergesneeuwd’ te worden. Het begrip ‘kennis is macht’ was hierbij zeker op zijn plaats. Dat één van zijn ambtenaren actief was in een vakbond, vond mijn chef niet zo’n probleem. Hier kon hij als penningmeester – groep gemeenteambtenaren afdeling Roosendaal en omstreken – van de ambtenarenvakbond ook moeilijk een andere mening over hebben. Nog een geluk dat uit automatisme voor dezelfde vakbond gekozen was. Een lidmaatschap van D’66 vormde pas echt een probleem. Dit kon je als gemeenteambtenaar niet maken, dat was ‘not done’. “Een gemeenteambtenaar behoort zich verre van de politiek te houden ! ” Dit strookte niet met mijn herinnering over de door een raadslid gestelde vraag. Het raadslid had B. en W. gevraagd of een uitspraak gedaan door de chef financiën, de mening van de topambtenaar of die van een prominent lid van de K.V.P. was ? Gemeenteambtenaren konden wel degelijk politiek actief zijn, of zou dit ‘rangsgebonden’ zijn ? Met mijn chef wilde ik geen problemen en zei onmiddellijk mijn lidmaatschap op. Overigens, een passief lidmaatschap omdat ik nog onvoldoende interesse én tijd had om politiek actief bezig te zijn.

De souschef adviseerde de twee beoogde chefs tekenkamer te proberen zo snel mogelijk tekenaars met een h.t.s.-opleiding onder zich te krijgen. Zoals al gezegd zou dat bij de functiewaardering meer punten opleveren. Mijn aandacht ging naar alternatieven uit. Veel tijd naast het primaire werk werd besteed aan het maken van organisatieschema’s met onderzoek van carrièremogelijkheden. Voor mij bleven er twee mogelijkheden over. Wéér opzichter, welke functieuitbreiding in het verschiet lag of de vacature weg- en waterbouwkundig calculator. Tijdens mijn jeugd bij het assisteren van mijn vader was met cijferwerk al de nodige ervaring opgedaan. In de avonduren verzorgde hij voor kleine bedrijfjes de boekhouding. Mijn hulp bestond uit het sorteren van rekeningen, het invullen van het kasboek en het uit het hoofd optellen van de cijferreeksen. Een rekenmachientje behoorde bij ons thuis niet tot de inventaris. Alleen een klein bureautje en daarop een afgedankte schrijfmachine met een schrijflint waar je dwars doorheen kon kijken vanwege de gaten en weinige inkt. Handmatig tellen was leerzamer en uiteraard goedkoper. De uitkomsten van de optellingen eerst met potlood invullen en nadat ze een kloppend geheel vormden, uitgummen en definitief netjes met een balpen inschrijven. Zeeën van tijd kostte het – zeker in mijn herinnering – om het verschil van één cent of ’n ander cijfer voor of achter de komma op te sporen. Het behoorde niet tot boekhoudersethiek om met cijfers te knoeien. Ook dit had vader mij op jonge leeftijd bijgebracht. Ziehier de basisvorming voor een administratief beroep. De carrièrevooruitzichten voor de functie van calculator waren beter dan die van opzichter. Besloten werd de cursus weg- en waterbouwkundig calculator bij P.B.N.A. te volgen, nadat de leiding beaamd had dit een goed idee te vinden. Een enkele keer had ik de gelegenheid een begroting te maken. Ik was trots op het resultaat van mijn eerste begroting waarvan de hoogte van het begrotingsbedrag ruimschoots onder het beschikbaar gestelde krediet lag. Teleurgesteld constateerde ik op het proces-verbaal van aanbesteding een hoger bedrag voor de aanneemsom dan het door mij begrote bedrag. Verrekening van een ‘financieel gat’ van een vorig werk was hiervan de reden. De aanneemsom moest kunstmatig verhoogd worden zodat voor de overschrijding geen aanvullend krediet nodig was. Naast het begroten, maakte ik kennis met de verschillende wijzen van aanbesteden. Dit is samen te vatten in drie hoofdgroepen.
De openbare aanbesteding, waarbij iedere aannemer aan een inschrijving voor een werk kon deelnemen. Door de grote concurrentie, werd hierbij meestal het laagste inschrijfbedrag behaald. Althans wanneer de aannemers niet van tevoren onderlinge prijsafspraken maakten. Bij een openbare aanbesteding waren alle georganiseerde aannemers verplicht zich te melden als zij voor het werk een inschrijfbiljet indienden. Zo konden voor de aanbesteding afspraken gemaakt worden. Maar een ongeorganiseerde aannemer wilde soms roet in het eten gooien door voor een lage prijs in te schrijven. Hij kon meestal ‘vrijelijk’ voor een lagere prijs inschrijven omdat bovenop zijn inschrijfbedrag niet het zogenaamde opzetje hoefde te berekenen. Dit bedrag werd na gunning van het werk onder de aannemers verdeeld die wel aan de inschrijving deelnamen en overeengekomen waren aan wie het werk gegund kon worden en het mocht uitvoeren.
Een andere mogelijkheid was aan te besteden op uitnodiging, waarbij een drietal aannemers uitgenodigd werd om voor een werk in te schrijven. Met de meest eenvoudige mogelijkheid tot het maken van prijsafspraken. De drie ‘uitverkoren’ aannemers wisten meestal van elkaar dat ze uitgenodigd waren om een prijs in te dienen.
En als laatste maar daarom niet minder belangrijk, de onderhandse aanbesteding. Hierbij werd één aannemer, die tot de ‘huisaannemers’ behoorde, uitgenodigd de inschrijving te verzorgen. Het predikaat ‘huisaannemer’ werd verleend als voor een opdrachtgever al meerdere werken – tot goede tevredenheid – gemaakt waren. Overschreed de inschrijving de begroting, dan werd door onderhandelingen tussen ambtena(a)r(en) en aannemer getracht tot overeenstemming te komen. Hierbij ontstonden de meest creatieve en vreemde oplossingen, van prijsaanpassingen tot wijzigingen in het werk
De cursus leerde dat het aanbeveling verdiende, niet altijd star vast te houden aan onderhandse aanbestedingen maar grotere werken openbaar aan te besteden. Zo kon het maximale concurrentievoordeel behaald worden. Mijn baas en souschef waren daar geen voorstander van. Het risico van een openbare aanbesteding was zoals zij dat noemden; ‘dat een vreemde vogel – met de laagste prijs – uit de bus kwam en hem het werk gegund moest worden.’ Van een ‘huisaannemer’ waren de kwaliteit, werkwijzen en gewoonten bekend. ‘Het werken met ‘huisaannemers’ verdiende de voorkeur !’ Achteraf niet handig om zó nadrukkelijk mijn mening te ventileren, zeker niet omdat de buitenwacht bij benoemingen een flinke vinger in de pap bleek te hebben.

Bij openstelling van de vacature van calculator moest gewoon gesolliciteerd worden, ofschoon bekend was, dat eerst intern gekeken diende te worden of er belangstelling voor de vacature was. Op het moment dat van deze procedure afgeweken werd, had bij mij een lampje moeten gaan branden. In totaal waren er drie sollicitatiebrieven. Een zéér ervaren sollicitant vroeg hetzelfde aanvangssalaris als dat van de nog maar kort benoemde souschef. Twee kapiteins op een schip was onmogelijk. De kansen stegen. Totdat bekend werd dat de calculator van een van de ‘huisaannemers’ gesolliciteerd had. De race was gelopen, ‘met of zonder luchtje.’ Benoemingen blijven altijd arbitrair. Hoe dan ook, voor mij ‘stonk’ het en die geur is nog lang blijven hangen. Doordat een vacature van opzichter ontstond, was de teleurstelling van het gepasseerd zijn makkelijk te verwerken. Met de diploma’s van weg- en waterbouwkundig opzichter én calculator kon men nu toch moeilijk voor de tweede keer om een interne sollicitant met voldoende opleiding en ervaring heen. Zo volgde alras de benoeming tot opzichter na bijna drie jaar op de tekenkamer gewerkt te hebben. Tegelijkertijd kwam de eerder beschreven organisatieaanpassing, die zonder veel overleg uitgevoerd kon worden. Net als de tekenkamer werd de buitendienst van de afdeling weg- en waterbouw uitgebreid en opgesplitst in de subafdelingen ‘onderhoud ’ en ‘kapitaalswerken’. De tak ‘kapitaalswerken’ had als voornaamste taak het begeleiden in de uitvoering van civieltechnische werken zoals aanleg van riolering en wegen in uitbreidingsplannen. Om voor de hand liggende redenen werd door mij gekozen voor opzichter bij de subafdeling ‘kapitaalswerken’, een functie die in grote lijnen overeenkwam met de opzichtersfunctie in Zundert. Kernmerkend in de organisatieaanpassing was de overgang van een tweehoofdige – directeur gemeentewerken en chef weg- en waterbouw – naar een vierhoofdige leiding. Deze omvatte: directeur gemeentewerken, afdelingshoofd weg- en waterbouw, souschef weg- en waterbouw en chef ‘kapitaalswerken’. Door dit waterhoofd, zeker in vergelijking met de functie van ‘mijnheer de opzichter’ in Zundert was je weer gewoon een ‘klein’ ambtenaartje binnen een organisatie met vele schijven die het efficiënt en bedrijfsmatig werken onnodig belastten. Vlak voor de bouwvakvakantie startte ik met mijn nieuwe werkzaamheden in de functie van opzichter met het bouwrijp maken van een uitbreidingsplan. Een soortgelijke start zoals bij mijn vorige werkgever maar met een grotere ervaring van de ambtelijke organisatie en het werk rijker. De omgang tussen aannemer en directieopdrachtgever in vergelijking met die bij de vorige gemeente was minder zakelijk en ademde een sfeer van ‘oude jongens krentenbrood’. De gevolgen konden dan ook niet uitblijven. In een twistgesprek met mijn nieuwe chef stelde een collega-opzichter met stemverheffing: “wie is hier eigelijk de baas, de aannemer of – wij – de directie.” Dat hij hiermee zijn doodvonnis tekende, werd snel duidelijk. Na niet al te lange tijd was hij ‘weggewerkt.’ Door op tijd water in de wijn te doen en omdat ik van het werk hield, lukte het om me bijna 25 jaar in dit werk staande te houden.
Intussen was ik behoorlijk actief geworden als vakbondsbestuurder en nu volgden – namens de jongerenorganisatie – de verkiezing en benoeming tot lid van de commissie van het ‘georganiseerd’ overleg. Deze commissie had als taak het college van B. en W. – gevraagd en ongevraagd – te adviseren over arbeidsvoorwaarden voor zover deze al niet door de hogere overheid centraal waren vastgesteld. Om aan het grote verloop van jonge ‘administratieve’ ambtenaren een halt toe te roepen, was voor hen een versnelde promotielijn vastgesteld. Dit gebeurde omdat menig jong ‘administratief ’ ambtenaartje geen zin had te wachten op het verstrijken van de voorgeschreven wachttijd om naar een volgende rang bevorderd te worden. In de promotielijn vervielen de wachttijden voor hen die voor een vakdiploma geslaagd waren en op een voldoende wijze functioneerden. Zij hoefden géén twee of zes jaar te wachten om van aanloop- naar functie- of van functie- naar uitlooprang door te stromen. Hiervoor moest een reglement van personeelbeoordeling vastgesteld worden. Ook voor het vaststellen van de zwaarte van de functies was nog niets in een reglement vastgelegd. Door het ontbreken van openheid ontstond een gevoel van willekeur en ontevredenheid. Vooral de ‘technische’ ambtenaren voelden zich ten opzichte van de ‘administratieve’ ambtenaren achtergesteld. Het spreekwoord, ‘wie het dichtst bij het vuur zit warmt zich het best,’ werd door – ons – ‘technische’ ambtenaren op het einde van het jaar veel gebruikt nadat de bevorderingen bekend werden. Een promotielijn voor jeugdige ‘technische’ ambtenaren ontbrak. ‘Hierin moest structuur aangebracht worden !’ Voor de commissie werk aan de winkel. Het bleek echter dat de voorzitter – de burgemeester – deze commissie niet serieus nam. Een PvdA raadslid – tevens commissielid namens de werkgeversdelegatie – had in een raadsvergadering bij de ‘Algemene Beschouwingen’ subtiel een opmerking gemaakt over het ontbreken van vergaderingen. De laatste bijeenkomst was langer dan een jaar geleden. Er was een mogelijkheid voor de vakbondsleden om de voorzitter te verzoeken een vergadering uit te schrijven. Deze aanvraag moest schriftelijk ingediend worden, met opgave van de te behandelen onderwerpen en door voldoende leden ondertekend. In mijn functie van voorzitter van de jongerengroepering en benoemd lid van de commissie werd op mijn initiatief met de overige commissieleden van de werknemersdelegatie een vooroverleg bijeen geroepen. Iedereen was ervan overtuigd dat de voorzitter om het uitschrijven van een officiële vergadering gevraagd moest worden. Dáár bestond geen twijfel over en binnen de voorgeschreven tijd zou dan ook wel een vergadering uitgeschreven worden. ‘Maar, besefte de initiatiefnemer wel hoe deze bijeenkomst zou verlopen !’ Hierover werd bezorgdheid uitgesproken. Als de andere vakbonden de aanvraag niet mee wilden ondertekenen, moest maar alleen gegaan worden ! Met drie afgevaardigden hadden we het vereiste aantal handtekeningen om de vergadering aan te vragen. Schoorvoetend gingen de overige vakbonden akkoord. Met een ware scheldkanonnade opende de voorzitter de – zoals hij zei – afgedwongen vergadering en dat terwijl hij juist het voornemen had binnen niet al te lange tijd zélf een vergadering bijeen te roepen. Het resultaat was er naar. In korte tijd werd het besluit genomen, drie maanden later een reguliere vergadering bijeen te roepen, met als mogelijk agendapunt het invoeren van een functiewaarderingssysteem. Gelukkig ging de voorzitter op niet al te lange termijn met pensioen. Met deze man als voorzitter viel niet te werken. Alle hoop was gevestigd op de nieuw te benoemen burgemeester, die naar alle waarschijnlijkheid ook de portefeuille personeelszaken en organisatie zou krijgen en daarmee automatisch voorzitter van de commissie werd. Het agendapunt functiewaardering stond inderdaad tijdens de toegezegde vergadering geagendeerd. Voorgesteld werd snel te besluiten tot het invoeren van een functiewaarderingssysteem. Het moet de voorzitter niet ontgaan zijn dat – in ieder geval bij mij, als product van de inspraak en democratiseringsgolf van de zestiger jaren – hij mede door het niet gestructureerd vergaderen weinig vertrouwen genoot. De schriftelijke toelichting bij de vergaderstukken en de mondelinge uitleg in de vergadering riepen veel vragen op. Het was duidelijk dat de voorzitter in de korte tijd die hem in zijn functie restte, een positief besluit wilde over dit functiewaarderingssysteem. Gespeeld ontspannen en vriendelijk – met tussendoor een enkel grapje – waar beleefd om gelachen werd, probeerde hij de vergadering zijn wil op te leggen. Zelfs het inzetten van zijn ‘geheime wapen’ – het laten aanrukken van alcoholische dranken – trok ons niet over de streep. De commissie besloot unaniem niet met de invoering van het voorliggende voorstel akkoord te gaan en vroeg om uitstel. De bedoeling was om bij een volgende bijeenkomst enige functiewaarderingssystemen te vergelijken. Zichtbaar teleurgesteld sloot de voorzitter zijn laatste vergadering in de functie van voorzitter van de commissie van ‘georganiseerd’ overleg. Het was hem niet gelukt de vergadering naar zijn hand te zetten.
2. Opzichter 1e klas.
In aanwezigheid van de directeur, de bedrijfsleider, de uitvoerder van het aannemersbedrijf en de chef ‘kapitaalswerken’ en mijn persoontje als opzichter werd de eerste rioolbuis voor het uitbreidingsplan gelegd. De directeur was van mening dat de start van het werk met een ‘etentje’ gevierd mocht worden. Hij stelde voor in een restaurant – net over de grens in België – te gaan eten. Zijn keuze viel op een luxe restaurant in een klein kasteeltje. Tijdens het etentje werd uitgebreid kennisgemaakt en over het vele werk gesproken dat dé ‘huisaannemer’ van de gemeente Roosendaal & Nispen in deze gemeente allemaal gemaakt had. Voetbal was ook een dankbaar onderwerp van conversatie. Mijn nieuwe baas was hiervan een groot kenner. Daarnaast bleek hij geen onverdienstelijk amateur-voetballer geweest te zijn. Het etentje werd met een wandeling door de stad Antwerpen afgesloten. De binnenstad vormde één grote bouwput voor de aanleg van ondergronds spoor. De dag en nacht doorgaande graaf- en transportwerkzaamheden gaven ons uitstapje nog een tint van excursie op cieviel-technisch gebied. Ook werd de rosse buurt bezocht, waarbij iedereen zijn gezicht strak in de plooi hield, omdat er nu eenmaal zaken in het leven zijn waarvan het beter is dat ‘het weten van’ het maximale aantal van twee personen niet wordt overschreden. Moe, voldaan en tevreden gingen we – na een afzakkertje in de Roosendaalse stamkroeg ’t Wit Rooske – kort na middernacht huiswaarts.
Het bouwrijp maken van het uitbreidingsplan vond onder grote tijdsdruk plaats. De bouwaannemers stonden in de startblokken om nog voor de winter met het bouwen van de huizen te beginnen. Met grote inzet werd het werk voortvarend uitgevoerd. Ook het toepassen van de nieuwe werkmethode – een laserstraal – leverde veel tijdwinst op. De nieuwe werkwijze voor het bepalen van de diepte en richting van het graafwerk voor het leggen van riolering. Toepassing van een laserstraal was nog zo nieuw, dat vele vakgenoten voor een demonstratie naar het werk kwamen. Met een goede koopmansgeest legde de leverancier van de laserstraal alles uit over de te behalen tijdswinst en de mogelijkheid om het graafwerk met een grotere nauwkeurigheid uit te voeren.

In de commissie van het ‘georganiseerd’ overleg werd ook volop gewerkt. Met de komst van de nieuwe burgemeester had de commissie een andere voorzitter gekregen. Al op de eerste vergadering gaf hij aan zijn ‘huiswerk’ goed gedaan te hebben. Zonder veel woorden eraan vuil te maken, zei hij niet naar het verleden maar naar de toekomst te willen kijken. Hij wees de commissieleden op het hechten aan een goed, gestructureerd en constructief overleg. Instemmend luisterde de werknemersdelegatie naar de aftrap van de nieuwe voorzitter. Van vakbondszijde werd aangegeven wat onder constructief overleg verstaan werd. ‘Democratisering van de werkvloer.’ De voorzitter stond perplex, fronsend met tegelijkertijd een op tilt geslagen gedachtegang. Maar hij vroeg rustig om een toelichting. “Een goed werkoverleg van het hoogste tot laagste niveau op de werkplek, wat de collegiale samenwerking en het product ten goede zal komen.” Verrast en gerustgesteld door dit antwoord, merkte de burgemeester op hier een gedachte over te hebben. Echter, hij wees op het primaat van ‘de politiek’ omdat – hoe dan ook – de politieke besluitvorming uitgevoerd zou moest worden. Met dit voorbehoud beloofde hij nog eens na te zullen gaan of het mogelijk was om aan het begrip ‘democratisering van de werkvloer’ meer handen en voeten te geven. Met een glimlach sloot hij het eerste agendapunt van de vergadering af. Deze openingsbijdrage van de voorzitter werd als een ‘verademing’ ervaren. Veel werk stond er voor de commissie op de agenda: de invoering van een personeelsbeoordelings-, functiewaarderings- en salariëringssysteem. Het reglement van medezeggenschap moest in de geest van de wet van de ondernemingsraden aangepast worden. Daarnaast kondigde de voorzitter – onderzoeksrapport bureau Berenschot – een reorganisatie aan. Om dit allemaal in een redelijk tijdsbestek te kunnen laten verlopen zei hij er aan te hechten dat de leden met hun achterban hierover in goed overleg zouden treden. De voorzitter mocht dan wel nieuw en enthousiast te werk gaan, de afdeling personeelszaken was dezelfde als die van voor de ‘omwenteling.’ Met enige reserve werden de plannen tegemoet gezien. ‘Hopelijk geen oude wijn in nieuwe zakken.’ Het reglement voor de invoering van een personeelsbeoordeling leverde weinig problemen op. Hier werd over een algemeen toegepast systeem vrij snel overeenstemming bereikt. Bij het overleg over de invoering van een functiewaarderingssysteem ontstonden wederom grote problemen. Voorgesteld werd het, door velen gewantrouwde en door de vorige voorzitter reeds ingebrachte, Roosendaalse systeem van functiewaardering in te voeren. Waarom moest de gemeente Roosendaal & Nispen hierbij zonodig zélf het wiel uitvinden met de invoering van haar ‘Uitgebreid Genormaliseerde Methode’ ? Uitgebreid was het systeem onmiskenbaar in vergelijking met andere systemen, zoals het Zwolse systeem, de methode N.S., O.D.R.P. of V.N.G.. In een ledenvergadering van mijn vakbond noemde ik het Roosendaalse systeem, het systeem van de drie O’s. Onduidelijk (slecht of niet te begrijpen), Ondoorzichtig ( waarin moeilijk inzicht te krijgen is) en Onoverdraagbaar ( niet duidelijk te maken). Dat het Roosendaalse systeem ‘Uitgebreid’ in haar naam had, was terecht maar opende tegelijkertijd de mogelijkheid tot het maken van procedurefouten en manipuleren. De uiteindelijke waardering kwam na een lange weg van functieinventarisatie en functiebeschrijving. Het Roosendaalse systeem kwam tot stand door de puntentoekenning van een hoge en lage score en het gemiddelde hiervan te vermenigvuldigen met een factor van 1 t/m 6, afhankelijk van het gezichtspunt waarop de puntentoekenning betrekking had. Het systeem kende 14 verschillende gezichtspunten. Deze omvatten de volgende begrippen: 1) kennis, 2) zelfstandigheid, 3) contact, 4) gezag, 5) uitdrukkingsvaardigheid, 6) bewegingsvaardigheid, 7) materiaal en machinegevoel, 8) zwaarte, 9) houding, 10) oplettendheid, 11) werksfeer, 12) persoonlijk risico, 13) specifieke eisen en 14) afbreukrisico. In een lijvig boekwerk stonden de omschrijvingen per gezichtspunt beschreven en de wijze waarop een hoge en lage score bepaald werd met de toe te passen vermenigvuldigingsfactoren. Uit de conversietabel kon aan de hand van een reeks getallen afgelezen worden, welke salarisschaal bij de uitkomst van het puntentotaal van de functiewaardering hoorde. Van iedere functie werd een werkomschrijving – verrichte taken en alle werkzaamheden met bijbehorende gezichtspunten -opgesteld. Het waarderen van de functie van iedere ambtenaar ‘sec’ moest garant staan voor de meest eerlijke wijze van het waarderen van de functie met toekenning van het daarbij behorende salaris. Verwijzend naar de drie O’s, verklaarde ik geen voorstander van het invoeren van dit systeem te zijn, maar een lichte voorkeur te hebben voor het Zwolse systeem, wat in ieder geval eenvoudiger, duidelijker en aan de leden uit te leggen was. Wel had dit een grote grofmazigheid. Door de verfijnde Roosendaalse methode zou iedere functie rechtvaardiger gewaardeerd kunnen worden, hoewel de kans van manipuleren met het Roosendaalse systeem groter was. De voorzitter zei; “dat het toch ondenkbaar was als het Roosendaalse systeem, waarin al zo veel arbeidsuren gestoken waren, niet ingevoerd zou worden.” Op de afdeling personeelszaken stond een kast met ordners, waarin de uitgevoerde proefwaarderingen zaten. Als compromis stelde hij voor met het Roosendaalse systeem van de Uitgebreid Genormaliseerde Methode officieel te starten en na korte tijd over te gaan tot een evaluatie. Na de evaluatie zou in alle ‘vrijheid’ besloten kunnen worden tot het nemen van een vervolgbesluit:

1. met het systeem doorgaan,
2. op onderdelen het systeem aanpassen
3. voor een totaal ander systeem kiezen.

Tot een ‘echte’ evaluatie van het systeem is het nooit gekomen. Binnenskamers – afdeling personeelszaken – hebben functiewaarderingsdeskundigen zich er hun hoofd over gebroken om het vervolgens weer in de schoot te leggen. Buiten een enkele kleine aanpassing bleef alles zoals het was. Het door iedere ambtenaar invullen van het functieinventarisatie -formulier kwam te vervallen. Door de afdeling personeelszaken werd de functiebeschrijving verzorgd en er werd uitgegaan van organieke functies uit het organisatieschema zonder persoonlijke invulling van de individuele ambtenaar. Weg ‘verfijning’, hét persoonlijke element van de invulling van een functie en wezenlijk onderdeel van het functiewaarderingssysteem. Hiermee werd het geheel tot een ‘grijze’ massa gereduceerd. Vijf en twintig jaar later zou zich de merkwaardige situatie voordoen dat ik als vakbondsafgevaardigde en lid van de commissie functiewaardering wederom in mijn conclusies van ‘verdeel en heers’ werd bevestigd. Met de invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem vond impliciet invoering van een andere salarissystematiek plaats. De op de ministeries reeds enige tijd gebruikte, genummerde salarisschalen werden overgenomen. Hiermee kwamen alle – historische – functiebenamingen met bijbehorend salaris zoals schrijver, adjunct-commies, commies, hoofdcommies, referendaris enz. te vervallen. De commissie functiewaardering kreeg als taak alle functies van de ambtenaren te waarderen, behoudens de functie van burgemeester die in den Haag op het ministerie van Binnenlandse Zaken vastgesteld was. De bijzondere problematiek waar een gemeente c.q. haar eerste ‘Burger’ mee kampte, was hierbij niet van invloed. Uit een tabel – het inwonersaantal – werd hun salaris vastgesteld. In de commissie van functiewaardering waren vertegenwoordigd de leiding van de dienst waar de ambtenaar werkte, personeelszaken en de vakbonden. Zij probeerden unaniem tot een standpunt over het resultaat van de functiewaardering te komen en legden hun bevindingen in een advies ter bekrachtiging aan het college van B. en W. voor. Kon niet tot een unaniem advies gekomen worden, dan werd een verdeeld advies voorgelegd. De souschef van de afdeling weg- en waterbouw was als een van de leden van de vakbondsdelegatie tot lid van de commissie voor de functiewaardering benoemd. Hiermee hadden wij – opzichters ‘kapitaalswerken’ – al onze hoop op de souschef gevestigd. Uit de proefwaardering was schaal 6 gekomen, maar binnen de commissie werd op een schaal 7 als uitkomst gerekend.

De aanpassing van het reglement medezeggenschap – in de geest van de wet op de O.R.. – bracht weinig moeilijkheden met zich mee. Hier hoefde Roosendaal ‘het wiel’ niet uit te vinden. Zelfs in het kabinet den Uijl was hier al genoeg over gesteggeld. Bemensing van de nieuwe commissies voor medezeggenschap leverde problemen op. Door slechte ervaringen waren weinig ambtenaren bereid in de commissie plaats te nemen. Algemeen leefde het gevoel, dat men later op een dergelijk lidmaatschap ‘afgerekend’ werd. De burgemeester wees op de grotere bevoegdheden van de nieuwe commissies voor medezeggenschap. Hij rekende erop, dat de besturen van de vakbonden hun leden zouden enthousiasmeren om actief en passief aan de verkiezingen deel te nemen. Als een ‘missionaris’ ging ik alle leden persoonlijk af met het verzoek zich kandidaat te stellen. Enkele collega’s wilden ter ondersteuning wel op een onverkiesbare plaats op de lijst. Maar onder geen beding op een mogelijk verkiesbare plaats, met de verplichting in de commissie plaats te moeten nemen. Uiteindelijk werden bij de dienst gemeentewerken vanuit 4 vakbonden en door drie ongeorganiseerde ambtenaren 11 leden bereid gevonden om een lidmaatschap van de nieuwe commissie voor de medezeggenschap te aanvaarden. Dit aantal was gelijk aan het aantal te benoemen leden zodat – zonder verkiezingen – hiermee de commissie benoemd was. Het door de burgemeester aangekondigde rapport van het adviesbureau over de reorganisatievoorstellen zorgde voor zoveel onrust dat het snel onder in een bureaula verdween. Jaren later zou het te voorschijn gehaald worden. In het rapport stond dat de organisatie inefficiënt was en overgegaan moest worden tot samenvoeging van de diensten Stadsontwikkeling en Gemeentewerken. En dat op een tijdstip waarop de rust nog maar goed en wel teruggekeerd was en het merendeel van de ambtenaren hun draai gevonden had.

Na de pensionering van het hoofd weg- en waterbouw werd de souschef tot het nieuwe hoofd van de afdeling weg- en waterbouw benoemd. Mede als gevolg van bezuinigingen werd de vacature van souschef definitief niet opgevuld en kwam te vervallen. De werkdruk voor – ons – opzichters ‘kapitaalwerken’ was niet groot. Bij de subafdeling ‘kapitaalswerken’ werkten vier opzichters met een chef. Voor het te verrichten werk was van meet af aan een rijkelijk toebedeeld aantal personeelsleden. Maar om chefke te spelen moest er wel speelgoed zijn. Een duidelijk voorbeeld dat een ambtelijke organisatie van nature de neiging heeft – zonder toename van werkzaamheden – uit te breiden. De aannemerij speelde handig op deze situatie in door pogingen te ondernemen mij en mijn collega’s voor vele hand en spandiensten in te zetten. Mijn weerstand hiertegen maakte mij binnen de aannemerij niet geliefd. Bij de eerste bezuinigingsronden en reorganisatieaanpassingen werd de personeelsformatie met één formatieplaats – 25 % – ingekrompen. In het ambtenarenreglement waren dit soort gevallen uitvoerig geregeld. Bij vermindering van werkzaamheden kwam voor overplaatsing of ontslag de laatst bijgekomen ambtenaar in aanmerking. Een regeling onder het hoofdstuk ‘verworven’ rechten met een obstakel voor een goed en sociaal personeelsbeleid. Als opzichter met de hoogste anciënniteit was overplaatsing bijna onmogelijk. Maar, zeg nooit, nooit. Enige pogingen tot overplaatsing naar de tekenkamer waren reeds ondernomen. Eventuele medewerking hiertoe was alleen bespreekbaar met een promotie en naar een functie die mijn ambitie had. Ik was niet bereid zomaar mee te werken aan een overplaatsing. Daarvoor was de functie van opzichter mij nog te lief. Het solistische en de zelfstandigheid van de functie bracht met zich mee, dat ik de tegenwerking van de leiding en in het bijzonder die van de ‘huisaannemer’ langs me heen kon laten gaan. Door zijn mond voorbij te praten, had de directeur van de ‘huisaannemer’ mij op tijd gewaarschuwd. Tegen het eind van een ‘feestelijk’ samenzijn – geholpen door alcohol – kwam hij amicaal naar mij toe. En vroeg hoe ik tegen mijn nieuwe functie bij de nieuw op te richten afdeling systematisch wegbeheer aankeek. “Daar weet ik niets van !” Het drong door dat hij wel eens een van de architecten van het plan tot deze overplaatsing kon zijn. Kwaad vermande ik mij en besloot op de kortst mogelijke termijn het afdelingshoofd om opheldering te vragen en te protesteren. Weer was bewezen dat de directeur van de ‘huisaannemer’ een dikke vinger in de pap had als het over het te voeren personeelsbeleid bij de afdeling weg- en waterbouw ging. “Ach zo’n vaart loopt het allemaal niet ! ” “Als u maar weet dat ik alléén op basis van vrijwilligheid een gesprek over het inkrimpen van het aantal opzichters wil praten.” Met een gespeelde onschuld zei het hoofd dat de ‘buitenwacht’ zich niet met het personeelsbeleid van zijn afdeling hoefde te bemoeien. En ik zag het helemaal verkeerd dat ‘hij’ dat bij de benoeming van de weg- en waterbouwkundig calculator ook al gedaan had. “Nee, als afdelingshoofd ben ik mans genoeg om dat zelf te regelen.” Persoonlijke gevolgen bleven niet uit. Een enkele ‘insider’ waarschuwde mogelijke sporen van een ‘notoire’ alcoholist te constateren. Ter geruststelling voor de ‘meelevende’ lezer, momenteel sta ik al van vóór de tweede helft van het laatste decennium uit de vorige eeuw ‘droog.’ Hieraan waren ervaringen opgedaan om te stoppen met roken debet. Ook hiervoor gold maar één remedie: radicaal eindigen. Een beetje stoppen ging niet. Binnen de kortste tijd zat je weer op het oorspronkelijke aantal van twee pakjes sigaretten per dag. Ter verzachting, met roken ben ik overgestapt op sigaren en pijp. En nu ontdek ik soms dat het al twaalf uur in de middag is en ik nog niets gerookt heb. Ja, ik weet het ! Maar je moet van twee kwaden de minst kwade kiezen. Voor zover je al iets te kiezen hebt !! Inspelend op de ontstane situatie, volgde korte tijd later de sollicitatie naar de functie van hoofd bureau woningtoewijzing. Niet vanwege het werk, maar meer door de spanningen die over en weer toenamen. Door vrijwillig te solliciteren was het wellicht beter zélf de ‘wijste’ te zijn en een opening te bieden. De functiebenaming hoofd deed meer vermoeden dan de functie inhield. Het betrof een cheffunctie van een klein afdelinkje – inclusief het hoofd – van 2½ formatieplaats. Ternauwernood een promotie te noemen. De personeelsconsulent had al laten blijken het een mooie oplossing te vinden. Dit gegeven wekte de verwachting dat – in tegenstelling tot bij de sollicitatie voor weg- en waterbouwkundig calculator – deze sollicitatie meer kans van slagen had. Maar door vakbond- en politieke activiteiten geëtiketteerd, liep deze sollicitatie ook op niets uit. Ik hield er toch het gevoel aan over een mogelijkheid tot een oplossing geboden te hebben.

Na weer een kort lidmaatschap bij D’66 stapte ik over naar de PvdA. Deze partijwisseling was het gevolg van het accepteren van de VVD van de gedoogsteun door D’66 voor het 1e kabinet van Agt, terwijl Hans van Mierlo vóór de verkiezingen beloofd had niet met de VVD te zullen samenwerken. En intussen was duidelijk geworden dat, als je écht bij de politieke macht betrokken wilde zijn en niet tevreden was met een beetje gerommel in de marge je voor één van de drie grotere partijen moest kiezen. Een keuze maken uit het CDA, VVD of PvdA, was voor mij niet moeilijk en hier hoefde niet lang over nagedacht te worden. Het werd uiteraard de PvdA. De gemeentesecretaris hield vanachter zijn bureau – door de openstaande deur van zijn werkkamer – de bewegingen naar de werkkamers van de wethouders goed in de gaten. Zo was het hem niet ontgaan, dat ik op een dag op het bureau van de PvdA wethouder een enveloppe legde. Bij een kort contact – in het weekend – waarbij ik om reactie vroeg, bleek dat hij een paar dagen niet op het gemeentehuis geweest was en hij raadde me aan om maandagmorgen zo snel mogelijk de brief van zijn bureau terug te halen. Omdat ik niet snuffelend achter het bureau van de wethouder betrapt wilde worden, was ik zo verstandig om aan een van de secretaresses van B. en W. te vragen met mij mee te lopen. Nog maar goed en wel op de kamer en op meters afstand van het bureau van de wethouder verwijderd, stond de gemeentesecretaris al achter ons. Tijdens de kortstondige afwezigheid van de PvdA wethouder had de gemeentesecretaris deze, met ‘persoonlijk’ onderstreepte, van een afzender voorziene en dichtgeplakte PvdA enveloppe geopend. “Ik kan niet weten hoelang de wethouder ziek is en of de brief spoedeisend is.” Dan had je altijd nog eerst met mij contact op kunnen nemen en had ik de brief naar het huisadres van de wethouder kunnen brengen, dacht ik achteraf. Anderzijds drong het door dat ik bij zo’n adrem antwoord op dat moment niet over genoeg moed beschikte om dat te zeggen. Daarvoor was de gemeentesecretaris te onvoorspelbaar, gevaarlijk en had te goede contacten met de directeur van de ‘huisaannemer’ zij waren in staat je te maken of te breken. Dat gemeenteambtenaren niet politiek actief mochten zijn, vond ik achterhaald. Zeker na gehoord te hebben dat mijn chef als lid van het CDA samen met de gewestvoorzitter/wethouder van het CDA en huidig burgemeester van Uden in een geluidswagen tijdens de verkiezingscampagne voor de gemeenteraadsverkiezingen door Roosendaal reed en van de gemeentesecretaris, evenals van de burgemeester, bekend was dat zij eveneens prominent lid van het CDA waren.

Uit de commissie functiewaardering kwamen de eerste resultaten naar buiten. De waardering van de opzichters werd voor een beloning in schaal 7 vastgesteld, een schaal boven de proefwaardering van schaal 6 van personeelszaken. Ook voor onze chef kwam een hogere schaal dan verwacht uit de bus. Hij vond dat de voormalige souschef voor dit resultaat wel op een etentje getrakteerd mocht worden. Principieel was ik het hier niet mee eens. Los van het financiële aspect, hoewel op sponsering door de ‘huisaannemer’ gerekend kon worden, bij dit etentje zou ik beslist geen acte de présence geven. ‘Leden van de commissie functiewaardering waren hiervoor ingehuurd,’ en ik vond het geen pas hebben om ze individueel voor hun werk te belonen. Vakbondswerk was en is een ‘hobby’, zoals meer mensen wel eens andere vreemde hobby’s er op na houden. Dat deed je of dat deed je niet. Door niemand werd je hiertoe gedwongen. Hooguit, kan er daarvoor een dringend beroep op je worden gedaan. De commissie voor medezeggenschap van de dienst gemeentewerken vroeg me om het voorzitterschap van de commissie op me te nemen. Dit voorzitterschap hield ondermeer in, dat om beurten met de directeur gemeentewerken de vergadering voorgezeten zou worden. Het opstellen van de vergaderstukken en de adviezen kwamen hoofdzakelijk van mijn hand en niet alléén omdat ik dit allemaal zo graag zelf wilde doen. Maar ook omdat de anderen zeiden dat ik dit goed kon en ze het ook gemakkelijk vonden. De lage werkdruk gaf mij voldoende ruimte om dit erbij te doen. Het bracht met zich mee dat ik als voorzitter geen voorstel of besluit ondertekende wat niet in unanimiteit of met bijna de grootst mogelijke meerderheid door de vergadering besloten was. Hiermee wilde ik voorkomen nog meer voer aan de geruchtvorming te geven, dat de commissie eigenlijk een éénmanszaak was. Zo riep advies over het organiseren van een zelfstandig bedrijfsbureau vanuit de ‘staf ‘ veel weerstand op. Benauwd – bij de gedachte alleen al – dat ze een stukje ‘macht’ in zouden moeten leveren. Toppunt van ergernis vormde het advies voor het aanstellen van een interim-directeur. Door het vertrek van de directeur waren wij als medezeggenschapscommissie bang dat er een leemte in het leidinggeven zou ontstaan. De commissie zag het op orde brengen van de organisatie als een mogelijke taak voor de interim-directeur. Het advies was op onverklaarbare wijze te laat voor de vergadering van B. en W.. Boze tongen beweerden dat het onnodig lang op het bureau van de gemeentesecretaris was blijven liggen. Zo kon het bij de besluitvorming geen invloed meer uitoefenen. En hoewel het college al anders besloten had, herriep zij in de volgende vergadering in aanwezigheid van de loco-gemeentesecretaris haar een week eerder genomen besluit en besloot alsnog tot het aantrekken van een interim-directeur. Hij kreeg als opdracht – naast de dagelijkse leiding – het verrichten van een organisatieonderzoek zoals in ons advies gevraagd. Mijn baas en de directeur van de ‘huisaannemer’ spraken afkeurend over de invloed op de besluitvorming door het advies van de medezeggenschapscommissie. Zichtbaar verheugd – als was het een persoonlijke overwinning – las ik het B. en W.- besluit in de vergadering voor en wees er tevens op dat een goed advies écht wel tot resultaat kan leiden. Met de interim-directeur werd in een constructieve en prettige werksfeer over de organisatieaanpassingen gebrainstormd. Het resultaat was – door tegenwind – magertjes te noemen. Nog voor de interim-directeur zijn werk mocht afmaken, was hij al weer verdwenen. De hevige competentiestrijd had tot resultaat dat er binnen de dienst van gemeentewerken weinig veranderde. Na het overlijden van het hoofd van de afdeling weg- en waterbouw – de voormalige souschef – als gevolg van een ernstige en slopende ziekte ontstond binnen korte tijd weer een vacature voor een afdelingshoofd. Mijn baas – chef afdeling ‘kapitaalswerken’ – werd tot hoofd van de afdeling weg- en waterbouw benoemd. Op een vreemde wijze heeft deze besluitvorming binnen B. en W. plaatsgevonden hebben. Naar verluidt, kwam de gemeentesecretaris op het laatste moment de B. en W.-vergadering binnenlopen met een aanvullend agendapunt. Er moest een nieuw hoofd weg- en waterbouw benoemd worden, uitstel kon dat niet dulden. Om twaalf uur belde de directeur van de ‘huisaannemer’ met de vraag of er al iets uit de B. en W.-vergadering bekend was over de benoeming van het nieuwe hoofd. Blijkbaar wist hij al voor de B. en W. vergadering, n.l. wat collegeleden nog niet wisten, dat er aanvullend een benoemingsvoorstel op de agenda geplaatst zou worden. ‘Binnenskamers’ was al uitgemaakt wie het nieuwe hoofd weg- en waterbouw zou moeten worden. De vacature van chef ‘kapitaalswerken’ werd wegens bezuinigingen niet opgevuld. Zo ontstond een situatie – zoals in Zundert – waarbij in de nieuwe organisatie de opzichters hiërarchisch onder het afdelingshoofd vielen, zonder souschef en chef ‘kapitaalswerken’.

Met de opgedane kennis van het systeem functiewaardering ging er bij mij opnieuw een belletje rinkelen. Door de uitbreiding van de gemeente Roosendaal & Nispen en de toename van het inwonersaantal – overschrijding van de grens van 60.000 – werd het salaris van de burgemeester automatisch verhoogd. In het reglement van functiewaardering werd de conversietabel aangepast omdat deze afgeleid was van het salaris van de meest verdienende ambtenaar. Door de nieuwe conversietabel was het aantal aan de opzichtersfunctie toegekende punten van de functiewaardering gelijk aan het maximum voor schaal 7, zodat er voor ons – opzichters – geen financiële wijziging in zat. Het wegvallen van twee echelons in de leiding moest bij een nieuwe functiewaardering een hoger puntentotaal geven. Slechts één punt was nodig om in schaal 8 te komen. Het moest mogelijk zijn om bij één van de 14 gezichtspunten een puntenverhoging te bereiken. Niet voor het eerst zag ik het voordeel – al was het op oneigenlijke gronden – van de Uitgebreid Genormaliseerde Methode in. Aan het aanvragen van een nieuwe functiewaardering wilde de afdeling personeelszaken meestal geen medewerking verlenen. Meerdere collega’s waren op dit idee gekomen. De gemeentesecretaris was een van hen. Na lang soebatten kon de afdeling personeelszaken er niet onderuit om de gewijzigde opzichtersfuncties opnieuw te laten waarderen. Wij kregen de opdracht zelf de wijzigingen in onze functiebeschrijving op papier te zetten. In het verleden werd dit door de personeelsconsulent gedaan. Onder het mom het te druk te hebben en wellicht schone handen te willen houden, liet ze vol gratie de beker deze keer aan haar voorbijgaan. De ingediende verzoeken tot aanpassing van een functiebeschrijving werden meestal terzijde gelegd. Vanwege mijn calculatiewerkzaamheden die ik tussentijds verrichtte was aan mijn functiebenaming opzichter de letter B toegevoegd. Met als argumentatie dat er te weinig gebeurde dat een wijziging in het aantal punten van de functiewaardering rechtvaardigde, kreeg ik er géén punt bij. Hoewel ik toch alleen al voor de factor kennis hoger moest scoren. Weer een duidelijk voorbeeld van onwil. Aangezien een gewaarschuwd man voor twee telt, adviseerde ik mijn collega’s niet overhaast te werk te gaan. Ik stelde een verklaring op, die inhield dat door het wegvallen van twee leidinggevenden – souschef en chef ‘kapitaalswerken’ – vooral de gezichtspunten kennis, zelfstandigheid, contact en gezag inhoudelijk veranderd waren. Deze verklaring werd door de collega-opzichters en het nieuwe hoofd van de afdeling ondertekend. Vooral het meeondertekenen door het afdelingshoofd was dé kracht die van de verklaring uitging. Maar tevens het grote probleem voor de afdeling personeelszaken. Het door hen steeds gebruikte argument van de uitgebreidheid van het functiewaarderingssysteem werkte nu averechts. De behandeling van de nieuwe functie in de functiewaarderingscommissie gaf als uitslag dat het puntenaantal en daarmee de salarisschaal ongewijzigd bleven. Gezamenlijk gingen wij hiertegen in beroep. De voorzitter van de beroeps- en bezwarencommissie opperde tijdens de behandeling van het bezwaar, om in ieder geval op ‘n enkel onderdeel tenminste één punt extra toe te kennen. Dít was nu het grote probleem, sprak de lichaamstaal van het hoofd personeelszaken-secretaris van de functiewaarderingscommissie – tijdens de zitting van de beroeps- en bezwarencommissie. Toekenning van één punt zou een bevordering naar schaal 8 tot gevolg hebben en een verstorend element op de evenwichtig en harmonisch opgebouwde uitkomsten van de reeks functiewaarderingen vormen. Het B. en W.-besluit luidde dat alles bij het oude bleef. Tegen het besluit was alleen beroep bij de ambtenarenrechter mogelijk. In de B.enW.-nota over de behandeling van het beroep in de beroeps- en bezwarencommissie schreef de functiewaarderingsdeskundige van de afdeling personeelszaken dat – bij een gang naar de ambtenarenrechter – wij voor ons beroep in het gelijk zouden worden gesteld. Omdat de anderen niet durfden, bleef er voor mij niets anders over dan alléén de zaak aan de ambtenarenrechter voor te leggen.

Na het indienen van het beroep ontstond grote beroering bij de afdeling personeelszaken en de gemeentesecretaris. Als noodgreep werd besloten aan de opzichters een vervangingstoelage voor het ontbreken van een chef ‘kapitaalswerken’ toe te kennen. Tevens voerde men – zonder enig overleg – de functie van chef ‘kapitaalswerken’ weer met terugwerkende kracht in. Niet afgeschrikt door deze ‘vondst’ handhaafde ik mijn ingediende bezwaar. Het achteraf toekennen van een vervangingstoelage was wél zo doorzichtig en had niets met functiewaardering te maken. Dit waren geen oplossingen. Maar als ik het ingediende bezwaar bij de ambtenarenrechter zou blijven handhaven, ontstond het volgende probleem. Bij toekenning van het bezwaar zouden mijn collega’s, die niet in beroep gegaan waren, ook automatisch in schaal 8 ingedeeld moeten worden. De – inmiddels – nieuwe burgemeester overlegde met de vakbondsbestuurder. Samen waren ze tot een ‘deal’ gekomen. “Als de bezwaarmaker in de vacature van hoofdopzichter/chef ‘kapitaalswerken’ benoemd zou worden, was hij dan bereid om zijn beroep bij de ambtenarenrechter in te trekken ?” Roomser als de paus was ik natuurlijk ook weer niet. Bij de nieuwe aangeboden functieschaal 10 – in plaats van de huidige schaal 7 – zou het mogelijk worden om af te zien van het halen van mijn gelijk bij de ambtenarenrechter. Wel jammer voor mijn collega’s, maar dan hadden zij ook bij de ambtenarenrechter een bezwaar moeten indienen en mij de kar niet alleen moeten laten trekken. De directeur vond toekenning van schaal 10 te hoog en stemde niet in met de gemaakte ‘deal’ tussen de burgemeester en de vakbondsbestuurder. De ‘buitenwacht’ bleek het met deze ‘deal’ ook niet eens te zijn ! Wie van beiden hier het meest mee oneens was, is mij nooit duidelijk geworden. Nu bleef er niets anders over dan het ingediende beroep bij de ambtenarenrechter te handhaven. Hij stelde mij op onderdelen in het gelijk. In de toelichting van het vonnis stond: “Dat hoewel door de ambtenarenrechter in functiewaarderingszaken slechts marginaal getoetst hoefde te worden, ze tot de vaststelling gekomen was dat er procedurefouten gemaakt waren. B. en W. werd opgedragen, rekening houdend met de toelichting van het vonnis, de functiewaardering over te doen en op basis hiervan een nieuw besluit te nemen. ” Daarnaast stond vermeld, dat mede vanwege de uitgebreidheid van het systeem van functiewaardering, deze op een consistente wijze uitgevoerd behoorde te worden. Het college van B. en W. voerde het vonnis op een wel zeer creatieve wijze uit. Zij bepaalde dat de opzichtersfunctie tot op het moment van de openstelling van de opnieuw ingevoerde functie van chef ‘kapitaalswerken’ in schaal 8 gewaardeerd moest worden. Na openstelling van de vacature waardeerde zij de functie weer terug in schaal 7. De argumentatie hiervoor was dat, door invoering van een hoofdopzichter/chef kapitaalwerken – op papier – er weer een echelon in de organisatie terug was. Met deze manoeuvre nam ik geen genoegen en tekende opnieuw beroep aan. Dit was het moment dat B. en W. inzag op een vreselijk oneigenlijke manier bezig te zijn. Het nieuwe hoofd personeelszaken belegde een bespreking met mijn vakbondsadvocaat. Overeengekomen werd dat de functie – met terugwerkende kracht – in 8 gewaardeerd zou worden. Het moment van ingang werd bepaald aan de hand van verrekening van de toegekende en reeds betaalde vervangingstoelage. Een werkwijze die kant nog wal raakte. Vervangingstoeslag had nu eenmaal niets met functiewaardering te maken. Maar gebroken onder de druk die op me uitgeoefend werd, moest ik wel akkoord gaan met de terugbetaling c.q inhouding van de duizenden guldens nabetaling Er was al weinig vertrouwen in het systeem functiewaardering maar deze handelwijze ontnam mij het nog weinig aanwezige vertrouwen. Dit bevestigde mijn mening dat er naar willekeur gehandeld kon worden. Niet met een gevoel van overwinning – een van onbehagen – probeerde ik de hele zaak zo snel mogelijk te vergeten.
De gemeentesecretaris was van mening, dat hij van schaal 15 ook wel naar schaal 16 zou kunnen bij een nieuwe functiewaardering. Hij had mij – lid van dezefde vakbond – al laten weten hiervoor zo nodig ook naar de ambtenarenrechter te zullen gaan. Vreemd te moeten ervaren hoe iemand van een jarenlange opponent plotseling in een bondgenoot kon veranderen zonder daarbij een spier op zijn gezicht te vertrekken. Ik realiseerde me opnieuw dat er geen groter belang was dan eigenbelang. Op welke gronden de gemeentesecretaris uiteindelijk zijn schaal 16 gekregen had, is mij nooit duidelijk geworden. Maar een gang naar de ambtenarenrechter bleef hem bespaard. Op zijn afscheidsfeest, vanwege het met de VUT gaan, zongen de burgemeester en wethouders op cabareteske wijze de scheidende gemeentesecretaris toe. Tijdens het refrein van deze parodie zwaaiden zij met een overwinningstrofee, uitgevoerd in de vorm van een zilveren schaal met het cijfer 16. De tekst en de afbeelding lieten aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij had zijn bevordering gehad. ‘En eerlijk is braaf,’ wellicht gegeven dit functie waarderingsysteem nog terecht ook ! De nieuwe gemeentesecretaris bleek een partijgenoot te zijn. En of dat de reden was weet ik niet, maar we gingen vriendelijker en opener met elkaar om. Tijdens een bespreking over de laatste reorganisatie grapte ik dat na de reorganisatie er thuis een tweehoofdige directie was. Bij hem was er thuis nog steeds een éénhoofdige directie en dat moest zo ook maar blijven.

Voor het PvdA-afdelingsblad waren door mij de vertrekkende en de nieuwe burgemeester geïnterviewd. Op een alleszins vriendelijke en hartelijke wijze verliepen deze vraaggesprekken. Tijdens het interview met de nieuwe burgemeester, midden in de beroepszaken van de functiewaardering zittend, voelde ik mij ietwat opgelaten. Mij op mijn gemak stellend zei hij dat die zaken niets met het interview te maken hadden. De oorspronkelijke afspraak voor het interview was al veel eerder gepland en vanwege zijn verhuizing naar Roosendaal verlaat. Ik maakte kennis met de jongste zoon van een voormalig K.V.P.-ministerpresident, burgemeester van Den Haag, getrouwd met een KLM-stewardess en enthousiast ballonvaarder. Beginnend als rijksambtenaar bij het ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne onder minister Vorrink, vervolgens bij het ministerie van financiën onder Duisenberg, was het nooit zijn bedoeling geweest om vakjurist te worden. “Schertsend noemde ik mijn werk toen: werken bij een papierverwerkende industrie. Dit in tegenstelling met het werk van een burgemeester. Hierbij heb je niet alleen met papieren en documenten te maken, maar vooral met mensen !”
Ik stelde vast bij de nieuwe burgemeester van Roosendaal met een ‘hoogst’ aimabel man, het zoontje van en een – in mijn ogen – zwak bestuurder te doen te hebben die in zijn functie van burgemeester/portefeuillehouder personeel en organisatie, als bestuurder wel erg vreemde, onverklaarbare en soms met het ontbreken van legitimiteit besluiten nam. Later zou dit verschijnsel zich nog meerdere keren voordoen. Zou het dan tóch waar zijn, dat de ‘vierde macht’ en de invloed van de ‘buitenwacht’ groter waren dan ik in mijn stoutste dromen had kunnen dromen. Zelfs het gemeentebestuur had weinig grip op de zaak en de rechter moest meer dan incidenteel corrigerend optreden.
3. Projectopzichter
De reorganisatie bracht met zich mee dat de functies van opzichters werden gesplitst in die van coördinatoren en projectopzichters van de afdeling weg- en waterbouw. Van meer dan een cosmetische verandering kon niet gesproken worden. Twee mooie nieuwe namen zonder noemenswaardige wijziging van functie-inhoud. Deze naamsverandering was de schaamlap om met terugwerkende kracht de toekenning van schaal 8 alsnog enigszins aannemelijk en verdedigbaar te maken. Mij viel de eer te beurt van de naam projectopzichter. De infrastructuur rondom het nieuwe winkelcentrum in hartje stad vormde het eerste project. De nieuwe reorganisatie – de tel was ik al lang kwijt – moest professioneel plaatsvinden. Het personeelsblad bevatte een spotprent voor de ambtenaren van de gemeente Roosendaal & Nispen met de tekst: ‘Reorganisatie is voor ambtenaren wat heroïne is voor drugsgebruikers…… Je raakt eraan verslaafd, maar het lost niets op.’ Hoe lang zou het duren voordat – na de nog niet afgeronde reorganisatie – de nieuwe al weer aangekondigd zou worden ? Lang zou deze niet op zich laten wachten. In den Haag was men druk bezig een gemeentelijke herindeling voor te bereiden. Voor wie en waarom nog snel een reorganisatie uitgevoerd moest worden, was mij niet duidelijk. Maar ze moest vóórdat de gemeenten Roosendaal & Nispen en Wouw één gemeente Roosendaal werd.

Om de professionaliteit en snelheid van deze reorganisatie te waarborgen, werd het hoofd personeelszaken hiervoor ‘ vrijgemaakt.’ Zij ging alleen maar met de reorganisatie aan de slag. Vanwege haar aanstaande vertrek uit Roosendaal was dit soepel te regelen. Een apart ingerichte kamer werd haar laatste werkplek binnen deze gemeente. Onze persoonlijke- en werkverhouding waren – ondanks mijn verschillende vakbondspetten en de perikelen rondom de functiewaardering – normaal te noemen. Collegiaal en vriendschappelijk gingen wij met elkaar om. Dit in tegenstelling tot mijn relatie met de directeur van de ‘huisaannemer.’ Deze werd stroever en slechter. Hier hielp geen smeerolie meer aan. Zo was mij ter ore gekomen dat hij bij de vorige gemeentesecretaris en de VVD-wethouder gemeentewerken – bij beiden vond hij een goed gehoor – over mij was gaan klagen. Vooral mijn politieke activiteiten vormden een storend element. Hiervoor was in mijn ogen geen reden. Twee keer had ik een klokje laten luiden. Één keer toen een gedeelte van een geluidswal – achterwege gelaten vanwege een nog in gebruik zijnde spoorwegovergang – nadat ze reeds uitgevoerd en afgerekend was, opnieuw voor een paar ton aanbesteed en betaald werd. Onder het voorwendsel dat hierdoor bij de hógere overheid subsidie – voor het aanbrengen van geluidswerende voorzieningen – ‘gevangen’ kon worden. Uit ‘Europa’ zijn ons inmiddels soortgelijke gevallen bekend. In het college van B. en W. werd hier door de meerderheid niet zwaar aangetild. Met dit extra geld en deze subsidie konden het kapitaalstekort voor het uitbreidingsplan wat gedrukt en leuke dingen gedaan worden. Het andere klokje luidde bij de overstap van de ene naar de andere soort verharding bij een wegaanleg. Nadat het werk door de gemeenteraad goedgekeurd en aanbesteed was, werd de in het bestek voorgeschreven klinkerverharding gewijzigd in een asfaltverharding. Zonder politieke goedkeuring kon ook hier gesproken worden van een ‘onrechtmatige’ daad. Zo ontstonden dilemma’s waarvoor ik me geplaatst zag. Over het begrip ‘klokkenluider’ is gelijktijdig met de affaire bij de E.E.G. met Paul van Buitenen, in de nota integriteit van het openbaar bestuur geschreven dat dit moest kunnen. Ik vond reeds toen dat er geen kwaad in stak om partijgenoten op zaken te wijzen welke in feite openbaar behoorden te zijn. Gelukkig merkte een van onze PvdA raadsleden dat de ‘asfaltlobby’ er ook in geslaagd was plannen te laten ontwikkelen om het kerkplein van het moederdorp Nispen te asfalteren. Hiertegen nam het partijgenootraadslid – gesteund door ‘bewonersinspraak’ – stelling zónder er met mij over gesproken te hebben. Gefluister dat ik hier een hand in had, werd door mij niet gehoord of voor kennisgeving aangenomen.
Aan interne sollicitaties deed ik niet meer mee, omdat hierover de uitkomst ‘gevoelsmatig’ voor mij bij voorbaat vaststond. Wel vond ik het jammer – nadat ik voorzichtig de PvdA wethouder gepolst had – geen steun voor een mogelijke overplaatsing naar de afdeling informatie en voorlichting van het hoofd personeelszaken kreeg. Mogelijk had ook hier de gemeentesecretaris een hand in. Deze overplaatsing had veel narigheid kunnen voorkomen. Op de eerste plaats ging het niet over de capaciteitsvraag, maar men vond mij voor deze functie ‘te gekleurd’ met wellicht een te hoog rechtvaardigheidsgevoel. Voor het gewestblad van de PvdA had ik een interview met Herman Tjeenk Willink geschreven. Hieraan moest ik denken bij het horen dat het voormalige hoofd personeelszaken met de nieuwe reorganisatie belast werd. In mijn interview werd de op dat moment kandidaat-voorzitter van de Eerste Kamer als een Pim Fortuin van de jaren zeventig uitgebeeld. Lichtelijk verstoord reageerde hij hierop met; “Hoewel hij (Pim Fortuin) intelligent en soms origineel is, vind ik dat hij te weinig heeft nagedacht en te modieus praat over de overheid en haar toekomst. Afslanking, privatisering en ontbureaucratisering zijn zaken die goed scoren, maar alle zaken die daarop gericht zijn geweest, hebben tot nog toe weinig opgeleverd. De overheid is geen bedrijf. De politiek stelt zijn eisen. Bureaucratie heeft ook voordelen (geen willekeur van individuele ambtenaren). De burger is meer dan klant. De recepten van de afgelopen jaren hebben niet gewerkt. En wat Pim doet, is niet kijken wat daarvan de oorzaken zijn maar hogere doses van hetzelfde recept voorschrijven.”
Ik had de projectleider van de reorganisatie het interview al eens laten lezen Op mijn vraag of – omdat zij de kar van de reorganisatie ‘alleen’ ging trekken – zij zich nu als een ‘Pim Fortuin’ of als een ‘Herman Tjeenk Willink’ ging ontplooien, antwoordde zij glimlachend hierover nog eens goed te zullen nadenken. Persoonlijk kwam ze na een paar dagen – breedlachend – haar reactie in een enveloppe overhandigen.
‘Indien ik werkelijk als Fortuin zou redeneren, kan ik op basis van dit artikel de formatie nog eens echt bijstellen,’ Dit stond op de kopie van het artikel ‘Achternaar’ van Maaike Helder uit het blad Binnenlands Bestuur geschreven. In dit artikel vertelde Maaike Helder over haar bezoek aan een loket waarbij ze waarneemt dat achter het loket een lokettiste zit. Met daarachter een individu die er niets mee te maken heeft. Een ambtenaar, die de zaak in de war stuurt door onophoudelijk met de beambte te kletsen. “Soms doen ze of ze helpen, maar ze helpen niks. Soms doen ze of ze de baas zijn, maar ze zijn de baas niet. Het is gewoon iemand die zich verveelt en daarom jou en je lokettist komt vervelen met mopjes, vraagjes of fluisteringen.” De in haar handschrift bijgeschreven opmerking – in relatie tot het artikel – liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Mag ze dan niet in de gelegenheid geweest zijn om de formatie écht bij te stellen, de opdracht – nog voortvloeiend uit het diep onder in een bureaula opgeborgen rapport van het adviesbureau Berenschot – de fusie tussen de diensten stadsontwikkeling en gemeentewerken te realiseren, heeft ze als een ‘mannetjesputter’ uitgevoerd.

Het nieuwe hoofd personeelszaken – daarvoor plaatsvervangend – was geen onbekende voor mij vanuit mijn functie van voorzitter van de commissie medezeggenschap en lid van de commissie voor het ‘georganiseerd’ overleg. Hij zei dat rechtvaardigheid hoog in het vaandel van de nieuwe afdeling personeelszaken zou komen staan. Wat zou hiervan uit komen ? Hoeveel wisselingen van burgemeesters, directeuren, hoofden van afdelingen en chefs had ik al meegemaakt ? Allemaal beloofden ze verbeteringen. Maar wat bleef er van die beloften en goede voornemens uiteindelijk over of werd daadwerkelijk uitgevoerd ? ‘Velen deden een plas en alles bleef zoals het was.’ Ik ging initiatieven ontplooien om tot het invoeren van een ideeënbus te komen. In het bestuursakkoord bij het aantreden van het nieuwe college was dit onderwerp door de PvdA-wethouder ingebracht. In een vergadering van het ‘georganiseerd’ overleg moest ik – ver over de helft van de bestuursperiode – vragen hoe het met de invoering van de ideeënbus stond. “Oh ja, daar was men druk mee bezig, lang zou het niet meer duren.” Het nieuwe hoofd personeelszaken zou hierin het voortouw nemen. Erg gelukkig was ik daar niet mee, want hij straalde niet uit hier nu eens enthousiast aan te gaan werken. Op zijn zachts gezegd: hij zag niet veel in het instellen van een ideeënbus. Bang voor onnodige onrust binnen de organisatie én dat er vingers op gevoelige plekken gelegd zouden kunnen worden. Voor hem en zijn afdeling ook alleen maar extra werk. Al was het niet van harte, de ideeënbus met haar eigen commissie werd ingesteld. Namens de vakbonden nam ik zitting in de commissie. Per slot van rekening was het bijna mijn geesteskindje, door er jaren aan te blijven trekken om het ingevoerd te krijgen. Elk ingediend idee moest aan een zorgvuldig onderzoek worden onderworpen en op z’n merites worden beoordeeld. Daarna kon de commissie zeggen het wel of niet een goed idee te vinden. Maar de commissie kon niet beslissen dat een idee ook uitgevoerd werd. Dit was uiteraard de bevoegdheid van B. en W.. Gelet op het grote belang dat goede ideeën ook werden uitgevoerd, zou hiervoor een gedragslijn ontwikkeld worden. Mijnerzijds vol hoge verwachtingen kon de commissie van start.

Achteraf gezien had deze start met een goede voorlichting en promotie beter begeleid moeten worden maar door enthousiasme verblind, ontdekte ik dit te laat. Eigenlijk hadden de voorzitter en secretaris ‘die aan de touwtjes trokken,’ hiervoor moeten zorgen en behoorde dit niet tot de mogelijkheden van de individuele leden. Aan het aantal ingediende ideeën heeft het in het begin niet gelegen. Jammer, dat veel ideeën een hoog koffieverbeteringgehalte hadden en er weinig plannen tot verbetering van de bedrijfsvoering bij zaten. Een tweetal ideeën staken hier echter met kop en schouders boven uit.
Het eerste was het voorstel om in de gemeentelijke organisatie over te gaan, tot het invoeren van de functie centrale-inkoper. Deze functionaris moest professioneel centraal in gaan kopen en daarmee hogere kortingen bedingen
Het tweede idee ging over het gelijktijdig en tijdig afleveren van g.f.t.- en papiercontainers bij nieuwbouwwoningen. Dit afleveren gebeurde nu pas als – door de toekomstige bewoners – hiervoor een verzoek ingediend was. Voorgesteld werd, de op te leveren woningen vóór de sleuteluitreiking van de benodigde containers te voorzien.
Wellicht door mijn technische en minder bureaucratische achtergrond stelde ik vast, dat bij behandeling van de ingediende ideeën er toch iets pragmatischer te werk gegaan mocht worden. Of kwam het doordat dit project van de ideeënbus per se moest slagen om de mogelijkheid te scheppen mee te denken aan het bedrijfsmatiger maken van de organisatie en er tegelijkertijd een meer open en transparante organisatie zou ontstaan ? In het personeelsblad wilde ik – ter promotie van de ideeënbus – zo snel mogelijk een column onder de titel ‘Creatief bezien’ starten. Hierin zou verslag gedaan worden over de ingediende en gehonoreerde ideeën. De commissie stemde met mijn ‘idee’ in om de ideeënbus alsnog op deze manier onder de aandacht te brengen. Dwingend stelde de secretaris van de commissie dat deze artikelen slechts geplaatst zouden worden ná overleg met de voorzitter. ‘Over koudwatervrees gesproken !’ Ik stuurde mijn stukjes ‘trouw’ ter kennisname aan de voorzitter. Buiten de opmerking aan het begin van een vergadering – “aardig stukje” – heb ik er geen enkel commentaar opgekregen. Het was in mijn ogen allemaal zo bureaucratisch. Ik besefte wel, om met de woorden van Tjeenk Willink te spreken, dat dit moest ter voorkoming van de willekeur van een individuele ambtenaar. Wanhopig, vanwege het achterwege blijven van een groots succes, vroeg ik om informatie bij andere gemeenten over hun ervaring en het verloop van hun ideeënbusproject. Uit de antwoorden bleek dat bij meerdere gemeenten de ideeënbus door bloedarmoede een stille dood gestorven was of op andere plaatsen hiermee bezig was. In mijn laatste column deed ik nog een vertwijfelde oproep. Maar zonder steun bekroop mij het gevoel aan een dood paard te trekken en dat hou je niet lang vol, althans ik niet !

De nieuwe organisatie begon langzaam gestalte te krijgen en dit bracht nieuw leven in de brouwerij. Gemeentewerken was als dienst omgevormd in een hoofdafdeling. Dit alles zou maar voor korte tijd zijn. Na de gemeentelijke herindeling stond een nieuwe reorganisatie op stapel met het personeel van de gemeente Wouw ‘ingepast.’ Maar dat zou nog een paar jaar duren. Zo konden de huidige ambtenaren zich de nieuwe organisatie nog eigen maken.
De eerste kennismaking met het nieuwe hoofd van de hoofdafdeling was hartelijk. Van de PvdA wethouder uit zijn vorige gemeente had hij gehoord dat een van zijn toekomstige medewerkers in het gewestbestuur van de PvdA zat. Als gewestelijk secretaris wist ik direct wie de boodschapper was. Met mijn collega-bestuurder – momenteel burgemeester van Geertruidenberg – had ik nog niet over mijn nieuwe baas gesproken. Bij eerste indruk zat het wel goed, er werd getutoyeerd en voornamen gebruikt, terwijl mijn directe chef mij verweet dat ik geen afstand naar de aannemerij hield door me met mijn voornaam aan te laten spreken. Wellicht mede door deze familiaire opstelling die ik van één van mijn hoogste bazen – begin negentiger jaren binnen een ambtelijke organisatie – niet verwacht had, maakte ik een grote blunder met, “maar mensen van onze leeftijd.” Ho, ho , dat was helemaal fout. Hij gaf aan tien jaar jonger te zijn. Waarschijnlijk had zijn forse gestalte van 1,85 m en door de 100 kilo voor mij – opneukertje van 1,70 m. en geen 75 kilo – parten gespeeld tot het maken van deze inschattingsfout. Na onze tweede ontmoeting was er van mijn eerste indruk – wederzijdse sympathie – niet veel meer over. Hij bleek door de ‘buitenwacht’ bijgepraat te zijn van mijn standpunt over de wijze van aanbesteden en het feit dat ik bij de ‘huisaannemer’ er uit lag. Hoewel in zijn woonplaats raadslid voor het CDA, vroeg hij mij politiek gas terug te nemen. ‘Het aanbestedingsbeleid behoorde niet tot mijn werkzaamheden.’ Als onze PvdA wethouder hier een bepaalde visie – in de lijn van ons verkiezingsprogramma – erop nahield en deze ondanks de tegenwind probeerde uit te voeren, dan kon mij dát toch moeilijk aangerekend worden. Hij waarschuwde mij reeds vijf jaar voordat het voor mij aan de orde was: “Als ze je kwijt moeten dan ga je toch en als er gekozen moet worden tussen een hogere en lagere ambtenaar zal er altijd voor de hoogste op de hiërarchische ladder gekozen worden en de laagste het onderspit delven.” Op dat moment ontging mij de diepere betekenis van zijn opmerking. Ik realiseerde me onvoldoende dat er allerhande pogingen ondernomen werden om ‘een stok te zoeken om mij te slaan’ en vervolgde op mijn hoede voor een verwijtbare gebeurtenis onveranderd mijn druk bezette leventje. Tijdens onze zilveren bruiloft kwam mijn nieuwe baas ook naar de receptie. Hij zei – min of meer verontschuldigend – geprobeerd te hebben de wethouder mee naar de receptie te krijgen. Maar, zo had hij begrepen, de huidige en vorige PvdA wethouder waren voor ’s avonds op het feest uitgenodigd. Dat beiden met partners uitgenodigd waren, kwam omdat wij mede vanuit ons PvdA-lidmaatschap op politiek vriendschappelijke wijze met elkaar omgingen. Mijn vrouw en ik hadden besloten, geen collega of aannemer voor ’s avonds bij het feest uit te nodigen.

Om dezelfde reden, feestvieren doe je bij uitstek met goede vrienden, had ik besloten rondom mijn 25 jarig ambtsjubileum – ambtenaar bij de gemeente Roosendaal & Nispen – geen festiviteiten te laten plaatsvinden. Als de door de gemeente aangeboden receptie doorgegaan was, wist ik mij verzekerd van mooie ‘enveloppen’ van vele aannemers en leveranciers. Weloverwogen hadden wij besloten het zilveren ambtsjubileum in een kleine familie- en vriendenkring van een tiental personen te vieren. Heel terecht, zoals later bleek. Buiten het gebruikelijke bloemstuk en het – reglementair – extra maandsalaris van het college waar we o.a. een eiken boekenkast voor kochten om er toch iets tastbaars aan over te houden, ontving ik slechts van het plaatsvervangend hoofd personeelszaken – de latere adviseur arbeidsaspekten – een ferme handdruk met felicitatie daags na 1 mei. Dit was voorafgaand aan een vergadering van de commissie voor het bijzonder ‘georganiseerd’ overleg. Zonder uitgebreide festiviteiten schijnt een felicitatie niet in de lijn te liggen. Nu lag ik daar niet wakker van, maar een jubilerende collega met of zonder receptie zou door mij gefeliciteerd worden. Het blijft natuurlijk discutabel of 25 jaar bij één baas nu wel of geen prestatie en felicitatie waard is, maar toch ! Anderzijds zou je het met mijn actieve, in beginsel principiële en politieke opstelling weer wel als een prestatie kunnen beschouwen. Ik was en bleef – geheel in de PvdA lijn – voorstander van openbaar aanbesteden en stak dat ook niet onder stoelen of banken. Van dat ‘oude jongens krentenbrood’ gedoe was ik niet gediend. Ook was het voor mij en mijn vrouw niet nodig naar etentjes van opleveringen of voetbalwedstrijden te gaan. Om een treffend voorbeeld te geven; ‘een bus vol ambtenaren en werknemers van bij de gemeente werkende aannemers vertrok naar Polen voor de kwalificatiewedstrijd van het W.K. ‘94 Polen–Nederland.’ Dankzij of ondanks mijn afwezigheid werd de uitslag Polen – Nederland 1 – 3 en mocht Nederland op het nippertje aan het WK ’94 deelnemen. Mijn nieuwe baas was ook van de partij. Een oud-PvdA-wethouder waarvan bekend was dat hij bijna nooit de dienstauto gebruikte omdat hij volgens zijn gevleugelde woorden wel op zijn ‘ezeltje’ ging, reageerde met. “ Ik zou met de fa. Hoefnagels – plaatselijke busondernemer – gegaan zijn als ik zó nodig naar Polen-Nederland moest ! ” Anderzijds was de politiek ook niet vies van ‘snoepreisjes.’ De inkt op een eerste blauwdruk van het HSL-tracé met twee varianten buiten Roosendaal om was nog niet droog of een raadsdelegatie vergezeld van ambtenaren was er als de kippen bij om naar Frankrijk af te reizen voor een ritje naar Bordeaux met de HSL en in Parijs een bezoek aan Montmartre. Maar ook hier stonden tussen droom en daad wetten van politieke signatuur. Terwijl het PvdA Tweede Kamerlid Frits Castricum zijn partijgenoten op de lijn Roosendaal-Willemstad tot bedaren probeerde te brengen, was de Bredase VVD-burgemeester Ed Nijpels in Den Haag aan het lobbyen om het HSL-tracé richting Breda te verleggen. ‘Als een kar met appels voorbijrijdt valt er wellicht een appeltje af !’ Met de mond beleden veel gemeentebestuurders ‘laat de kelk van de HSL’ aan ons voorbijgaan. Maar tegelijkertijd realiseerden zij zich dat de aanleg van de HSL door hun gemeente een ‘goedkope’ verbetering van de infrastructuur tot gevolg had. Zo had Hanja May-Weggen – tijdens een helikoptervlucht boven het geplande tracé – als doekje voor het bloeden Roosendaal een aansluiting voor het nieuwe industrieterrein op de Rijksweg 17 toegezegd. Uiteindelijk was het niet verwonderlijk dat het tracé niet langs de ‘spoorstad’ Roosendaal maar langs de ‘parel van het Zuiden’ Breda kwam te liggen, wellicht omdat Ed Nijpels in Den Haag betere ingangen had.

Intussen had de regering in het kader van de gemeentelijke herindeling besloten om de gemeente Roosendaal & Nispen met de gemeente Wouw samen te voegen. De reorganisatieverslaafden hoefden niet naar een afkickcentrum. Nadat in de Tweede Kamer het besluit genomen was om de twee gemeenten bij elkaar te voegen, kon met een nieuwe reorganisatie begonnen worden. De bestuurlijke contacten met politiek en vakbond maakten mij er niet geliefder op en werden als ‘bedreigend’ ervaren. Een overschrijding van het krediet met vele tonnen voor de reconstructie van een gedeelte van de ringweg rondom het centrum van de stad – bij het nieuwe winkelcentrum – moest machteloos met lede ogen aangezien worden. De PvdA-wethouder overleefde een motie van wantrouwen ternauwernood. Door ‘sorry, samenloop van omstandigheden’ en een onderzoek toe te zeggen, kon zij een politieke moord voorkomen en haar politieke lijf redden. Maar de echte ‘schuldigen’ bleven buiten schot. Het onderzoek uitgevoerd door een duur extern bureau leverde ‘een doofpot’ op en er hoefden geen koppen te rollen. Toch gloorde er weer hoop aan de horizon met de start van de reorganisatie. ‘Cultuuromslag’ was de toverformule en van nu af aan zou er een frisse wind gaan waaien. De waarschuwing werd afgegeven om niet in ‘beerputten’ te gaan roeren. Echter, ik wilde er niet in gaan roeren maar ze alleen leeg maken. Dat mocht niet, want zou véél en té lang stank geven. “Die stank waait vanzelf over,” opperde ik, maar kreeg als antwoord, “gewaarschuwd te zijn ! ” Voor deze reorganisatie werd een bijzonder ‘georganiseerd’ overleg met bijzondere bevoegdheden zoals instemmingsrecht samengesteld. De burgemeesters van de samen te voegen gemeenten voerden een duovoorzitterschap over de commissie. Voor de meeste Roosendaalse ambtenaren was de Wouwse burgemeester niet erg bekend. Hij had de reputatie van een gepokt en gemazeld politiek dier en goed onderhandelaar te zijn. Dit had hij overgehouden aan zijn jarenlange ervaring als CDA gemeentelijk- en provinciaalbestuurder. Maar de vakbondsafgevaardigden wilden voorkomen dat hij met kwinkslagen de kachel aanmaakte.

Zoals de naam al zei, dit was een bijzonder ‘georganiseerd’ overleg waarop de Wet Algemene Regels Herindeling (Wet Arhi) van toepassing was. Hierin stond ondermeer, dat door het bestuurlijk overleg – gezamenlijke colleges van B. en W. – geen besluiten, noch voorstellen daaromtrent worden gedaan dan nadat daarover in de commissie overeenstemming was bereikt. Hieraan ontleende de commissie haar bijzondere status. Het Sociaal Statuut , de inpassing- en bezwarenprocedure, rechts- en bezoldigingsregels en het functiewaarderingssysteem waren onderwerpen waarover ondermeer overeenstemming moest worden bereikt. Terecht werd veel tijd besteed aan het opstellen van het Sociaal Statuut met zijn regelingen voor overplaatsingen, vervroegd uittreden e.d.. Geen gedwongen ontslagen bleef het uitgangspunt. Mocht een ambtenaar niet direct te plaatsen zijn, dan werd deze voor de duur van het Sociaal Statuut – 2 jaar – bovenformatief geplaatst. Door een herplaatsingscommissie zou alsnog een plaats binnen de formatie gezocht worden. Vergelijkingsmateriaal van reorganisaties bij gemeenten, provincies en waterschappen kwam boven tafel. Uit al die regelingen wilden wij de krenten uit de pap. Daar waren we uiteindelijk ook voor ‘ingehuurd.’ Op een gegeven moment wordt het dan toch een kwestie van onderhandelen, een zaak van geven en nemen. Al met al kwam er een Sociaal Statuut tot stand waarover ook de achterban redelijk tevreden was. De inpassing- en bezwarenprocedure leverden weinig problemen op. De problemen lagen bij de nieuwe organisatieopzet en het functieboek. Bij de nieuwe organisatie was gekozen voor het sectorenmodel. Welzijn, Bestuurszaken en Stadsontwikkeling en -beheer met hoofdafdelingen waren de drie nieuwe sectoren die overbleven. Hiermee verdwenen veel afdelingen met hun leidinggevenden (chefkes). Zowel intern van collega’s als van een extern adviesbureau bracht het nieuwe organisatiemodel veel kritiek met zich mee. De afstand tussen sectorhoofden en de werkvloer zou te groot zijn. Vanwege tijdsdruk was er ook geen tijd om alle functies nauwkeurig te beschrijven. Met de methode van de Uitgebreid Genormaliseerde Functiewaardering stond dit op gespannen voet. Vele schorsingen en uitgestelde vergaderingen waren het gevolg. Na een emotioneel en langdurig betoog van de voorzitters over het vertrouwen dat partijen in elkaar moesten hebben, de voortgang van het proces en de onmogelijkheid om collega’s langer onnodig op de proef te stellen gaf de werknemersdelegatie uiteindelijk de werkgeversdelegatie het voordeel van de twijfel. Aan dit positief advies hield ik een onprettig gevoel ‘van vuile handen’ gemaakt te hebben over. De meeste functiebeschrijvingen bevatten slechts een uit 7- of 8- tal regels bestaande werkbeschrijving met voornamelijk trefwoorden. Samen te vatten onder het hoofdstuk ‘kretologie.’ Om nog maar niet te spreken over de veramerikanisering van de nieuwe organisatie en haar functies. Senior- en juniormedewerkers waren als benamingen nog wel te vatten. Concern-controller, datamanager-informaticus, mdw geograf.infovoorz./DTP-mdw waren functiebenamingen waaraan bijna geen touw aan vast te knopen was. Hoe kon hier een uitgebreid genormaliseerde methode van functiewaardering op toegepast worden ? Wat was er over van de beloofde toepassing van het uitgebreide, eerlijke en integere systeem functiewaardering ? De beoogde burgemeester van de nieuwe gemeente Roosendaal was er alles aan gelegen dat de onderhandelingen in pais en vree zouden verlopen. De operatie was – volgens de afgesproken inspanningsverplichting – zonder directe ontslagen verlopen. Achteraf moesten een paar ‘vuiltjes’ weggewerkt worden. Ook voor verschillende collega’s begon het te lang te duren. Na een grondige studie van de functieboeken met proefwaarderingen – waaraan geen rechten konden worden ontleend – mocht een drietal functies op een inschrijfformulier in volgorde van voorkeur worden opgeven. In het Sociaal Statuut stond in ieder geval de garantie opgenomen dat behoud van verkregen rechten gewaarborgd bleven bij het toegewezen krijgen van een lager gewaardeerde functie. Na functioneringsgesprekken zou aan het einde van het jaar een personeelsbeoordeling gemaakt worden en de herplaatsingscommissie zich over de mogelijke probleemgevallen buigen. Daarnaast was overeengekomen dat alle functies op de kortst mogelijke termijn definitief – volgens het oude functiewaarderingssysteem – werden gewaardeerd. Na deze operatie zouden voorbereidingen getroffen worden voor invoering van een nieuw functioneringssysteem. Dit moest met de nieuwe O.R. geregeld worden.

Na 25 jaar buitendienst wilde ik, mede vanwege mijn fysieke gesteldheid als jonge ‘Abraham,’ wel ander werk en ging op zoek naar mogelijk ‘rustige’ technisch-administratieve bureaufuncties. Ik wilde af van de opzichtersfunctie met veel loopwerk of in het ‘Wijchens’ dialect gesproken, veel werk dat ‘lopus’ gedaan moet worden. Tot mijn eigen en nagenoeg ieders grote verbazing kreeg ik een benoemingsbrief als ‘medewerker begraafplaatsen’ – team programmering – per post toegestuurd. In ieder geval een functie met een welhaast ‘dodelijk’ uitstralende rust. Geen functie welke ik als voorkeur opgegeven had. De hoogte van de, voorlopig vastgestelde functieschaal was gelijk aan de schaal 8 die ik op dat moment als projectopzichter vervulde. De vermelde functie-eisen spraken op onderdelen over hbo-niveau. Daarmee dacht ik goed te zitten. Mijn baas vroeg of ik tevreden was met de nieuwe bureaufunctie. “Als er van gemaakt werd wat hij voor ogen had, behoorde de functie bij de definitieve functiewaardering functioneel in schaal 9 gewaardeerd te kunnen worden.” Met deze uitspraak én het feit dat de functies van teamleider en afdelingshoofd bij een en dezelfde persoon ondergebracht waren, dacht ik – een echelon minder – goed weggekomen te zijn. Er mocht tussen ons beiden dan wel sprake van belangentegenstelling zijn, een onverenigbaarheid van karakters was er niet. Beiden waren we behoorlijk, om niet te zeggen erg ambitieus. Dat botste wel eens extra en vormde soms een bedreiging voor elkaar.
De samenvoeging van de gemeenten bracht tevens een vermindering van functies in vertegenwoordigende organen voor de vakbonden met zich mee. Door de leden werd ik als voorzitter voor de groep gemeenteambtenaren van de nieuwe afdeling gekozen. In mijn dankwoord – voor het vertrouwen – kondigde ik aan, het nieuwe voorzitterschap voor de duur van maximaal twee jaar te aanvaarden. Na ongeveer 20 jaar als lid van de commissies van het ‘georganiseerd’ overleg, de commissie voor medezeggenschap en bijna 25 jaar verschillende bestuursfuncties was voor mij het tijdstip aangebroken om mijn vakbondsactiviteiten verder af te bouwen. Lid van de functiewaarderingscommissie zou – naast mijn tweejarig voorzitterschap – mijn laatste vakbondsfunctie worden. De overige vakbondsfuncties moesten door de ‘jongere garde’ ingevuld worden. Deze opmerking had ik zonder daar gevolg aan te geven, al eerder uitgesproken maar nu voegde ik er aan toe dat mijn besluit definitief was. Door het ‘relatief’ groter aantal jongere leden in de nieuwe situatie zou dit ook makkelijker te verwezenlijken zijn. Het reservoir van de vakbondsafgevaardigden uit de twee ‘oude’ gemeenten bleek ruim voldoende voor het bemensen van de verschillende ‘organen’ met vakbondsafgevaardigden Eveneens met enige weemoed zette ik ‘vrijwillig’ na 25 jaar een punt achter het opzichterswerk. Het werk waaraan ik – met al zijn ups en downs – vergroeid was en dat ik toch ook met plezier gedaan had. Mijn nieuwe werkplek per 1 jan. 1997 bevond zich in een nieuw kantoorgebouw aan de andere kant van de Markt – hemelsbreed op een afstand van 30 m. – waar ik 27 jaar daarvoor op de zolderverdieping van het reeds gesloopte herenhuis, als tekenaar bij de afdeling weg- en waterbouw bij de dienst Gemeentewerken van de gemeente Roosendaal & Nispen begonnen was.

4. ‘Medewerker Begraafplaatsen’.

Op donderdagmorgen 2 januari 1997 verzamelden alle ambtenaren met het college van B. en W. zich in de hal van het stadskantoor om elkaar nieuwjaar te wensen. Tot voor enkele jaren vonden deze happenings ’s middags om vier uur plaats en kwam een klein gedeelte van de goegemeente vanaf vijf uur binnendruppelen. Met menig collega werden hier bijzonder plezierige herinneringen aan overgehouden. ‘Te gezellig,’ naar de mening van het college vanwege een enkel incident. Zo besloot men tot een andere opzet. De nieuwe – om negen uur beginnende – bijeenkomst begon ook al bijna traditionele vormen aan te nemen: de nieuwjaarstoespraak van de burgemeester en uiteraard het kopje koffie met cake. Met de nieuwe wethouder – de enige uit de ‘oude’ gemeente Wouw – werd kennisgemaakt. Een vriendelijke man – lid van de ‘Vrije lijst’- waarvan het verhaal ging dat hij met zijn ambtenaren nooit problemen had. ‘Laten we het vooral samen doen,’ was zijn devies. Je moest het nogal bont maken om met hem in de problemen te komen. Hij vond nagenoeg alles goed, zolang er maar geen mensen op zijn spreekuur kwamen klagen over zaken die binnen zijn portefeuille vielen. Buiten het bekende ritueel stond een speciaal punt op het programma. Het onthullen van het nieuwe gemeentelogo. Beduusd, keek menig collega naar het nieuwe logo. Een gebogen groene streep waarlangs 6 rode stippen, voorstellende; de stad met de vijf kerkdorpen van de nieuwe gemeente Roosendaal. Zo trots als een pauw lichtte de burgemeester het nieuwe logo toe. De groene streep symboliseerde de vele natuur in de nieuwe gemeente met in grootte aflopende rode stippen, de zes woonkernen van de gemeente. Een logo voor de nieuwe natuurrijke en dynamische gemeente. Velen misten de zo vertrouwde roosjes. In verschillende logo’s waren ze eerst op natuurlijke, later in moderne en abstracte vorm uitgebeeld. Máár het waren en bleven de roosjes van Roosendaal. Nu een logo dat op het eerste gezicht niets met de gemeente Roosendaal had. Modern was het ongetwijfeld maar niemand hield er een enthousiast en warm gevoel aan over. Zo leek het ook moeilijk voor te stellen dat de burgemeester als ‘oud’ Hagenees niet zou schrikken van een Haags gemeentewapen zonder ooievaar. Je zult er nog aan moeten wennen dacht ik, verder nieuwjaar wensend, koffie drinkend, debatterend over het logo en een uur later naar het kantoor op de Markt slenterend. In mijn nieuwe kantoor stonden schots en scheef verschillende bureaus met vele verhuisdozen. Tussen Kerst en Nieuwjaar waren die van het Stadskantoor naar het kantoor op de Markt verhuisd. Mijn baas had een kamerindeling gemaakt. Ik was – als eenling – ingedeeld op een kamer met vijf collega’s die als voornaamste taak het beheer van wegen, riolering en straatverlichting hadden. Geheel los van de personen en hun werkterrein was ik verre van gelukkig met mijn nieuwe werkplek. Getoetst aan de arbeidsomstandighedenwet zou ze afgekeurd moeten worden. Het was erg krap en ademde een bedompte atmosfeer uit. Om toch iets van ‘frisse’ lucht binnen te krijgen, moest de gangdeur opengezet worden. Met mijn bureau naast de open gangdeur kreeg ik het gevoel – voor straf – op de gang te zitten en dat iedere voorbijganger over je schouder meekeek. De buitentemperatuur – begin januari – was er niet naar om een raam open te zetten. Als een van de eersten had ik mijn werkplek ingericht. Met de inhoud van mijn vorige bureau, mijn eigen computer en printer van mijn oude werkplek was het snel mogelijk met werken te starten. Door mijn ‘stand alone’ computer hoefde niet op de netwerkaansluiting gewacht te worden, waarvoor een kabelaansluiting met het Stadskantoor gemaakt werd. Door de vorst was het niet mogelijk deze kabel te leggen en zou het nog maanden duren voordat dit alles gereed was. Gelukkig waren de telefoonaansluitingen wel op tijd geregeld en kon contact met de buitenwereld onderhouden worden. Goedwillend liet ik collega’s af en toe op mijn computer werken voor het schrijven van een briefje dat met spoed weg moest. Verder ging iedereen verder met de verhuisdozen uitpakken, inrichten van zijn werkplek en het wachten tot het moment daar was dat alle voorwaarden geschapen waren om ‘echt’ te gaan werken. In deze geautomatiseerde wereld valt zonder een computernetwerk bijna niet meer te werken. Veel uit te pakken had ik niet omdat mijn vorige werk definitief achter me lag. Het hoofdstuk ‘weg- en waterbouw’ was voorgoed afgesloten.

Enthousiast startte ik met het bestuderen van de dossiers over de begraafplaatsen. Spoedig bleek dat het ‘product’ begraafplaatsen via vele schakels binnen de gemeentelijke organisatie liep. Verschillende afdelingen waren hiermee gemoeid. De afdeling Burgerzaken – voor aangifte van een overlijden – , de afdeling Vergunningen – voor het verlenen van een vergunning tot begraven c.q. plaatsing van een urn – , de afdeling financiën – voor het regelen van de betalingen -, de afdeling uitvoering – voor het directe beheer en onderhoud van de begraafplaatsen – en de Hoofdafdeling Beheer – voor het ontwikkelen van nieuw beleid – . Ik zag na uitvoerige bestudering van mijn beknopte functiebeschrijving en de dossiers niet wat in deze functie het ‘fulltime’ werk zou moeten zijn. In mijn functiebeschrijving stond o.a. het ontwikkelen van beleid voor de ‘gesloten’ begraafplaatsen. Bestudering van de dossiers leerde dat op de in 1990 gesloten begraafplaatsen gedurende een periode van 30 jaar niets ondernomen mocht worden. Met andere woorden in 2020 – ik zou dan 75 jaar zijn – mochten buiten het reguliere onderhoud er weer activiteiten zoals woningbouw e.d., gerealiseerd worden. Daarnaast ontdekte ik dat alle rechten voor het bouwen van een crematorium binnen de gemeente Roosendaal in onderhandelingen tussen de ‘DELA’, Bergen op Zoom en de gemeente Roosendaal & Nispen, in een ‘herenakkoord’ voor tientallen jaren ‘verkwanseld’ waren. Volgens mij waren de cijfers met haar aannames achterhaald en moesten ze, door het in ‘zwang’ raken van cremeren, drastisch bijgesteld worden. Vreemd, dat je in de 6e stad van Brabant voor een crematie naar Breda of Bergen op Zoom moest uitwijken. Ook op dit onderdeel was geen nieuw beleid voor te bereiden. De functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ was ‘gebakken lucht,’ of zoals de voorzitter van de commissie voor de bezwaarschriften in ambtenarenzaken later zou zeggen, ‘een dood geboren kindje’. Als zinloos ervoer ik het om het spelletje ‘landje pik’ te spelen door van collega’s een gedeelte van hun werk te veroveren. Zeker niet van collega’s waarvan verschillenden al zo’n twintig jaar collega waren en waarmee ik goed had kunnen samenwerken. In een later aan B. en W. geschreven voorstel stond: ‘Door de veelheid van schakels worden veel doublure werkzaamheden verricht. De schakel van afdeling Beheer heeft in het werkproces te weinig toegevoegde waarde.’ Uit gesprekken met mijn baas werd duidelijk dat hij het onderdeel begraafplaatsen – koste wat kost – binnen zijn hoofdafdeling wilde houden. ‘Hij had bij de reorganisatie al genoeg in moeten leveren !’ Bij hem hoefde je voor een oplossing niet te zijn, dat was zo klaar als een klontje. Na een informeel gesprek met de P & O-adviseur – in de nieuwe organisatie een ‘opgetuigde’ P & O-consulent – werd duidelijk dat het verstandig was er iets van op papier te zetten. ‘Zonder dat kon er moeilijk iets gebeuren.’ Aan een memo hechtte ik het artikel van Maaike Helder over de ambtenaar achter het loket die niets beters te doen had dan de persoon die druk met activiteiten bezig was lastig te vallen en onnodig van het werk te houden. Het antwoord was heel bemoedigend. ‘Leuk artikel en heel naar voor je Wim, maar je bent een van de velen, dus jouw positie binnen de organisatie heeft overigens nog steeds mijn aandacht en wordt ook onder de aandacht van de interim-manager gebracht. Indien mogelijk wordt naar een oplossing gezocht.’ Ik besefte dat mijn ‘nieuwe’ baas hier niet blij mee was. ‘Maar ja,’ ik kon toch moeilijk nog jaren er als ‘Jan met de korte achternaam’ bij blijven lopen. Of als ‘jongste bediende’ me bezig gaan houden met het opknappen van ‘klusjes’ die anderen lieten liggen. Zo stelde ieder zijn eigen prioriteiten. Als ‘straf ’ op contacten met de P & O-adviseur probeerde mijn baas ’n functie tussen hem – afdelingshoofd/teamleider – en mij te creëren. Alles moest van nu af aan via één van de seniormedewerkers van het team lopen. Volgens natuurwetten hoort bij iedere actie een reactie ! Mijn eerstvolgende urenbriefje ging vergezeld van een uitgebreidere memo als die aan de P & O-adviseur en een kopie van het verhaal van Maaike Helder. Als jij de post alléén via de postbak van de seniormedewerker wilt ontvangen, heb ik daar geen onoverkomelijke problemen mee !! Bijgaand t.k.n. een artikel ten tijde van de vorige reorganisatie. Dat dit ironisch en serieus bedoeld was, zou hij moeten begrijpen. In mijn bijna dertigjarig ambtenaarschap had ik genoeg geleerd over rangen en standen om alert op zulke spelletjes en pesterijen te reageren. Mijn plaats in de organisatie was er een direct onder die van het afdelingshoofd/teamleider – met of zonder een functie van ‘gebakken lucht’ – hier zou ik me zomaar niet van laten verjagen door het creëren van een nieuw echelon . Gelukkig kwam na korte tijd de mogelijke oplossing van de P & O-adviseur. De memo met zo’n ‘eerlijk’ antwoord – ‘ik was niet de enige’ – was niet zonder gevolgen gebleven. Tegen de zin van mijn baas werd – als was het manna uit de hemel – gevraagd of ik interesse had voor de functie van secretaris van de commissie van straatnaamgeving en huisnummering. Aanvankelijk was besloten deze functie bij de teamleider ‘voorbereiding’ onder te brengen. Hij had laten weten zich niet geroepen te voelen dit er óók nog bij te nemen. Als geboren en getogen Rotterdammer had hij weinig affiniteit met het geven van straatnamen in Roosendaal. Zo kwam het verzoek omtrent straatnaamgeving en huisnummering bij mij nadat – door persoonlijk ingrijpen van de sectordirecteur – de door mijn baas voorgedragen seniormedewerker afgevallen was. Door deze stoelendans kwam het verzoek uiteindelijk op mijn bureau terecht. Dit was niet aan dovemansoren gericht. Na goed twee maanden met een functie vol ‘lucht’ werd – op een presenteerblaadje – een mooie functie met inhoud en perspectief aangeboden.

Wat was er gebeurd ? In de nieuwe gemeentewet was de bepaling komen te vervallen waarin stond dat het zorgdragen voor een ordentelijke straatnaamgeving en huisnummering tot de taak van het hoofd van de afdeling bevolking behoorde. Bij de sector Stadsontwikkeling en
-beheer afdeling ‘programmering’ verzorgden de landmeetkundig binnendienstmedewerkers het plaatsen van straatnamen en huisnummers op digitale kaarten. Wat lag er meer voor de hand dan dat een ambtenaar van diezelfde afdeling ‘programmering’ het secretariaat van de adviescommissie voor straatnaamgeving en huisnummering onder zijn hoede nam. Zo bleven alle werkzaamheden rondom het ‘product’ straatnaamgeving en huisnummering efficiënt binnen een afdeling. Nog voor de officiële aanwijzing door B. en W. tot secretaris van de commissie lag de eerste adviesaanvraag op mijn bureau. Deze kwam van de secretaris van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften. Er was door een middenstander bezwaar aangetekend tegen de vastgestelde naamswijziging van het plein waaraan zijn bedrijf gevestigd was. De secretaris van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften vroeg de sectordirecteur om toelichting en deelde mee binnenkort een uitnodiging te sturen om bij de commissie het standpunt met betrekking tot het bezwaarschrift kenbaar te maken. Een mooie klus om met mijn nieuwe functie te starten. Na bestudering van alle stukken schreef ik in een toelichting waarom tot de naamsaanpassing van de winkelgalerij besloten was. Kort samengevat hield de toelichting in, dat de winkeliersvereniging namens haar leden waar indiener van het bezwaarschrift zelf lid van was, bij B. en W. een verzoek tot de naamsaanpassing had ingediend. Op de zitting van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften hoefde nauwelijks iets toegelicht te worden. Met een knipoog gaf de voorzitter aan dat duidelijk was dat de ondernemer in tegenstelling tot hetgeen met de winkeliersvereniging overeengekomen was, een financiële tegemoetkoming van de gemeente wilde. Na enig overleg met de zoon die namens zijn vader het woord voerde, trok de indiener tijdens de behandeling zijn bezwaarschrift in. Een mooie ervaring rijker ging ik enthousiast met mijn nieuwe secretarisfunctie aan de slag. In de commissieverordening voor straatnaamgeving en huisnummering was opgenomen dat de commissie bestond uit een lid van B. en W. (voorzitter van de commissie), twee leden van de gemeenteraad en drie zogenaamde ‘burgerleden’. De laatstgenoemden waren vanwege hun deskundigheid lid. Twee personen met een aardrijkskundige of geschiedkundige achtergrond en een deskundige van de PTT. Daarnaast stond vermeld dat de secretaris in samenwerking met de voorzitter – de wethouder – de organisatorische zaken van de commissie verzorgde. Verder was bepaald dat de ambtelijk secretaris in de commissievergadering een adviserende stem had. Een van de zittende burgerleden (neerlandicus) had – na twintig jaar – schriftelijk te kennen gegeven niet meer voor herbenoeming in aanmerking te willen komen. Ik vroeg de wethouder/voorzitter of hij uit de ‘oude’ gemeente Wouw iemand wist die deskundig en bereid was om als burgerlid zitting in de commissie te nemen. Omdat de twee andere burgerleden van de commissie uit de ‘oude Gemeente Roosendaal & Nispen’ afkomstig waren, was spreiding wel op zijn plaats. En een goede beurt maken was nooit weg. “Hééé Wim, een goed idee ! Als je nog eens zo iets hebt, mag je direct naar mij toekomen en hoeft dat niet via je chef of mijn secretaresse te lopen !” zei hij instemmend en ging zelf een nieuw burgerlid zoeken. Als ik door het raam van zijn werkkamer zag dat hij geen bezoek had, mocht ik direct naar binnen. Na een paar dagen had hij uit het dorp Wouw een geschiedenisleraar werkzaam bij een scholengemeenschap en eveneens lid van de ‘Vrije lijst’ bereid gevonden om in de opengevallen plaats in de commissie zitting te nemen. Met argusogen bekeek het afdelingshoofd/teamleider de goede samenwerking tussen zijn ‘ondergeschikte’ en de wethouder.

Het ‘pesterig’ verplichten in- en uitkomende post via het postvak van de seniormedewerker te laten lopen, werd met een nieuwe kinderachtige zet uitgebreid. Brieven aan de commissie gericht waarvoor ik – in mijn functie van secretaris – een ontvangstbevestiging stuurde met de mededeling de brief op de eerstvolgende vergadering van de commissie te zullen agenderen, moesten opnieuw geschreven worden. Het betrof hier brieven van stichtingen, verenigingen of individuele personen die verzochten om een straatnaam naar een bepaalde persoon te vernoemen. Zo kwamen er verzoeken om een straatnaam naar oud-minister Irene Vorrink, een oud-redacteur van het Brabants Nieuwsblad of een overleden idool – Roosendaalse rockster Jack Jersey (my father was a poor man) – te vernoemen. Het afdelingshoofd/teamleider gebood nieuwe ontvangstbevestigingen te schrijven. Hoewel ik deze in mijn functie van secretaris commissie straatnaamgeving en huisnummering – conform de verordening –opstelde en tekende, moesten ze nu voortaan door hem ondertekend worden. Je hield het niet voor mogelijk dat dìt na een reorganisatie met uitgangspunten als cultuuromslag, platte organisatie en verantwoordelijkheid laag op de werkvloer, nog kon gebeuren. “En als je maar niet denkt er ook maar één cent meer door te verdienen, want je bent en blijft op de eerste plaats ‘medewerker begraafplaatsen’.” Daar kwam de aap uit de mouw. Gênant en een niet mis te verstane ‘oorlogsverklaring’. Vooral het feit dat zoiets op de kamer in het bijzijn van collega’s provocerend gezegd moest worden, was beneden peil. Daarnaast gaf hij tijdens mijn vakantieperiode opdracht om visitekaartjes met de functie ‘medewerker begraafplaatsen’ te drukken. Deze zijn door mij onuitgepakt in de prullenbak gegooid. Om nog eens duidelijk te laten merken wie er de baas was, ging hij in brieven en nota’s te pas en te onpas wijzigingen aanbrengen. Nog voor hij met het lezen van de concepten begon, trok hij ‘schietklaar’ zijn vulpen en draaide er de dop af. Er moest en zou gestreept én gewijzigd worden. Mijn gedachten gingen naar het werk dat ik verrichtte als secretaris van het PvdA-gewest Noord- Brabant. Hierbij was administratieve ondersteuning omdat het te veel werk met zich meebracht om het naast mijn dagelijkse bezigheden erbij te doen. Het was een goede kracht met een ‘Schroevers’ secretaresse opleiding en ook een goed gevoel voor de Nederlandse taal en een perfecte, benijdenswaardige beheersing van het letterlijk notuleren in steno. Ze faxte mij. “Lees jij de concepten wel ? Er staan alleen maar woorden als akkoord of prima en geen doorhalingen of verbeteringen op, als ik de concepten van jou terugkrijg.” “Je wilt toch niet, dat ik net zoals mijn baas werk ?” Die wijzigt, het lopen op het trottoir in: lopen over het trottoir. Een delegatie van bewoners in: een bewonersdelegatie. Als voorbereiding van in: t.b.v. . Zo veel mogelijk in: maximaal. Het gaat om in: t.w. En daarnaast in reeds ‘gecorrigeerde’ teksten het opnieuw aanbrengen van wijzigingen. Alleen het wijzigen óm het wijzigen. Om dit laatste een halt toe te roepen schreef de seniormedewerker op een, met een paperclip aangehecht, afgescheurd stukje papier, “is reeds gecontroleerd !” De schrijverscapaciteiten van mijn baas overschreden die van het gemiddelde van een technisch ambtenaar niet. Veel technici kunnen met hun handen maken wat hun ogen zien. Voor het schrijven van teksten gaat dit meestal niet op, omdat veel technici hierin nu eenmaal weinig zien. Zijn wijze van schrijven leverde mijn baas tijdens een oudejaarbijeenkomst de toekenning en uitreiking van de eerste ‘troebele taalbokaal’ van de gemeente Roosendaal & Nispen op. Vereerd, met een mengeling van opgelatenheid en misplaatste trots nam hij de bokaal op het podium van de grote zaal in de schouwburg met een brede glimlach/akelige grijns in ontvangst.
Wat moest ik aan deze situatie anders doen dan lijdelijk ondergaan en hopen dat mijn tijd nog wel zou komen ? Als ik niet uitkeek, kon ik alleen maar mijn nieuwe functie en het opgebouwde vertrouwen en de goede samenwerking met de wethouder verliezen.

Dat ik op korte termijn in de functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ de eerste vergadering van de commissie straatnaamgeving en huisnummering voor moest bereiden, zat mij niet lekker. Bij de P & O-adviseur ging ik om raad. Zij adviseerde de wijzigingen van de functie op papier te zetten. Mijn collega commissiesecretaris voor Welzijn, Onderwijs en Cultuur had de functiebenaming van directiesecretaris. Na de ‘oorlogsverklaring’ wist ik dat het nodig was heel voorzichtig te werk te gaan en eieren voor mijn geld te kiezen. Het nieuwe werk was mij te lief om dit – door een geforceerde poging tot een functieaanpassing – te verliezen. De eerder in de commissie van het bijzonder ‘georganiseerd’ overleg bekritiseerde summiere en kretologische takenomschrijving van de functionaris werkte nu in mijn voordeel. Met de – 8 regels – functie-inventarisatie van de functie directiesecretaris uit het functieboek als voorbeeld formuleerde ik voorzichtig de aanvullingen van mijn nieuwe functie. Een reactie op de aanvraag van functieaanpassingen liet op zich wachten. Ik besloot aan het hoofd concernmiddelen en de P & O-adviseur een verzoek te richten, omdat sommige collega-ambtenaren pas in actie konden komen als het op schrift stond. Ik schreef dat het mij niet ging om een functiewaardering – die kwam er wel met terugwerkende kracht – maar dat het geen pas had om in de functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ de secretariaatswerkzaamheden voor de commissie straatnaamgeving en huisnummering met alle daaruit voorvloeiende werkzaamheden te verrichten. Dat was voorlopig het laatste wat ik voor de aanpassing van de functiebenaming ondernam. Ik voelde me op meerdere plaatsen binnen de organisatie – van directieniveau tot college – gedwarsboomd. Het leek het beste er voorlopig maar niet meer op terug te komen.

Uit het archief haalde ik de dossiers waarin over de laatste dertig jaren alles aangaande straatnaamgeving en huisnummering verzameld was. Uit een nota opgesteld door een van mijn voorgangers – hoofd afdeling Bevolking – kon opgemaakt worden dat de functie van secretaris commissie straatnaamgeving en huisnummering na die van burgemeester tot een van de belangrijkste functies binnen het gemeentelijk bestel behoorde. Iedere gemeente geeft met de keuze van straatnamen haar visitekaartje af. Hij waarschuwde voor het maken van een ‘dubieuze’ keuze die uitgebreid het nieuws zou halen. Uitgerekend op het moment van mijn speurtocht was in de pers een artikel verschenen over een in de laatste vergadering van de commissie geadviseerde en door B. en W. vastgestelde straatnaam. Het betrof de naam van de Roosendaalse bestuurder – districtscommissaris tot 1826 – G.W. Panneboeter. Met een ingezonden stuk gaf een rechtgeaarde, conservatief katholieke Roosendaler aan verbolgen te zijn over de keuze van het college. Hij was kwaad dat een straatnaam gegeven werd aan een protestant en ‘ketteraar’. In het dossier viel mijn oog op een aantekening. “Hoera een protestant !” Geen ‘katholiekverhullend’ maar een ‘protestantduidelijke’ opmerking. ‘De 1e loco-burgemeester van Roosendaal, CDA-vice-partijvoorzitter en voorzitter kandidaatstellingcommissie Tweede Kamerleden 2002 is waarschijnlijk van protestante huize,’ dacht ik glimlachend. Tijdens het schrijven van dit boek nam ik uit nieuwsgierigheid telefonisch contact met het partijbureau van het CDA op. De computer op het secretariaat gaf ‘pc’ achter haar naam aan. “Maar ik weet niet of ze gereformeerd of hervormd is.” Dit was voor mij niet interessant. Mijn veronderstelling dat ze tot de protestantchristelijke familie behoorde, was bevestigend beantwoord. Het probleem van de bloedgroepen gaat bij het CDA blijkbaar door tot in het geven van straatnamen. Maar ik realiseerde me opnieuw dat vernoeming van personen bij straatnamen inderdaad een delicate zaak was. Ter voorkoming ‘van de waan van de dag ’ hanteerde de commissie de regel geen straatnamen te vernoemen naar personen die minder dan tien jaar overleden waren. Om het mogelijk te maken aan burgemeesters bij hun afscheid een naar hen vernoemde straat, plein of park aan te bieden was hiervoor een uitzondering gemaakt. Zij vielen niet onder deze voorschriften, maar stonden boven ‘de wet.’

Hartstochtelijk startte ik met de voorbereidende werkzaamheden voor de commissievergadering. In overleg met de wethouder werd een datum gepland en een agenda opgesteld. Voor het verzenden van de uitnodigingen en de bijbehorende stukken werd zorgvuldig het juiste moment gekozen. Deze momenten waren op die dagen dat het afdelingshoofd/teamleider met verlof of om een andere reden afwezig was. Dan liep ik niet het risico dat – door onnodige bemoeienissen van het afdelingshoofd/teamleider – de zorgvuldig met de wethouder gemaakte afspraken niet uitgevoerd konden worden of onnodig opgehouden werden. Op de agenda voor de commissievergadering stonden, naast vaststelling van de notulen, een drietal punten op de agenda. Voor een nieuwe buurt in de wijk ‘Tolberg’ moest voor 15 straten een advies voor vaststelling van een nieuwe straatnaam aan B. en W. uitgebracht worden. Voor de wijk ‘Tolberg’ was gekozen om alle straatnamen te laten eindigen op berg. Dit verhoogde de vindbaarheid van de straten. Daarnaast werd bij de start van het nieuwe uitbreidingsplan bepaald in een buurt de straatnamen op alfabetische volgorde met dezelfde letter te laten beginnen. Dit zou de vindbaarheid van de straten ook ten goede komen. Voor de buurt ‘Weihoek’ was intussen de beginletter M aan de beurt. Alle straatnamen moesten eindigen met berg en beginnen met een M. Even dreigde de ‘Stedenbouwkundige’ roet in het eten te gooien. Bij mijn chef had hij het voor elkaar gekregen om als adviseur straatnaamgeving voor de vergadering uitgenodigd te mogen worden. Zijn voorstel was om de straten naar personen uit de wereld van architectuur te vernoemen. Deze personen zouden dan minimaal tien jaar overleden moeten zijn. Daarnaast leek het mij onmogelijk om voldoende personen met enige bekendheid, verdienste en een zelfde beginletter M te vinden. Ik tipte de commissievoorzitter over de snode plannen. “Geen flauwekul ,”antwoordde hij vastberaden. Als deze beleidsmedewerker zijn voorstellen op papier inbracht was dat voldoende en zou ik die kunnen toetsen. Zo, dat één-tweetje was voldoende afgedekt. Hoe ga je als secretaris dan verder te werk ? Je zoekt in een encyclopedie en woordenboek naar mogelijke straatnamen. Eenvoudige spelling en begrijpelijkheid waren uitgangspunten die gehanteerd moesten worden. Geen lange, moeilijke, samengestelde of buitenlandse woorden. De zoektocht leverde een honderdtiental mogelijkheden op, van Maaiberg, Metaalberg tot en met Muziekberg. Uit de notulen van vorige vergaderingen bleek dat de commissieleden vaststelden dat ze te weinig keuzemogelijkheden voorgeschoteld kregen. Aan de voorwaarde om iets te kiezen, voldeed dit voorstel in ieder geval. Dat de kwaliteit van de namen evenredig aan de kwantiteit was, kon moeilijk gezegd worden. Met mijn mogelijkheden dacht ik in ieder geval voldoende keuzes op tafel gelegd te hebben. Maar het geven van straatnamen kon je toch nooit voor iedereen goed doen, net zoals je in je leven meerdere keuzes moet maken die niet bij iedereen in goede aarde vallen. De naam van de buurt ‘Weihoek’ was een toponiem en lag reeds lang vast. In de vergadering kwam het nieuwe burgerlid met het volgende voorstel: “Zou het geen goed idee zijn, om bij de keuze van de namen uit te gaan van namen met een ‘natuurlijke’ achtergrond, zodat ze een logische verbinding met de naam ‘Weihoek’ vormden ?” Kortom, namen uit de wereld van de flora en fauna. Een lumineus idee vond ieder commissielid. Met uiteindelijke resultaat dat door B. en W. – conform commissieadvies – de namen: Madeliefberg, Maïsberg, Mangoberg, Margrietberg, Marmotberg, Meesberg, Meeuwberg, Merelberg, Mierberg, Moerasberg, Morelberg, Mosberg, Moutberg, Muntberg en Muurberg vastgesteld werden.
Het tweede vraagstuk waarover een advies uitgebracht moest worden, was over de brief van een bewoner van de Biezenstraat. De oude-gemeenten Wouw en Roosendaal & Nispen kenden in het buitengebied een Biezenstraat met ieder een tiental boerderijen en/of woningen. Een gevolg van de gemeentelijke herindeling was, dat er in de nieuwe gemeente Roosendaal twee Biezenstraten waren. Deze straten lagen in het verlengde en aansluitend aan elkaar en hadden dezelfde huisnummering. Dit bemoeilijkte de vindbaarheid van personen en bedrijven in hoge mate. Door de commissie werd de onduidelijke situatie onderkend. Bij de voorbereiding van de vergadering had ik de gemeentearchivaris om advies gevraagd. Ik werd op mijn wenken bediend. In korte tijd arriveerde in een gesloten – op naam gestelde – enveloppe, met een kleine vertraging via de postbak van de seniormedewerker zijn notitie op mijn bureau. Mijn collega van het gemeentearchief had een puik stukje werk afgeleverd. Dit kon integraal in de agendastukken overgenomen worden.

De benaming Biezenstraat is zowel onder Wouw als onder Roosendaal bijzonder oud. Zo vinden we de Biesen genoemd in het Roosendaalse schotboek in 1671, maar ook op de pondkaart van Wouw uit 1792 en in een getuigenverklaring uit 1566. De benaming onder Wouw lijkt niet alleen het kerngebied uit te maken en de oudste rechten te hebben, maar is bovendien tot op heden ongewijzigd bewaard gebleven. Onder Roosendaal heette tot in het begin van deze eeuw (circa 1910-1920) slechts het meest westelijke gedeelte van de huidige Biezenstraat tot aan de kruising met de Hilstraat ook Biezenstraat. Vanaf de kruising met de Hilstraat tot aan de Vroenhoutseweg werd de straat genoemd de Doelestraat. Wanneer en waarom deze benaming is gewijzigd is niet bekend. Een reden voor de aanwijzing zou geweest kunnen zijn de verwarring met de nog altijd bestaande Doelstraat op Borteldonk.

Voorstel:

a. De naam Biezenstraat zowel onder Wouw als Roosendaal handhaven, maar hernummeren zoals door briefschrijver gevraagd wordt. Deze straat krijgt dan wel een merkwaardige vorm, die het toekennen van nummers lastig zal maken.
b. De naam Biezenstraat onder Wouw handhaven en onder Roosendaal de oude situatie herstellen. Dat wil zeggen de straat tussen Vroenhoutseweg en Hilstraat de naam geven van Doelenstraat. Het zou wellicht in verband met de vorm van de straat nog duidelijker zijn om in dat geval de naam Doelenstraat te geven aan de gehele straat tussen de Vroenhoutseweg onder Roosendaal tot aan de kruising met de Biezenstraat onder Wouw. De gemeente krijgt dan twee vrijwel gelijkluidende straatnamen: Doelstraat en Doelenstraat, die echter wel op enige afstand van elkaar liggen.
c. De naam Biezenstraat onder Wouw handhaven en onder Roosendaal laten vervallen en vervangen door een geheel andere naam. Bijvoorbeeld Catharinastraat of Catharinadal naar het klooster van de zusters norbertinessen dat hier ooit in de dertiende eeuw stond, en nu in Oosterhout gevestigd is. Een andere mogelijkheid is Lemsheining, een oud toponiem.

Omdat het slechts een vraag van één van de bewoners betrof, besloot de commissie allereerst alle bewoners te enquêteren. In goed overleg met de wethouder stelde ik een brief en vragenlijst op. Hierin werd gevraagd de lijst na beantwoording in de gefrankeerde enveloppe te retourneren. In hoofdlijn werden drie mogelijke oplossingen genoemd. A) niets doen dus huidige situatie handhaven, B) straatnaam handhaven maar wel huisnummers aanpassen, C) voor gedeelte weg een nieuwe straatnaam invoeren. Als adressering was t.a.v. het secretariaat van de commissie voor straatnaamgeving en huisnummering opgenomen. Hiermee werd voorkomen dat mijn chef – met alle gevolgen van dien – zich onnodig met deze aangelegenheid ging bemoeien. Per slot van rekening was hij geen lid van de commissie en had bij de voorbereiding of uitvoering ook geen inbreng gehad. De uitkomst van de enquête gaf geen duidelijke uitslag. De aantallen oordelen waren nagenoeg gelijk over de drie oplossingen verdeeld. Dit gegeven bracht met zich mee dat niets gewijzigd zou worden. De vragensteller was ‘des duivels’ en diende een bezwaarschrift bij de beroeps en bezwarencommissie in. Dit zou nooit tot een goede oplossing leiden. In gesprek met de indiener van het bezwaarschrift zag ik een mogelijkheid om uit deze impasse te komen. Als hij eens met de bewoners van het andere gedeelte van de Biezenstraat ging praten ? Uiteindelijk ondervonden zij dezelfde overlast van de dubbele vernummering. Bij een unaniem verzoek aan het college tot aanpassing van hun huisnummers was alles opgelost. Huisnummer 1 lag het verst weg van de oude gemeentegrens. Bij handhaving van de huisnummers in de Biezenstraat van de ‘oude’ gemeente Roosendaal & Nispen, konden de huisnummers in de Biezenstraat van de ‘oude’ gemeente Wouw doorgenummerd worden en waren de problemen van tafel. “Moet ik dat gaan voorstellen ?” “Ja, want ik kan dit als gemeenteambtenaar toch moeilijk zelf gaan doen zonder opdracht van het gemeentebestuur. Bovendien had ik geen aanvraag en bezwaarschrift ingediend.” Daarnaast had ik vastgesteld dat de bewoners uit de oude-gemeente Wouw in meerderheid voor vernummering waren. Daarmee besefte ik met mijn voorstel om met hen contact op te nemen tot het randje te gaan, maar omwille van een oplossing vond ik dit geoorloofd. Tot bijna ‘ieders’ verrassing kwam na enige weken een – door alle bewoners van de Biezenstraat in de oude-gemeente Wouw ondertekend – verzoek om doornummering van de huisnummers. ‘Als in de zevende hemel’ ging ik met de brief naar de wethouder. Na hem het verloop van mijn interventie uitgelegd te hebben, zei hij tevreden: “Goed zo ‘jongen,’ alweer een bezwaarschrift van tafel !” Met de politieke eer ging hij als wethouder strijken. Dat gunde ik hem graag. Zelf vond ik zonder tegen- en medewerking van mijn chef en nog altijd in de functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ voor het ‘examen’ van secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering te zijn geslaagd.

Het derde onderwerp dat in de commissievergadering besproken werd en waarover een advies uitgebracht moest worden, ging over een gedeelte van de Rietgoorsestraat. Door uitbreiding van het uitbreidingsplan was een gedeelte hiervan in de buurt met de beginletter F komen te vallen. Hiervoor waren twee oplossingen mogelijk: aansluiting bij een reeds bestaande naam, Fagotberg, wat een omnummering tot gevolg had, of het toekennen van een nieuwe straatnaam waardoor de huisnummers gehandhaafd konden blijven, omdat het te vervallen gedeelte Rietgoorsestraat met het huisnummer 1 begon. Mijn voorkeur ging uit naar het vaststellen van een nieuwe straatnaam. Hierdoor konden ook de zelf aangebrachte huisnummers gehandhaafd blijven. Deze uitvoering bestond uit smeedijzeren, in een boomstronk gebrande, keramiek, glas of in aluminium uitgevoerde cijfers. En ongetwijfeld nog andere creatieve wijzen die in de gauwigheid aan mijn aandacht ontsnapt waren.
De bestaande straatnamen beginnend met een F waren; Fagotberg, Faunaberg, Fleurberg, Fluwijnberg, Frambozenberg, Fresiaberg, Fregatberg en Fuchsiaberg. In het voorstel waren als mogelijkheden opgegeven: Fakkelberg, Faseberg, Fazantberg, Florijnberg, Forumberg, Fotoberg, Frontberg en Fusieberg. Mijn voorstel luidde Fazantberg als nieuwe naam te adviseren. Door de commissie en het college van B. en W. werd dit advies overgenomen en de Fazantberg was een feit. Met een tevreden gevoel kon ik op alle directe en indirecte resultaten van mijn eerste vergadering van de commissie voor straatnaamgeving en huisnummering terugkijken.

Intussen waren de werkzaamheden voor het waarderen van de functies gestart. Zoals bij de reorganisatiebesprekingen overeengekomen, moesten alle functies binnen een jaar gewaardeerd worden. In totaal waren dit ruim 200 verschillende functies. Hierbij werden de functies van de muziekschool, school voor expressie, het gemeentearchief, de afdelingen Uitvoering en Reiniging & Vervoer niet meegenomen. ‘Een status-quo !’ Zij waren buiten de besprekingen van de reorganisatie geplaatst. Hierover zou op een later tijdstip nog beslist worden. De begrippen als op afstand plaatsen, verzelfstandigen en privatiseren konden hier onderdeel van worden. Maar zonder deze uitzonderingen was met een tweehonderdtal te waarderen functies genoeg te doen. De commissie bestond uit vijf leden met toevoeging van twee notulisten: een voorzitter, secretaris en drie afgevaardigden van de vakbonden met een plaatsvervanger. De voorzitter van de commissie was het hoofd van de afdeling concern-middelen en 1e loco-gemeentesecretaris. Als secretaris werd het – zichzelf op grond van artikel 18 van het sociaal statuut ‘weggereorganiseerd’ – oud-hoofd personeelszaken ‘ingehuurd.’ Met behulp van dit artikel 18 hoefde een ambtenaar die op de datum van herindeling 55 jaar of ouder was, en aan wie geen passende functie binnen de vastgestelde formatie kon worden aangeboden, niet verplicht worden een bovenformatieve functie te aanvaarden. Wel moest de ambtenaar indien hij geen geschikte of bovenformatieve functie wenste te aanvaarden, gebruik maken van de eerste gelegenheid om vervroegd uit te treden, ongeacht onder welke benaming een dergelijke mogelijkheid zich voordeed: (deeltijd) VUT, vervroegde flexibele pensionering etc.. Met enige afgunst werd deze situatie bekeken door collega’s die van dezelfde ‘gouden’ regeling gebruik hadden willen maken en hiertoe niet de gelegenheid hadden. “Waarom hij wel en wij niet !” Zonder hier enige invloed op te hebben of gehad te hebben, werd ik hierover door mijn vakbondsleden aangesproken. “Dat zal als een politiek gegeven aanvaard moeten worden ! Je zou de vakbondsadviseur nog eens om advies kunnen vragen, maar meer mogelijkheden zie ik niet,” luidde steevast mijn antwoord.

Voorafgaand aan de officiële vergaderingen van de commissie voor de functiewaardering werd getracht wijzigingen in de samenstelling van door de vakbonden afgevaardigde leden te bewerkstelligen. Hiervoor werd door de secretaris van de commissie – in het bijzijn van de gemeentesecretaris – de leden van de vorige commissie en de door de vakbonden beoogde nieuwe commissie opgetrommeld. Opvallend was dat – om ver uiteenlopende redenen – de vakbonden voor een geheel nieuwe bemensing gekozen hadden. Het was een publiek geheim dat mijn voorganger in de commissie bij vele vergaderingen verstek had laten gaan. Als plaatsvervanger was ik nooit opgeroepen onder het motto van een complexe materie. Bij het niet aanwezig zijn van het minimaal aantal benodigde leden voor een vergadering kozen de secretaris en de voorzitter voor uitstel boven het oproepen van mij als plaatsvervanger. Dat mijn komst als commissielid niet enthousiast begroet werd, was intussen duidelijk. Maar dit was zeker niet het moment en de plaats om aan een genomen democratisch besluit van een vakbondsledenvergadering te gaan morrelen. De secretaris van de commissie hield een vurig pleidooi en deed een dringend beroep op de leden van de ‘oude’ commissie om deze klus te klaren. Hun opgedane ervaring zou onontbeerlijk zijn om de komende functiewaarderingswerkzaamheden met een goed resultaat te voltooien. Niet uit het lood geslagen door zijn bijna emotionele oproep, antwoordde ik te hechten aan het uitvoeren van in de ledenvergadering democratisch genomen besluiten. Ik was niet bereid te vertellen dat bij monde van de secretaris van de commissie functiewaardering te kennen was gegeven dat men liever zag dat wij als vakbond een ander lid naar de commissie zouden afvaardigen. De gemeentesecretaris kon op zijn klompen aan hoe laat het was en maakte een einde aan de bijeenkomst. Tijdens een introductiebijeenkomst werd de Uitgebreid Genormaliseerde Methode nog eens uiteengezet. Naast deze methode werd afgesproken van de volgende uitgangspunten uit te gaan. De in het verleden opgebouwde ervaring – binnen de gemeente Roosendaal & Nispen – met waardering van functies bleef het vertrekpunt. Vastgesteld moest worden of de thans te waarderen functies verschilden van de reeds gewaardeerde functies. Hiermee werd een zware hypotheek op het werk van de commissie gelegd. Tijdens het verloop van de werkzaamheden zou zich dit vele malen openbaren. Bij een functie die na de reorganisatie niet veranderd was, hoefde niets gewijzigd te worden, tenzij vastgesteld kon worden dat de bestaande waardering niet meer adequaat was en eigenlijk vóór de reorganisatie aangepast had moeten worden. Als opdracht kwam hier bij dat de uitslag van de waardering niet verstorend op het totaal van de uitslagen mocht werken. Het totaal van de uitkomst moest een harmonisch geheel vormen. Mijn scepsis, reeds eerder met mijn drie O’s in de ledenvergadering vermeld, maakte het er niet eenvoudiger op. Als mijn bijdrage voor enkele functies een meer rechtvaardiger uitkomst met zich meebracht, zou mijn werk niet voor niets geweest zijn. Tijdens een voorbereidende vergadering werd overeenstemming bereikt over de te volgen werkwijze. In een eerste vergadering zouden over een functie standpunten worden uitgewisseld en getracht worden tot een unaniem oordeel te komen. Lukte dit niet dan zouden in een volgende vergadering – na evaluatie – besluiten genomen worden. Zonder overeenstemming zou een verdeeld advies richting B. en W. gaan. Vanwege de tijdwinst werd besloten het reglementair voorgeschreven consulteren van de leiding door de secretaris van de commissie te laten doen. Daarvoor vond dit raadplegen in aanwezigheid van de leidinggevende tijdens de vergaderingen van de commissie plaats, waarbij menig leidinggevende voor de belangen van zijn onderschikten opkwam. Soms met als gevolg dat de subjectiviteit op gespannen voet met het redelijke kwam te staan.

Van meet af aan was ik niet echt gelukkig met de voorgestelde werkwijze om de secretaris alléén het advies in te laten winnen en daarover schriftelijk te rapporteren. Achteraf kon vastgesteld worden dat ik dit juist had aangevoeld. Het legde teveel macht bij de secretaris van de functiewaarderingscommissie. De sociaal-democratische stelregel dat gezond wantrouwen naadloos aansloot bij gezond vertrouwen ging binnen deze context zeker op. Hij rapporteerde de commissie schriftelijk. Deze rapportages vormden nogal eens stof tot discussie. Zoals: “Liever niet waarderen. Huidig salaris is hoger dan waardering. Geeft alleen nieuwe onrust.” Of: “Schaal 9 is juiste waardering, maar dan zonder uitloop. Uitloop 10 is te hoog.” Ik vroeg me af: ‘is de commissie hier bewust om de tuin geleid ?’ Een nieuwe vertrouwensbreuk was ontstaan. Gelukkig ook voor mijn collega vakbondsafgevaardigden een reden om onze werkzaamheden in de commissie op te schorten en in overleg te gaan. Uit navraag bij het afdelingshoofd bleek deze laatste passage geen juiste weergave van het gesprek. En deze reageerde met, “weer behoorlijk door hem genaaid te zijn!” Het leek mij ook onmogelijk dat een afdelingshoofd zoiets zou zeggen en laten opschrijven. Hiermee zou de basis onder het beloningssysteem weggehaald worden. Deze was opgebouwd uit een functieschaal en na zes jaar – bij voldoende functioneren – automatisch de uitloopschaal. Wat nu ? Stoppen met onze werkzaamheden ? Weglopen voor onze verantwoordelijkheden ? Diepe meningsverschillen over de functies van enkele collega’s bepalend laten zijn en andere hiervan mede de dupe laten worden ? Was herstel van vertrouwen mogelijk ? Mij overviel een groot onbehagen en bevestiging dat niet altijd naar 100 % objectiviteit gestreefd werd en persoonlijke aspecten meespeelden. Met de uitslag van de functiewaardering van de sectordirecteur als voorbeeld gaf ik aan dat de rechtvaardigheid bij de functiewaardering soms ver te zoeken was. Niet omdat ik me zorgen maakte over de positie van de sectordirecteur. Door het artikel over het behoud van verkregen rechten in het sociaal statuut veranderde er financieel niets. De sectordirecteur ging er ten opzichte van de vorige waardering – door een lager puntentotaal – een schaal op achteruit. Bij de vorige functiewaardering haalden de toenmalige gemeentesecretaris en – in zijn kielzog – de sectordirecteur schaal 16 binnen. Van hem had ik gehoopt dat hij in beroep zou gaan. Daar zou voor de commissie en het college van B. en W. zeker een voorbeeldwerking van uitgegaan zijn. Hiermee zou een signaal afgegeven worden niet zomaar over functies c.q. mensen te walsen. Mijn sectordirecteur hierop aansprekend, antwoordde dat ik wel gelijk had maar dat hij in zijn positie dít toch niet kon maken ! Hier mocht dan wel een kern van waarheid in zitten, maar hij gaf tegelijkertijd toe dat een gedeelte van uitkomsten van de functiewaardering een gehalte van willekeur met zich droegen. Hoewel ieder commissielid beaamde dat door de samenvoeging van de twee gemeenten per definitie alle functies met dezelfde functie-inhoud zwaarder geworden waren, ging dit aldus de voorzitter en de secretaris van de commissie functiewaardering voor de functie van sectordirecteur niet op. Als er geen schaalverschil inzat, dan moest het puntentotaal toch minimaal gelijk blijven. Ook vond ik het geen pas hebben als de secretaris van de commissie ging roepen dat een functie een hoog ‘Mien Dobbelsteen-gehalte’ had. Of over één bepaalde functie van seniormedewerker – zonder dat hiervan iets uit het organisatieschema of de functiebeschrijving bleek – gezegd werd dat deze ‘teamleiderachtige’ activiteiten zou verrichten. De gevoelens van subjectiviteit ontstonden ook als – op basis van argumenten – de voorzitter en de secretaris met een voorstel tot puntenverhoging in konden stemmen, maar omdat dit een promotie naar een volgende schaal tot gevolg zou hebben, ze alsnog ras op hun schreden terugkeerden. Na weer een schorsing en een gesprek met de voorzitter van de commissie waarin beterschap beloofd werd, besloten we onze verantwoordelijkheid te nemen en het karwei af te maken. In ieder geval kon een ieder die het met de uitslag niet eens was in beroep gaan. Dat vormde een schrale troost. Met de wetenschap dat dit mijn laatste vakbondsklus was en ik voor een enkeling tóch iets bereikt had, kon ik plichtsgetrouw mijn taak uitvoeren.

Tussen al dit functiewaarderingsgeweld ging het normale werk gewoon door. De werkrelatie met mijn baas was er geen van samenwerking maar meer een van tegenwerking geworden. Het feit dat hij in de functiewaardering een schaal teruggeplaatst was, zal hier zeker geen goed aan gedaan hebben, ofschoon hij het wel begrijpelijk vond dat de sectordirecteur een schaal lager gewaardeerd was. De samenhang tussen hun beide waarderingen ontging hem. En ik heb maar nagelaten hem hierop te wijzen. Aan extra problemen had ik geen behoefte. De moeilijke klussen van aanpassing van huisnummers, werden vaak in goed overleg met belanghebbenden opgelost, totdat mijn baas zich ermee ging bemoeien. De hel brak pas écht los toen het formulier van de personeelbeoordeling ter tafel kwam. Mijn baas had mij – met een dikke onvoldoende – beoordeeld op de functie ‘medewerker begraafplaatsen’ uit het functieboek. Het was vriend en vijand bekend dat vanwege de andere werkzaamheden deze functie niet door mij vervuld werd. ‘Wim tel eerst tot tien voordat je reageert !!’ Mijn enige commentaar op het formulier werd, dat de beoordeling ‘hypothetisch’ was. Mijn baas zei dat dit ‘synthetisch’ moest zijn. Dat het ene van een veronderstelde gedachte uitging en het andere een kunstmatig samengesteld product zoals synthetisch rubber was, wist hij klaarblijkelijk niet. Maar een woordenspelletje was het laatste waaraan ik behoefte had. In een persoonlijke brief aan de burgemeester/portefeuillehouder personeelszaken, vroeg ik vóórdat de personeelsbeoordeling definitief werd vastgesteld om bemiddeling. Die gaf niet thuis. Was dat omdat hij niet gedwongen wenste te worden voor mij partij te moeten kiezen of uit lafheid ? De persoon nog steeds als aimabel karakteriserend, doemde meer en meer de vraag op of hij in de eerste plaats niet een ‘zwak’ bestuurder was. De enige uitweg, waartoe hij mij hiermee dwong, was om bezwaar tegen de beoordeling aan te tekenen. De commissie voor de bezwaarschriften bestond uit drie leden. Twee leden vanuit de vakbonden afgevaardigd en een onafhankelijk voorzitter die in zijn dagelijks leven kantonrechter was. Vooral dit laatste gaf het gevoel dat hier recht gedaan zou worden. Ik had geen ondersteuning gevraagd van vakbondszijde. Dit zou praktisch ook moeilijk uitvoerbaar zijn, omdat mijn vertrouwensman van de vakbond lid van de commissie was. Het leed geen twijfel dat een onafhankelijke commissie tot de vaststelling moest komen, dat mijn bezwaar gegrond was. Mijn gedachte werd door het advies van de commissie bevestigd. Hierin stond het keurig geschreven.

Korte voorgeschiedenis

Klager is bij de herindeling overeenkomstig het sociaalstatuut geplaatst in de functie ‘medewerker begraafplaatsen’ bij de hoofdafdeling Beheer. Hij heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen deze plaatsing. Daarom is impliciet uitgesproken dat de verwachting bestond dat klager de functie ook in de praktijk zou kunnen vervullen. Het beoordelingsgesprek komt uit op een eindscore 1 (onvoldoende), hetgeen betekent dat niet overeenkomstig de gestelde eisen is gefunctioneerd.

Bezwaar

Klager stelt dat de beoordeling niet toeziet op de feitelijke werksituatie. Dagelijks vervult hij andere werkzaamheden. De beoordeling gaat uit van de werkzaamheden voor de begraafplaats, terwijl hij grotendeels straatnaamwerkzaamheden heeft verricht. Bovendien vindt hij dat het aan duidelijkheid heeft ontbroken en dat hij niet precies wist wat van hem werd verwacht.

Nadere overwegingen

Uitgangspunt is weliswaar het organieke functie profiel, echter de feitelijke werksituatie vormt de basis voor de beoordeling. De commissie moet vaststellen dat de klager in het beoordelingstijdvak de functie niet heeft vervuld overeenkomstig het functie profiel, mede door toedoen van de later toegevoegde straatnaamwerkzaamheden. Het is aan de werkgever om de klager te dwingen dingen te doen die van hem worden verwacht. Daar voor kan de werkgever over andere personeelsinstrumenten beschikken dan de personeelsbeoordeling.

Conclusie

De commissie concludeert dat de beoordeling zich richt op werkzaamheden waaraan de betrokken medewerker in de praktijk niet of onvoldoende invulling heeft gegeven. De beoordeling mist daardoor een voldoende feitelijke grondslag, wat daarvan ook de oorzaak is.

Advies

Gelet op het vorenstaande adviseert de commissie het bezwaar van de klager gegrond te verklaren en de beoordeling op te schorten.
In het kader van de herindeling kan zo nodig als einddatum van het beoordelingsvak 1 januari 1999 worden gehanteerd, de datum waarop de werkingsduur van het sociaal statuut herindeling eindigt.

Aan duidelijkheid ontbrak het in het advies aan B. en W. niet. Mét mijn – in een zeer vroeg stadium gedane – persoonlijke roep om hulp aan de burgemeester én dit advies zou het nu toch eindelijk wel in orde komen. Waarbij vooral mijn werk – straatnaamgeving en huisnummering – geen gevaar mocht lopen. Dit werk was mij als het ware op mijn lijf geschreven. Maar het probleem lag véél dieper en vond zijn oorsprong in mijn vorige functie, vakbonds-, politieke activiteiten en het reageren van de ‘buitenwacht.’ Er werd gezocht naar een aanleiding om mij onderuit te halen. Men gunde mij óók dit werk met de onlosmakelijke promotie niet. De samenwerking met de wethouder en de commissie straatnaamgeving en huisnummering was goed. Mijn baas probeerde ik zoveel mogelijk te ontlopen. Dat was wederzijds en ik had tijdens een functioneringsgesprek – om uit de impasse te komen – voorgesteld gestructureerd werkoverleg te houden. “Nee, dat was niet nodig zijn deur stond immers altijd open !” Verwonderd, verbijsterd, teleurgesteld en vol woede ontving ik – na 3 maanden – het besluit van B. en W..
In afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften in ambtenarenzaken hebben wij besloten uw bezwaren ongegrond te verklaren, met dien verstande dat het beoordelingsbesluit voor zover dat betrekking heeft omtrent uw geschiktheid wordt herroepen. Ik kon alleen maar vaststellen dat; hoewel mijn bezwaar gedeeltelijk gegrond was verklaard, door het herroepen van het oordeel over de geschiktheid (‘medewerker begraafplaatsen’), uiteindelijk een negatieve beoordeling over mijn functioneren overeind bleef. Ik besefte dat bij een aangepaste functiebeschrijving en functiewaardering de terugwerkende kracht van een promotie onder de gegeven omstandigheden wel vergeten kon worden. Er lag immers nog steeds een negatieve beoordeling van ‘medewerker begraafplaatsen’ en géén beoordeling over mijn werk als secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering op tafel. Sterker nog, de door mij uitgevoerde werkzaamheden werden stelselmatig ‘officieel’ genegeerd. Mij stond geen andere weg open dan die onder het besluit van het beoordelingsbesluit stond vermeld.
Indien u meent door dit besluit in uw belangen te zijn getroffen, kunt u daartegen – gemotiveerd – beroep instellen bij de sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank te Breda, zulks binnen 6 weken na verzending van dit schrijven.
In concept stelde ik een beroepschrift op en faxte dit om advies naar mijn vakbondsadviseur. Hij corrigeerde met een enkele juridische verbetering de concepttekst. Van het aangepaste en aangetekende beroepschrift stuurde ik tevens een afschrift naar mijn vakbondsadviseur. Hij bevestigde de ontvangst en meldde het ‘complete’ dossier naar het hoofdkantoor – afdeling juridische zaken – gestuurd te hebben. De toegewezen advocaat zou contact opnemen. Na enige dagen ontving ik van mijn advocaat schriftelijk bericht dat het dossier in goede staat aangekomen was en dat ze de zaak op zijn merites zou beoordelen. Niet gerust over de betekenis van ‘het op zijn merites beoordelen,’ nam ik telefonisch contact op. “Hiermee had ze willen zeggen wat er stond, niets meer en niet minder !” Ik had zelf mijn beroep ingesteld, zonder haar te raadplegen. Mijn antwoord luidde klip en klaar dat ik hierover met mijn vakbondsadviseur in overleg was geweest en dat hij met de aangepaste tekst van het beroep akkoord was. “Zo hoorde dat niet !” Als zij een zaak te verdedigen kreeg, wenste zij zelf de tekst van het in te stellen beroep te concipiëren. Nu zou ze – te zijner tijd – nog wel oordelen of deze zaak belangrijk genoeg was om er voor naar de rechtbank af te reizen. Dan zou tevens blijken of zij de haar toegewezen cliënt ter zijde wilde staan. De discussie via de telefoon raakte een beetje verhit. “Als mijnheer het hier niet mee eens is, moet hij maar een briefje aan het hoofdbestuur schrijven.” ‘Ik ben gekke Henkie niet,’ en ik stelde vast genoeg gedaan te hebben. In een fax – aan beiden – schreef ik niet van plan te zijn een brief aan het hoofdbestuur te schrijven. “Als twee collega’s competentie- of andere problemen hebben, dienen zij dit zelf op te lossen. Vooralsnog ga ik er vanuit, op een correcte en juridische ondersteuning van mijn vakbond te kunnen rekenen.” Het zou nog wel een jaar kunnen duren voordat de zaak bij de arrondissementsrechtbank in Breda op de rol zou staan. Dat werd een kwestie van afwachten. De mij opgedragen werkzaamheden voerde ik ondertussen gewoon uit. Dit nam het besef niet weg dat als ik niet oplette, binnen korte tijd rijp voor een burn-out te zijn. Met signalen van concentratiestoornissen, vermoeidheid, slapeloosheid en prikkelbaarheid zag ik ‘gelukkig’ op tijd in dat ook hier een gewaarschuwd man voor twee telt.

Van de secretaresse van mijn sectordirecteur kwam een telefoontje om een afspraak te maken. “Waarom een afspraak met de directeur en wie is daar nog meer bij aanwezig en waar gaat het over ?” Alleen de sectordirecteur en de adviseur arbeidsaspekten zouden hierbij aanwezig zijn, luidde het antwoord. De baas van de adviseur arbeidsaspekten en voorzitter van de commissie functiewaardering had ik al eens het verwijt gemaakt niets voor mij te doen. In zijn functies van hoofd concern-middelen/1e loco-gemeentesecretaris en voorzitter van de functiewaarderingscommissie beschikte hij over voldoende ingangen om mijn probleem van de functieaanpassing op de goede plaats én het juiste moment aan de orde te stellen. Na afloop van een van de bijeenkomsten voor de commissie van functiewaardering had ik me erover beklaagd dat hij mij óók in de steek liet. Over mijn aanvraag tot aanpassing van de functiebeschrijving en hulp om een oplossing voor de negatieve beoordeling was met de burgemeester gesproken. “Man, je moest eens weten wat ik al allemaal voor je gedaan heb,” pareerde hij mijn verwijt. Dat hij de burgemeester gesproken had, was door opmerkingen van mijn baas duidelijk geworden. Dit moest dus onder het hoofdstuk ‘stille diplomatie door twee aimabele mensen zonder resultaat’ gerangschikt worden. Het gesprek op de kamer van de sectordirecteur startte heel vriendschappelijk. Aanleiding voor dit informele gesprek was het besluit, dat de functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ niet passend was bevonden. Op verzoek van de herplaatsingcommissie vond dit gesprek plaats. De sectordirecteur gaf aan dat er géén klachten waren over mijn functioneren met betrekking tot de werkzaamheden voor de straatnaamgeving en huisnummering, maar dat dit geen volledige dagtaak was. Toch vreemd te horen dat er geen klachten waren. En dat van iemand, die een negatieve personeelsbeoordeling mee ondertekend had. Ook al had hij blindelings ondertekend, wat ik betwijfelde, dan onthief dat hem nog niet van het feit medeverantwoordelijk hiervoor te zijn. Net zoals de burgemeester in bijzonder vanuit zijn portefeuille personeelszaken en organisatie, politiek verantwoordelijk was, m.i. verdiende dit een motie van wantrouwen of minimaal een van afkeuring.

Op de kamer van de sectordirecteur ging het gesprek verder. Ik mocht op dit moment met alle daaruit voortkomende werkzaamheden dan wel de hele dag bezig zijn, maar voor de toekomst moesten er aanvullende werkzaamheden gezocht worden. Een assesment zou hierbij behulpzaam kunnen zijn. Voorlopig was voldoende werk voorhanden en wie dan leeft wie dan zorgt. Ik voelde weinig voor die flauwe kul. Moest na een dienstverband van 28 jaar iemand nog op zijn kwaliteiten getest worden, terwijl geconstateerd werd dat er over het uitgevoerde werk geen klachten waren ? Omdat de personeelsbeoordeling volgens mijn op één na hoogste baas – de sectordirecteur – goed was, ging men het over een andere boeg proberen onder de promotie uit te komen. De werkzaamheden waren – door de secretaris van de commissie functiewaardering – in een voorlopige proefgradering in schaal 11 geplaatst. Dit was voor mij als lid van de commissie functiewaardering geen verrassing. De voorzitter van de commissie had eerder hier ook al op gezinspeeld. En vastgesteld dat er juridisch niet onder uit te komen was. De sectordirecteur stelde dat de inschaling niet aansloot bij de huidige bezoldiging, hetgeen aanleiding was te zoeken naar meer passend werk. Zo’n drogreden had ik nog nooit gehoord. Mijn advocaat verwoordde het later als “een zuiverder staaltje van op de man spelen zal men niet gauw tegenkomen.” Maar ik was te naïef om in te zien dat er nu écht voorbereidingen voor een ontslag getroffen werden. Zoals jaren geleden door mijn nieuwe afdelingshoofd was aangegeven. “Als ze je kwijt moeten dan ga je toch en als er gekozen moet worden tussen een hogere en lagere ambtenaar zal er altijd voor de hoogste op de hiërarchische ladder gekozen worden en de laagste het onderspit delven.” Met dezelfde herinnering en het gevoel dat de meeste mensen van boven de ‘vijftig’ kennen – het moment en plaats waarop zij het nieuws van de moord op Kennedy hoorden – zag en hoorde ik het hem weer zeggen.

Er mag dan wel een kern van waarheid zitten in het feit dat de bureaucratie voorkomt dat iedere willekeurige ambtenaar de mogelijkheid heeft zijn gang te gaan. Vaak laat ze elk persoonlijk initiatief varen en koestert geen ambities. In dit geval was duidelijk sprake van willekeur door de sectordirecteur. De bureaucratie belet óók dat ambtenaren in de gelegenheid gesteld werden naar beste vermogen prestaties te leveren louter en alleen vanwege het ontbreken van een bepaalde opleiding. Omgekeerd gaat dit ook op. Een opleiding met titel staat soms garant voor toekenning van werk waar de betreffende ambtenaar niet geschikt voor is. Simplistisch, had ik al eens vastgesteld. Niet de bureaucratie was en is één van de grootste problemen bij de overheid. Het ontbreken van een mogelijkheid tot het maken van ‘winst,’ maakte dat er té weinig druk was om bedrijfsmatig te moeten werken. Hoewel ik het nut er niet van inzag, stemde ik in met een assesment. Ik wilde voorkomen dat het niet meewerken mij als ‘obstructie’ voor de voeten geworpen zou worden. Wel bedong ik inzage in de opdracht van het onderzoek en de mogelijkheid tot een intakegesprek. De vraagstelling luidde: Verrichten van een sterkte/zwakte-analyse, waarbij antwoord wordt gegeven op de vraag voor welke type functies of welke werkzaamheden hij geschikt moest worden geacht en daarbij door middel van een persoonlijkheidsonderzoek zijn sociale vaardigheden worden belicht. ( mijn correctrice kan zich niet voorstellen dat dit een letterlijke weergave is.) En dat allemaal voor het bepalen van eventuele aanvullende werkzaamheden in de verre toekomst. Iets klopt hier niet, was opnieuw mijn gedachte, maar waar ze precies allemaal mee bezig waren, had ik nog steeds niet in de gaten. Gelet op de werkdruk een totaal overbodig onderzoek. Anderzijds kreeg ik hiermee – op kosten van de gemeente – een persoonlijkheidsonderzoek waarvan de uitkomst wel confronterend kon zijn. Maar, ‘that’s all in the game’ Tegelijkertijd kun je nooit genoeg over jezelf weten en in jezelf geloven. Wat had ik uiteindelijk te verliezen ? Waarom moest er zo met geld gesmeten worden, terwijl iedereen de mond vol had over bezuinigingen ? Voor deze ‘poppenkast’ moest ik viermaal van Roosendaal naar Vlaardingen reizen. Een keer voor het intakegesprek, tweemaal voor het onderzoek en ‘last but not least’ voor de nabespreking. Het onderzoeksinstituut had ook vestigingen in Nijmegen, Hilversum en Groningen. Nog een geluk dat er voor de dichtstbijzijnde mogelijkheid gekozen was. Nu hoefde ik nog geen honderd kilometer – enkele reis – te reizen. De regel, ‘wat je van ver haalt is het best,’ ging hier niet op. Anders hadden ze me wel naar de dependance in Groningen gestuurd. Aan protectionisme werd – voor dit onderzoek – niet gedaan, dan was voor een onderzoeksbureau in Brabant gekozen. Maar wie weet, komt de KUB in Tilburg nog voor een onderzoek naar ‘bestuurlijk’ Roosendaal in aanmerking. Tijdens het intakegesprek legde ik uitgebreid de voorgeschiedenis uit en liet me overtuigen dat er niet met een dubbele agenda gewerkt zou worden. “Maar mijnheer, u denkt toch niet dat wij onze goede naam en faam in de waagschaal stellen door een opdrachtgever de uitkomst van ons onderzoek te laten bepalen.” Het resultaat was – voor mij – verheugend met o.a., een verbaalvermogen op ‘hoog’ niveau. Wat dat ook precies mocht betekenen !! Daarnaast stond, dat gesteld kan worden dat betrokkene een algemene kennis en ontwikkeling laat zien, welke gesitueerd kan worden op een hoger onderwijs niveau. “Laat ze mij nu maar de werkzaamheden van het secretariaat volgens de verordening in goede samenwerking met de wethouder/voorzitter doen en over 8 jaar kan ik met flexibel pensioen en alle problemen zijn opgelost !” Gerustgesteld en weer een ervaring rijker ging ik aan het werk.

Een nieuwe commissievergadering stond op stapel. Door inbreidingen in de stad moesten – voor een vijftal straatnamen – voorstellen over nieuwe straatnamen gemaakt worden. “En verzorg een evaluatie over de afloop van de huisnummering Biezenstraat voor de commissie,” had de wethouder nadrukkelijk opgedragen. Politiek een succesje wat hem goed uitkwam. In de pers waren van bewoners enige klachten over omnummering van huisnummers verschenen. Daarover zou hij in de commissievergadering bij het agendapunt mededelingen nog wel iets zeggen. Deze klachten zouden met toelichting over het verloop van de omnummering in de Biezenstraat aan kracht verliezen.
De eerste vergadering had geleerd om de commissieleden keuzemogelijkheden te bieden. Tegelijkertijd had ik voorgenomen mijn voorkeur in het voorstel te vermelden. Met de 110 straatnaamkeuzen voor de buurt ‘Weihoek’ was het goed afgelopen. Voor hetzelfde geld had het in een chaotische puinhoop kunnen eindigen. Bij het gemeentearchief vroeg ik opnieuw om assistentie en hieraan werd op collegiale wijze gehoor gegeven. De voorstellen waarover advies uitgebracht moest worden, betroffen straatnamen in gebieden van dezelfde soort binnen de bebouwde kom, nl. daar waar gebouwen of plantsoenen gesloopt waren en nieuwbouw plaatsvond in zogenaamde inbreidingsgebieden. Boven de verschillende voorstellen stond hetzelfde ‘kopje’ tekst.

Naamgeving inbreidingsgebieden.
Door het bijeenbrengen van straatnamen, ontleend aan een categorie van personen of zaken in een bepaalde wijk, wordt de oriëntatiemogelijkheid vergroot, met name voor diegenen die in Roosendaal niet bekend zijn.

De suggesties van de medewerker van het gemeentearchief nam ik onverkort in de voorstellen over en formuleerde daarna mijn keuzen.

Agendapunt 4a) Mill Hillterrein nabij ziekenhuis (aansluitend aan Boerhaavelaan)
.
Ligt in oude gebied Hulsdonk, een verwijzing naar de medische wetenschap ligt voor de hand.
1. Anthonie van Leeuwenhoeklaan (1632-1723), tijdgenoot van Herman Boerhaave en uitvinder van de microscoop.
2. François Sylviuslaan (1614-1672), beroemd hoogleraar geneeskunde te Leiden, voorganger van Boerhaave, hij zou het eerste universitaire chemisch laboratorium hebben gesticht.
3. Reinier de Graaflaan (1641-1673), Nederlands geneeskundige die baanbrekend onderzoek verrichtte naar spijsvertering en geslachtsorganen (de follikels in de eierstok zijn naar hem vernoemd).
4. Frederik Ruyschlaan (1638-1731), anatoom die onder andere de kleppen in de lymfevaten ontdekte.
5. Marie Curielaan (1867-1934), oorspronkelijk Marya Slodowska, kreeg samen met haar echtgenoot Piërre Curie in 1903 de Nobelprijs voor natuurkunde voor het ontdekken van de radioactiviteit.
6. Louis Pasteurlaan (1822-1895), grondlegger van de biochemie en de moderne (medische) bacteriologie.

Voor aan de straat in het inbreidingsgebied Mill Hill terrein viel mijn keus op de naam van Leeuwenhoeklaan. Even overwoog ik de naam van een vrouw te kiezen. Op het gebied van straatnaamgeving is er voor vrouwen nog een grote inhaalslag te maken omdat zij ook hier vaak het onderspit moeten delven. Het probleem ontstond dat ik géén keus kon maken tussen Marie of Madame Curie. Zo verliet ik deze optie. Daarnaast leek het mij juister en duidelijker evenals bij de reeds bestaande Boerhaavelaan de voornaam weg te laten. Zonder enige discussie ging de commissie akkoord en werd door B. en W. de straatnaam van Leeuwenhoeklaan vastgesteld.

Agendapunt 4b terrein klooster aan de van Gilselaan.
Een verwijzing naar het te verdwijnen klooster lijkt op zijn plaats
1. Marialaan/plein/park. Sluit aan bij zowel St. Josephstraat als de kerk van OLV van Fatima en de vroegere Maria-mavo.
2. Claralaan/plein/park, genoemd naar de H. Clara van Assisi de metgezellin van de H. Franciscus . De zusters in het St. Josephklooster behoren tot een van de Fransciscaanse orden. Clara is beschermheilige tegen oogziekten en sinds 1958 patrones van de televisie.
3. Lidwinalaan/plein/park, genoemd naar de Nederlandse heilige die altijd met rozen wordt afgebeeld en die de patrones is van de chronisch zieken.
4. Annalaan/plein/park, genoemd naar de heilige aan wie het oude gasthuis van Roosendaal was toegewijd. Dit oude gasthuis bestond al in 1363. Tot aan het begin van deze eeuw heette een deel van de Kerkstraat nog het Annastraatje.

Mijn keus werd Mariaplein. De projectontwikkelaar/aannemer had verzocht om ‘park’ in de straatnaam te gebruiken. Ik waarschuwde de commissie voor het scheppen van precedenten, er lagen meer verzoeken met ‘park’. Commercieel was dit voor makelaars bij verhuur en verkoop van woningen aantrekkelijk. Als hier mee ingestemd werd, zou in de naaste toekomst bij vele inbreidingsgebieden ‘park’ in de straatnaam opgenomen moeten worden. De commissie kon hier in meegaan, omdat de inbreiding wel iets van een plein had. Het VVD commissie/raadslid vond Maria wel erg ‘Roomsch’. Ik had bij Maria, de ‘Maria’ van de ‘West-side story’ van begin zestiger jaren in gedachte, mijn eerste ‘grote liefde.’ De opmerking van de VVD’er werd door de commissie voor kennisgeving aangenomen. Met deze aantekening ging de commissie akkoord en stelde B. en W. de straatnaam Mariaplein vast.

Agendapunt 4c inbreidingsgebied Liga-terrein.
Ligt in de Lage Vrouwenmaden, vroeger aan de Geldeloze Weg of het Geldeloze Pad. Een verbinding met Brabant of Europa ligt voor de hand in verband met de nabijheid van de Laan van Brabant en de Beneluxflat.

I Europapark/plein/laan,

Staatslieden die de grondslag hebben gelegd voor de Europese integratie (in alfabetische volgorde):

a) Konrad Adenauer (1876-1967), Duits staatsman en eerste bondskanselier na de Tweede Wereldoorlog.
b) Joseph Bech (1887-1975), Luxemburgs minister-president en minister van buitenlandse zaken.
c) Johan Willem Beyen (1897-1976), Nederlands financier en staatsman , minister van buitenlandse zaken 1952-1956.
d) Jean Monnet (1888-1979), Frans zakenman en politicus, voorzitter van de Hoge Autoriteit van de EGKS en ontwerper van het plan-Schuman.
e) Robert Schuman (1886-1963), Frans Staatsman, premier en minister van Buitenlandse zaken.
f) Paul-Henri Spaak (1899-1975), Belgisch politicus, premier en diverse malen minister, grondlegger Benelux, maar ook secretaris-generaal van de Navo.

II Brabant.

1. Brusselplein/park, verwijzing zowel naar Brabantse hoofdstad als naar de hoofdstad van Europa
2. Leuvenselaan/plein/park, in het gebied rondom Leuven ligt de oorsprong van het hertogdom Brabant.
3. Baronielaan/park/plein, Roosendaal & Nispen maakten onderdeel uit van de baronie van Breda.
4. Markizaatslaan/park/plein, verwijzing naar het markgraafschap Bergen op Zoom, onze ‘oude’ nabuurgemeente Wouw was onderdeel van dit markizaat, in Wouw bestaat ook een Markiezenstraat. Overigens had de markies van Bergen op Zoom ook onder Roosendaal bepaalde rechten.
5. Vrijheidslaan/plein/park, wellicht samen met Heerlijkheidslaan/plein/perk, verwijzing zowel naar het abstract begrip vrijheid als naar de oude juridische status en omschrijving van ons gebied: de vrijheid Roosendaal en de heerlijkheid Nispen. Denk aan de namen van heemkundekringen in Roosendaal en in Nispen..
6. Hertog Jan van Brabant laan/plein/park: verwijzing naar de bekendste van de middeleeuwse landheren.

Rondom de familie eigenaar/directie van de voormalige Liga fabrieken hing bij de oudere Roosendalers een luchtje van ‘iets’ met de NSB. Het verzoek tot vernoeming van ‘Liga’ of de familienaam van de eigenaren/directie bij het geven van straatnamen kon daarom als kennisgeving opzij gelegd worden. Voorgesteld werd om aan het inbreidingsgebied van het Liga-terrein de naam Laan van Europa. te adviseren. De commissie ging zonder discussie akkoord en door B. en W. werd de naam Laan van Europa vastgesteld.

Agendapunt 4d inbreidingsgebied Guido Gezellelaan-Nicolaas Beetslaan
Agendapunt 4e inbreidingsgebied Guido Gezellelaan -Kroevenlaan
Passend in de wijk de Kroeven is de naam van een schrijver.

1. Jacob Jan Slauerhoff (1898-1936), Nederlands dichter en prozaïst, bezocht als scheeparts vele landen en schreef ondermeer in 1932 de roman ‘Het verboden Rijk’.
2. Edgar du Perron (1892-1940), invloedrijke Nederlandse letterkundige met Indische en Franse wortels. Dichter en romancier wiens bekendste werk ‘Het land van herkomst’ is. Richtte samen met M. ter Braak het bekende tijdschrift Forum op.
3. Menno ter Braak (1902-1940), Nederlandse letterkundige met grote invloed op naoorlogse generatie. Geestig en scherpzinnig criticus, die zich fel tegen het nationaal-socialisme verzette.
4. Louis Paul Boon (1912-1979), Belgisch Nederlandstalig schrijver met dynamische stijl en ruw taalgebruik, die met een warm medeleven vaak het arbeidersmilieu uitbeeldde. Befaamd is zijn roman over Pieter Daens, de bewogen priester uit Aalst.
5. Paul van Ostaijen (1896-1928, Belgisch Nederlandstalig schrijver, die ondermeer de sterkste persoonlijkheid van het Vlaamse expressionisme was. Vooral bekend om de originele grafische vormgeving van zijn gedichten.
6. Hendrik Marsman (1899-1940), Nederlands dichter en prozaïst, grondlegger van het vitalisme.
7. Martinus Nijhof (1894-1953), Nederlandse dichter, uitgever, letterkundige en vertaler. Naar hem is de Nederlandse staatsprijs voor vertalers genoemd.

Voor dit advies moesten twee keuzen gemaakt worden. Voor twee straten dwars op de Guido Gezellelaan en schuin tegenover de Willem Elsschotlaan vond ik het voor de hand liggend om in ieder geval één Belgische schrijver te kiezen. Vanwege de bestaande straatnaam Adriaen van Ostadestraat, in de wijk met schildersnamen, viel in mijn keuzemogelijkheden de naam van Paul van Ostaijen af. Deze schrijversnaam had teveel gelijkenis met de Adriaen van Ostadestraat en zou verwisseling kunnen geven. Met de opmerking ‘Hoera een protestant’ van de 1e loco-burgemeester, vice-partijvoorzitter en de ‘Hans Ouwerkerk’ van het CDA vond ik dat een schrijver uit progressief-socialistische hoek geadviseerd mocht worden. Ik koos Louis Paul Boon, een jaar voorafgaand aan het – 1999 – ‘Louis Paul Boon jaar’ in België. Als tweede naam had ik aanvankelijk Menno ter Braak in gedachte. Maar wellicht waren deze beide voorstellen niet haalbaar en ik wilde daarom meer op zeker spelen door ‘voorzichtig’ dichter/schrijver Martinus Nijhoff ook in de vergaderstukken op te nemen. Gezamenlijk – Boon en ter Braak – in een voorstel, zou misschien wel te ‘rood’ gevonden worden. In de op zondagmorgen verschenen ‘Roosendaalse Bode’ was de commissievergadering aangekondigd, met vermelding van plaats en tijdstip van de vergaderplaats. De agendapunten over de vast te stellen adviezen van de straatnaamkeuzen stonden eveneens vermeld – althans de plaats van ligging van de nieuwe straten – maar niet de voorgestelde namen. Dit bracht een van de stadsgenoten ertoe mij als secretaris van de commissie een brief te schrijven. Op de enveloppe had hij enige malen dik onderstreept ‘Spoed, Spoed, Spoed ’ geschreven. De telefoniste/receptioniste belde mij maandagmorgen vóór negen uur om de brief op te halen. Hiermee besloot ze de brief niet via de officiële weg langs verschillende bureaus te laten gaan. Het inboeken van de brief en de reis voor de ‘gezienparafen’ zou enige dagen duren. In de brief aan de commissie straatnaamgeving en huisnummering deed de inwoner van Roosendaal een voorstel. Hij stelde de commissie voor: ‘Over te gaan een van de naar ’n schrijver te noemen straten naar Annie M. G. Schmidt te vernoemen. Geen onbekende middeleeuwse schrijver, maar een voor vele Roosendalers aansprekend persoon.’ Wat nu ? Volgens de uitgangspunten kon het voorstel niet uitgevoerd worden. Annie M. G. Schmidt († 21-5- 1995) was nog geen tien jaar dood én geen burgemeester van Roosendaal geweest. Met warme gevoelens probeerde ik dit voorstel vanuit een positieve invalshoek in te brengen. Het moest minimaal bespreekbaar gemaakt worden. De uitnodigingen met voorstellen waren reeds aan de commissieleden verzonden. In combinatie met een van de voorgestelde straatnamen maakte het voorstel ‘Annie M.G. Schmidtlaan’ geen schijn van kans. Ik moest proberen een alternatief voorstel te hebben. Als nu eens de naam Annie M. G. Schmidt gekoppeld werd aan die van Simon Carmiggelt († 30-11 1987). Simon voldeed aan de voorwaarde van tenminste tien jaar dood te zijn. In de commissievergadering ging de discussie – bij dit agendapunt – hoofdzakelijk, zoals te verwachten was, over het feit dat Annie M. G. Schmidt niet aan de algemeen gestelde voorwaarde van het tenminste tien jaar overleden zijn voldeed. Een uitzondering wilde men niet maken. De twee namen uit het alternatieve voorstel konden op de reservelijst. Als de mogelijkheid zich voordeed kon er opnieuw naar gekeken worden. Zonder discussie werd besloten het oorspronkelijke advies van de namen Louis Paul Boon en Martinus Nijhoff als voorstel naar B. en W. te sturen. In het B. en W. voorstel verwees ik subtiel – verder mocht ik niet gaan – naar de bespreking van het alternatieve voorstel. Dit bleek aan dovemansoren gericht, B. en W. stelden de namen Louis Paul Boonlaan en Martinus Nijhofflaan vast. Aan de indiener van het voorstel moest een bedankbrief geschreven worden. Hierin werd in grote lijnen verslag gedaan van het verloop van het proces, met de toezegging dat bij de eerste de beste gelegenheid de naam van Annie M. G. Schmidt serieus in de overwegingen meegenomen zou worden. Over de vaststelling van de straatnaam Louis Paul Boonlaan zou later enige beroering ontstaan.
De wethouder/voorzitter nam op een vrijdagmorgen tijdens zijn spreekuur, hevig geschrokken en in paniek telefonisch contact op. “Wim er staat een journalist op de gang !” Het bleek dat deze kwam informeren hoe B. en W. hadden kunnen besluiten tot het geven van een straatnaam aan de Belgische schrijver Louis Paul Boon. De journalist vertelde dat het om een naam van een schrijver ging die sterk erotisch en pornografische getinte verhalen had geschreven. “Daar mag dan een vleugje van waar zijn maar hij was een groot schrijver, ” antwoordde ik en vervolgde over de vele literatuurprijzen en een nominatie van de Nobelprijs voor literatuur. Dat het Noordbrabants Genootschap in samenwerking met de Faculteit der Letteren van de Katholieke Universiteit Brabant jaarlijks de Louis Paul Boon-lezing organiseert met als thema literatuur en aanpalende gebieden. Hiermee was de zaak opgelost – de kou uit de lucht – en kon de kwestie in een volgende B. en W-vergadering – voor kennisgeving – afgehamerd worden. Dat het allemaal opnieuw in B. en W. besproken moest worden, kwam doordat de wethouder door de journalist het vuur na aan de schenen gelegd, toegezegd had het in een volgende B. en W.-vergadering opnieuw te zullen bespreken. Niet handig, maar alla ! Je staat achter een genomen besluit of niet. De journalist schreef in zijn artikel over de ongekend progressieve straatnaamkeuze van de gemeente Roosendaal bij de Louis Paul Boonlaan.

Aan het eind van de commissievergadering vroeg de voorzitter steun voor een consistente uitvoering van het beleid omtrent de omnummering van huisnummers bij inbreidingen. De extra reden van de vraagstelling was gelegen in het feit dat er, zoals hij verzuchtte, weer een bezwaarschrift tegen een omnummering ingediend was. De indieners hadden contact met de pers opgenomen en er was enige commotie ontstaan. De commissie onderschreef unaniem de tot op dat moment gehanteerde lijn, met het ter beschikking stellen van ansicht-adreswijzigingskaarten en vergoeding van redelijk gemaakte onkosten. In de eerstvolgende raadsvergadering werd bij het agendapunt ingekomen post op deze kwestie teruggekomen. De burgemeester beloofde in de commissie voor Beheer en Verkeer met een notitie te komen. Hierin zou het gevoerde en te voeren beleid nog eens uiteengezet worden. Dit alles was mij niet ontgaan. Met verwijzing naar de discussie in de commissievergadering, waarbij de wethouder alleen maar om politieke dekking vroeg, schreef ik de notitie. Hiermee hoopte ik ‘klare wijn’ te schenken en tegelijkertijd een werkbare situatie te creëren. Het onder een chef te moeten werken die dwars door afspraken met wethouder en commissie heen liep, leverde een onwerkbare situatie en kostte onnodige energie. Met een tevreden gevoel herlas ik de notitie.

Notitie voor de vergadering commissie Beheer en Verkeer

Huisnummering bij inbreidingsgebieden

Indien niet strikt noodzakelijk wordt niet overgegaan tot wijziging in de naamgeving van straten en/of huisnummers. Verkeertechnische situaties, het verleggen van straten of het creëren van vastgoedobjecten in een gebouw of bestaande straat, noodzaken hier echter soms toe.

Het toekennen van een straatnaam of huisnummer op grond van de verordening, is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beschikking zal aan de formele en materiële eisen moeten voldoen. Daarbij zijn de volgende aspecten te wegen:

– de bevoegdheid van de gemeente om tot een wijziging te besluiten
– het maatschappelijk risico dat een bedrijf dientengevolge is toe te rekenen
– de lengte van de voorbereidingstijd
– de specifieke aspecten van het bedrijf
– de voorraad van naar buiten gerichte kantoorbescheiden en productonderdelen met adresvermelding
– de actualiteit van genoemde zaken
– het gemiddelde gebruik of de omzet per tijdperiode van genoemde zaken
– de mogelijkheid tot bedrijfseconomische en fiscale afschrijving van genoemde zaken

De jurisprudentie heeft ons geleerd, dat bij kennisgeving van één jaar voor de effectuering van de adreswijziging de overheid niet gehouden is tot bijdrage in eventuele onkosten van deze adreswijziging. De rechter gaat hierbij uit van het gegeven, dat door zakelijk en maatschappelijk verkeer deze periode voldoende is om de adreswijziging bekend gemaakt te hebben.

Door het college is op 18 maart 1997 besloten, de verschillende adviezen van de adviescommissie inzake naamgeving – commissievergadering van 3 april 1996 – over te nemen. Hoofdlijn van deze adviezen vormde het uitgangspunt, dat bij ligging van een nieuwbouw midden in een bestaande straat, een aparte benaming niet bevorderlijk is voor de vindbaarheid. De commissie heeft hierbij tevens geadviseerd, in deze gevallen de woningen in de bestaande straten in te passen. Waar nodig een vernummering van de bestaande adressen vast te stellen en de eigenaars/bewoners van deze nieuwe adressen op de hoogte te stellen. De commissie Straatnaamgeving en huisnummering heeft, in haar vergadering van 11 maart 1998, dit uitgangspunt bevestigd en zich uitgesproken voor een consistente handelwijze in voorkomende zaken. Uitgangspunt is hierbij dat – evenals elders – bij inbreidingen ook voor een duidelijke en goed vindbare huisnummering gezorgd dient te worden. Toevoegingen aan huisnummers van letters, Romeinse cijfers of andere creatieve oplossingen dienen hierbij vermeden te worden. De praktijk heeft bewezen dat bij toevoegingen van letters zoals bijvoorbeeld 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 3f, 3g, 3h, 3i en 3 j, reeds na korte tijd de letters verwisseld of niet meer toegevoegd worden. Met tot gevolg, problemen bij bezorging van post, goederen en het moeilijk vindbaar zijn van personen. Door het college is besloten tot aanpassing van huisnummers in o.a. de Thorbeckelaan, Molenbeekstraat, Biezenstraat, Burgemeester Prinsensingel, Sophiastraat, Consciencelaan, Dr. Schaepmanlaan, Burgemeester Freijterslaan en wijziging van de straatnaam voor een gedeelte Rietgoorsestraat in Fazantberg met wijziging van de postcode en behoud van de bestaande huisnummering. In de B. en W. vergadering van 27 januari is besloten tot aanschaf van ansicht-adreswijzigings kaarten met het gemeentelijk logo en enige stadsgezichten van Roosendaal (voor een hogere attentiewaarde en een betere uitstraling). Na het besluit tot aanpassing van de huisnummering worden de eigenaar/gebruikers zo snel mogelijk geïnformeerd en van de voorgestelde ingangsdatum op de hoogte gesteld. Bij deze kennisgave worden een antwoordformulier en een portvrije antwoordenveloppe verzonden. Op deze formulieren kan men aangeven kennis genomen te hebben van de toekomstige wijzigingen van zijn/haar adres en wel/niet in te stemmen met de in de hierbij behorende brief vermelde toezeggingen. Standaard wordt uitgegaan van het verstrekken van 60 stuks voorbedrukte en portvrije ansicht-adreswijzigingen. Indien op het formulier aangegeven wordt dat dit aantal niet toereikend is, wordt overlegd over het totaal benodigde aantal. Hierover is in volle tevredenheid overeenstemming bereikt. Het in de tabellen opgenomen aantallen akkoord is inclusief die gevallen waar na een kort overleg overeenstemming is verkregen. De post onkosten bevat in het algemeen kleinigheden zoals vervanging van luxe huisnummers, adresstempels en bedrukt postpapier/enveloppen.

door B. en W. vastgestelde omnummeringen

Omschrijving aantal akkoord bezwaarschriften extra onkosten
Thorbeckelaan 5 5 – –
Molenbeekstraat 10 10 – –
Biezenstraat 14 14 – –
Burg. Prinsensingel 1 1 – –
Sophiastraat 5 5 – f. 754,80
Consciencelaan 3 – 1 (in beh.) ?
Dr. Schaepmanlaan 35 32 1 (in beh.) ?
Dunantstraat 3 3 – f. 710,88
Burg. Freijterslaan 17 (in beh.) – –

door B. en W. gewijzigde straatnaam

Fazantberg 17 17 – f. 18,95

Toen de notitie in concept gereed was, zag ik dat de straten waar de bezwaarschriften vandaan kwamen ‘politiek gekleurd’ waren. Een straat met een statenlid en in de andere een wethouder. Het leek mij verstandig dat een van de collega’s de notitie in zou zien om – waar mogelijk – van commentaar te voorzien. Nadat de seniormedewerker de notitie gelezen had, gaf hij als compliment het een goede notitie te vinden. Vooral de onderbouwing met cijfers sprak helemaal voor zich. En dat was nou net de grote moeilijkheid voor mijn baas !
“Waarom een notitie voor de commissie van Beheer en Verkeer ?” “Omdat ik het de burgemeester heb horen toezeggen in de laatste raadsvergadering.” “Niks mee te maken” en hij haalde een streep door de notitie. “Ik geef zelf wel een mondelinge toelichting in de eerstvolgende commissievergadering van Beheer en Verkeer. Schrijf jij maar een nota voor B. en W.. Het moet afgelopen zijn met die omnummeringen !!!! ” Er was zelfs al een CDA-statenlid die een bezwaarschrift mee ondertekend had. Oh, waait de wind toch uit die hoek, gaan we er een politiek spelletje van maken ! Het voormalig Roosendaals raadslid en nu statenlid kende ik niet persoonlijk. Tijdens een van de statenvergaderingen was hij mij niet opgevallen. Een statenlid zowaar, dacht ik relativerend. Wekelijks was ik als statenvolger bij de PvdA-fractievergaderingen op het provinciehuis. In mijn functie van gewestelijk secretaris van de PvdA ontmoette ik wel hogere ‘bobo’s’. Voor afdelings- en gewestbladen had ik o.a. Wim Kok, Ien Dales, Hedy d’Ancona, Jan Pronk, Louis Tobback minister van Binnenlandse zaken in België, Frank Houben Commissaris van de Koningin van Noord-Brabant, gedeputeerden, Tweede- en Eerste Kamerleden burgemeesters, wethouders, raadsleden en een enkel statenlid geïnterviewd. Op de aanvraag van een interview – met het tiental te stellen vragen – voor defensieminister Ter Beek, kreeg ik van het ministerie van Defensie het uitgewerkte en beantwoorde interview per kerende post retour. Relus Ter Beek heb ik nooit te spreken gehad. Waar ik eerlijk aan toe moet voegen dit ook niet meer geprobeerd te hebben. Bij ‘Defensie’ wordt en laat een minister zich schijnbaar makkelijk ‘afschermen.’ In totaal 28 interviews met bedankbrieven waarvan de originelen in het Rijksarchief van Noord-Brabant in Den Bosch (archief PvdA-Noord-Brabant) en kopieën in het gemeentearchief van Roosendaal liggen. Wim Kok schreef het als een ‘prettig’ interview ervaren te hebben. CdK Frank Houben complimenteerde me met het resultaat, zeker gelet op de handicap waaronder het vraaggesprek had moeten plaatsvinden. Wegens agendaproblemen moest op het allerlaatste moment een ander tijdstip bepaald worden. Op zich niet zo’n probleem. Mijn afspraak met Ien Dales was ook ‘ter elfder’ uur gewijzigd. Onverwachts werd ze voor een interpellatie naar de Tweede Kamer geroepen. De handicap, door mij nooit zo ervaren, was gelegen in het feit dat het vraaggesprek telefonisch plaatsvond. De CdK via zijn autotelefoon – onderweg van Den Bosch naar Den Haag – en ik thuis vanachter mijn bureau. Op zich ervoer ik een grote rust. Het concentratievermogen bij een vraaggesprek vanachter je eigen bureau is groter en het verloopt totaal anders. Geen kopje koffie, een sigaartje, maar wel, “een moment graag. Rien als je de volgende afslag wilt pakken, dan gaan we eerst nog even langs het Mauritshuis. Sorry hoor, ik ben er weer ! Wat was de vraag ook al weer ? Oh ja, veel energie…… ” Een vraaggesprek via de telefoon brengt ook een stukje ‘anonimiteit’ met zich mee. Bij de interviews met Wim Kok en Ien Dales dacht ik soms een moment van verlegenheid te kunnen waarnemen. Iets van herkenning, wat ik ook van een journalist over een interview met Wim Kan gelezen had. Bij de CdK moest ik het helaas met een warme, vriendelijke stem van een aimabel persoon doen. Graag had ik zelf willen ontdekken of ook hij een spoor van verlegenheid met zich droeg. Maar ondanks het gemis van persoonlijk contact, ook een interview waar met tevredenheid op teruggezien kan worden.
Dat mijn baas zo hoog tegen statenleden opkeek, verwonderde mij. Het werk en denkniveau van een statenlid ontstijgt dat van een raadslid van een grote Brabantse stad niet. “Als jij een nota voor B. en W. wilt hebben – dwars tegen de gemaakte afspraken met de wethouder en de commissie straatnaamgeving en huisnummering in – dan kun jij die krijgen !” “Ik zal de B. en W. nota vóór morgenvroeg in concept klaar maken, dan geef ik het op een floppy en kun jij hem zelf in het weekend thuis wijzigen,” zei ik met opgekropte woede. Na werktijd ging ik terug naar het kantoor. Mijn vrouw verklaarde mij voor gek. “Befehl ist befehl”, zei ik. Dat had ik ook tegen mijn chef gezegd. “Je zegt het maar als iets wat groen is, ik van jou als zwart moet omschrijven doe ik dat, want jij bent de baas !” Alles wat hij onder ogen kreeg moest nu eenmaal gewijzigd worden. Dus was er niets efficiënter werken dan dat hij direct op de floppy de concepttekst ging aanpassen. De concept B. en W.-nota maakte ik rustig alleen – tussen half zeven en negen uur – op het kantoor met de verscheurde notitie en de in de commissievergadering genomen beslissingen als basis. In de B. en W.-nota nam ik als toevoeging het volgende op.

‘Momenteel zijn er een tweetal bezwaarschriften bij de commissie voor bezwaar en beroepschriften aangemeld. Bij één bezwaarschrift – zoals ook bij sommige opmerkingen op het antwoordformulier – wordt onverbloemd de indruk gewekt dat getracht wordt er een financieel slaatje uit te slaan. Het andere bezwaarschrift – evenals bij sommige antwoordformulieren – ademt de geur van protest tegen het verlenen van een bouwvergunning.

De gestelde vraag moet ontkennend beantwoord worden. Het advies van de commissie straatnaamgeving en huisnummering om een consistent beleid vraagt om overgenomen te worden.’

Na het weekend kwam mijn baas met de aangepaste versie. Uitgangspunt hierbij was: geen enkele aanpassing van bestaande huisnummers. Toevoeging van letters aan huisnummers en als er meer nummers nodig waren als waarover het alfabet beschikte, dan stelde hij als noodgreep het extra toevoegen van Romeinse cijfers voor. Met verbazing en afschuw las ik hoe iemand, na alles wat hij gehoord en gelezen behoorde te hebben, met zulk een ‘domheid’ dit op papier kon zetten. Ik nam kennis van ‘zijn’ B. en W.-nota en besloot hier geen energie meer in te steken. Enige stukken tekst uit mijn oorspronkelijke nota waren overgenomen. Met zijn voorstel tot het handhaven van mijn naam als opsteller van de nota ging ik niet akkoord. ‘Hij zoekt het maar uit, ik ben de tegenwerking meer dan zat !’ De nota werd onveranderd bij hamerstuk door het college vastgesteld. Enige tijd later zag en hoorde ik de wethouder op de regionale tv bij ‘Omroep Brabant’ met dezelfde woordkeus, als die in de B. en W.-nota gebruikt – bij ontoereikendheid van letters uit het alfabet Romeinse cijfers toevoegen – zijn reactie geven. Daaraan voorafgaand had hét CDA-statenlid zijn zegje gedaan. Hij suggereerde dat het aanpassen van je huisnummer tot een van de grootste rampen zou leiden die je kon overkomen. De tientallen bewoners van de nieuwbouwwoningen aan het begin van zijn straat zullen hem ongetwijfeld nog dagelijks dankbaar zijn voor hun huisnummers met de lettertoevoegingen. En dat allemaal ‘nota bene’ nadat ik een van de drie bezwaarmakers – op zijn werkplek in het kantoor van de Rabobank – overtuigd had van de vanzelfsprekendheid en redelijkheid van de aanpassing van de huisnummers. Over de ingangsdatum wilde hij met de wethouder nog een gesprek hebben. Dat was geen enkel probleem. De door mij voorgestelde ingangsdatum lag ruimschoots voor de geplande opleveringsdatum van de nieuwbouw. In mijn tijdschema had ik met verrassingen – die tot oponthoud konden leiden – rekening gehouden. Met het verschuiven van de ingangsdatum had de indiener een schijnbare overwinning behaald. Dat mijn chef mij verbood bij het gesprek met de wethouder en de drie indieners/ondertekenaars van het bezwaarschrift aanwezig te zijn, moest ik als een gegeven accepteren. Mijn gedachten hierover zal ik niet aan het papier toevertrouwen. Om met een ‘oud-wethouder’ te spreken; “dat schrijf ik niet op dan kan ik altijd nog zeggen het nooit gezegd te hebben.” Wat ik wél in het personeelsblad ‘Intercom’ – 6 juni 1998 – schreef, was een artikel over mijn nieuwe werkzaamheden. Met de eenzijdige berichtgeving in de krant en op de regionale tv was ik niet gelukkig en vond het beter – al was het in een beperkte oplage – mijn verhaal ook eens in de openbaarheid te brengen.

Straatnaamgeving en huisnummering

In de gemeentewet stond expliciet vermeld dat straatnaamgeving en huisnummering verzorgd werden door de afdeling bevolking ter secretarie. In de nieuwe gemeentewet is deze bepaling niet opgenomen. Bij de reorganisatie na de gemeentelijke herindeling is besloten de taken van het onderdeel straatnaamgeving en huisnummering bij de sector stadsontwikkeling en –beheer onder te brengen. Aan mij werd gevraagd of mijn belangstelling hiernaar uitging. Als een geschenk uit de hemel heb ik deze vraag ervaren en ben enthousiast met de hieruit voortvloeiende werkzaamheden gestart. De relatief vele inbreidingen brengen nieuwe problemen met zich mee die om consistent beleid vragen. Uitgangspunt hierbij is dat vanwege de duidelijkheid en vindbaarheid van de vele nieuwbouwprojecten geen nieuwe naam als adres wordt geadviseerd. Hiermee wordt geen oordeel uitgesproken over de creatieve namen door projectontwikkelaars en of architecten bedacht zoals; Cicero, Matrijs, Molenbeekstede, Claudiusstede, Ligastede of Kloosterstede. Wel wordt getracht om de problemen bij het zoeken van vele nieuwe adressen tot een minimum terug te brengen. Mijn dochter bijvoorbeeld wist de Beneluxflat niet, maar de Laan van Brabant wel te vinden. Je kunt zeggen; dat is waar vroeger het klooster van de Mill Hillers stond. Kortom, eenvoud verdient voorkeur. Iedereen mag op zijn of haar huis de naam ‘huisje Weltevree’ spijkeren zonder dat hiermee het adres verandert. Veelvuldig gebruik van de door projectontwikkelaars en of architecten gekozen namen vergroten de onduidelijkheid over het juiste adres. Zojuist hoorde ik een collega vragen naar de gegevens van de rioolaansluitingen voor de Claudiusstede. Het verdient aanbeveling dat gesproken wordt over de nieuwbouw aan de Kloosterstraat, Burgemeester Prinsensingel, Burgemeester Freijterslaan, Molenbeekstraat, Lindenburg, Burgehoutsestraat, Fortuinstraat, Oliemolen, Dr. Schaepmanlaan, van Gilzelaan enz. enz.. De problemen bij de aangepaste huisnummering vormen een hoofdstuk apart. Over de keuze van straatnamen hebben wij allemaal een eigen mening. Per definitie kan dit dan ook nooit goed gedaan worden. Met deze schrale troost ga ik vol goede moed verder met mijn werkzaamheden.

Wim Arts

Mijn baas vervolgde onverminderd zijn pesterijen. Zo goed en zo kwaad mogelijk probeerde ik mijn functieuitvoering hieronder niet te laten lijden. Op aanraden van de wethouder stapte ik over op een ‘persoonlijke’ benadering. Van verschillende betrokkenen bij een huisnummerwijziging had hij achteraf te horen gekregen dat er zich eigenlijk maar weinig problemen voorgedaan hadden na de aanpassing van hun huisnummer, en dat ze blij waren met een duidelijke en goede huisnummering. “Als je van tevoren contact opneemt, scheelt dat, dan wanneer ze ‘koud’ een brief krijgen.” Hierin moest ik hem gelijk geven. Maar dat je niet altijd alles zelf in de hand had, bleek korte tijd later. Door onnodig oponthoud kruisten inkomende en uitgaande brieven van en voor de secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering elkaar. Weer was hierdoor een vervelende en onnodige situatie ontstaan. De bewoners van een drietal adressen waren hierbij betrokken. Door de nieuwbouw van een flat kregen zij met een omnummering te maken. Niet van harte, maar in principe hadden zij er in toegestemd hun medewerking tot de omnummering te verlenen. Afgesproken werd het standaardformulier te sturen, waarin werd gevraagd – zonodig – binnen een termijn van 14 dagen dit formulier te retourneren. Op de laatste dag had een bewoner van een van de drie adressen, waarmee ik telefonisch met zijn vrouw tot een akkoord gekomen was, een brief geschreven. Deze brief was met een ‘voor gezien paraaf ’ door mijn chef voor het weekend, op de vrijdag dat de seniormedewerker met verlof was, in zijn postbak gegooid. Door dit onnodige oponthoud waren ’s maandags de brieven met het overeengekomen aantallen ansicht-adreswijzigingskaarten verstuurd, vóórdat ik de bewust met een ‘omweg’ bezorgde en aan mij gerichte brief had kunnen lezen. Ondanks alles kon ik bij het lezen van sommige passages uit de brief een glimlach niet onderdrukken. Ik realiseerde mij, dat het burgerlid van de commissie die – vanwege leeftijd en zittingsduur – vrijwillig ontslag genomen had ook neerlandicus en oud collega was aan dezelfde scholengemeenschap als een der briefschrijvers. Bovendien stellen wij u – gratis en voor niets – een zeer in de buurt passende naam voor: ‘De Boekensteun.’ Als u dat wenst, kunnen wij u ook een schrijversnaam leveren uit de periode van Hendrik Conscience of Frederik van Eeden. U roept en de neerlandicus onder ons draait Ongetwijfeld was de opsteller van de brief teleurgesteld door het mislopen van een benoeming als burgerlid in de commissie voor straatnaamgeving en huisnummering. Nu stond niets anders te doen dan – in mijn functie van secretaris – een brief schrijven waarin door het college van B. en W. hun ‘welgemeende’ excuses aangeboden werd. Het was natuurlijk niet mogelijk in die brief te schrijven, dat ordinaire competentieproblemen de oorzaak van het kruisen van de brieven was. Omwille van tijdwinst besloot ik de brief persoonlijk te bezorgen. Dat werd zeer op prijs gesteld. ‘Ik moest niet denken dat dit mij persoonlijk zou worden aangerekend.’ De briefschrijver beloofde dit – in een nieuwe brief aan de wethouder – duidelijk uiteen te zullen zetten, máár er was – in het weekweekend – wel een bezwaarschrift geschreven en onderweg. Buiten de tijdelijke administratieve overlast die bij aanpassing van huisnummers voor eenieder gold, had hij geen argumenten tegen aanpassing van de slechts drie huisnummers in de hele straat. Zijn bezwaar was nog steeds de bouw van de flat ‘in zijn achtertuin’ waarvan hij schaduw kreeg. Ik probeerde duidelijk te maken dat dit niets met een goede huisnummering te maken had. “Dan maken ze de flat maar minder hoog en bouwen ze de bovenste etages maar niet. Met een minder hoge flat heb je minder schaduw en parkeeroverlast !” Meer dan ‘dankbaar’ en beleefd mijn kopje koffie leeg te drinken, stond mij niet te doen. Een opeenstapeling van escalaties volgde. Mijn chef gaf opdracht – vanwege het ingediende bezwaarschrift – een door het college te ondertekenen brief te schrijven. Hierin stond vermeld dat het college op het eerder genomen besluit terugkwam. De oude huisnummering zou hersteld worden. Aan het nieuwe flatgebouw werd – in tegenspraak met het in de commissie besloten beleid – een nieuwe straatnaam toegekend. Bij afwezigheid van de burgemeester moest de 1e loco-burgemeester de brief ondertekenen. Zij weigerde furieus. Een van de collega’s van de afdeling ‘burgerzaken’ had haar gewaarschuwd dat deze brief in aantocht was en op het zigzagbeleid van het college gewezen als die op haar eerder genomen besluit terugkwam. De gewijzigde adressen waren direct na het B. en W-besluit in de computer verwerkt en aan andere overheidsinstellingen doorgegeven. Zelfs de oproepkaarten voor de aanstaande verkiezingen vermeldden de gewijzigde adressen. “Hoe kan dit nou,” vroeg de vice-partijvoorzitter op de kamer van haar collega-wethouder en voorzitter van de commissie straatnaamgeving en huisnummering. Tegenover twee wethouders kon ik mijn chef moeilijk afvallen door het hele verhaal te vertellen. Hier zou ik dan ook nog op afgerekend worden, want deze zaak winnen was godsonmogelijk. Ondanks het feit dat de CDA-wethouder bij navraag van telefonische informatie over een bepaalde omnummering mij complimenteerde met mijn juiste wijze van aanpak en afhandeling. Hier had ik niets aan en thuis intussen een kast van vol staan. Na een jaar zonder noemenswaardige problemen voor een goede straatnaamgeving en huisnummering gezorgd te hebben, had hij in korte tijd kans gezien twee B. en W.-besluiten over aanpassingen van huisnummers – op oneigenlijke gronden – te wijzigen. “U brengt mij in een onmogelijke positie,” was een te ver doorgevoerd loyaliteitsgevoel het antwoord aan de 1e loco-burgemeester. “Ik teken niks en wil dit dinsdag in de B. en W.-vergadering bespreken,” zei ze op hoge toon met een minachtende blik. Ze had het vermogen om als een blad aan een boom om te draaien.

Na een nacht slecht geslapen te hebben, belde ik ten einde raad op zaterdagmorgen de gemeentesecretaris en vertelde hem met een probleem te zitten. Uit de wijze waarop hij geruststellend met “zeg het maar Wim” reageerde, begreep ik dat hij van het probleem wist en nam aan dat de loco-burgemeester als een ‘juffrouw ooievaar’ op hoge poten om uitleg naar de gemeentesecretaris (meneer de uil) gerend was. “Ik heb maandagmorgen sollicitatiegesprekken en zie geen kans met jou dinsdag vóór de B. en W.-vergadering een afspraak te maken. Als je maandagmorgen alle stukken verzamelt en bij mijn secretaresse afgeeft, zal ik zorgen ze voor de B. en W.-vergadering gelezen te hebben.” Zondagmiddag ging ik naar mijn bureau en verzamelde – in alle rust – de relevante gegevens. Mijn vrouw had me weer voor gek verklaard, maar dat deed me niets. Ik wilde, hoe de beslissing van B. en W. ook uit zou vallen, dat alle informatie boven tafel kwam. En begreep dat ‘de politiek’ grillig was en ik er niet bij voorbaat op kon rekenen dat het besluit omtrent de huisnummering niet veranderd zou worden. Maar het gaf een goed gevoel er dan tóch alles aan gedaan te hebben om duidelijkheid te scheppen. In de ordner met de verzamelde gegevens, vroeg ik in een persoonlijke brief de gemeentesecretaris om een gesprek. Op maandagmiddag werd ik bij mijn chef ontboden. Hij vroeg wat er in de persoonlijke brief aan de gemeentesecretaris stond ? Hoe kon hij iets weten over een persoonlijke brief ? Had de gemeentesecretaris hier met hem over gesproken ? Ik snapte er niets van en antwoordde geen behoefte te hebben om met hem over een persoonlijke brief te spreken die voor iemand anders bestemd was. Kon ik de gemeentesecretaris en partijgenoot dan óók al niet meer vertrouwen ? Deze liet namelijk niets meer van zich horen. Later bleek dat mijn chef tussen de middag in de ‘bestuursvleugel’ gesignaleerd was om zijn regenjas die hij ’s morgens had laten hangen, op te halen. Dan zal hij op zoek geweest zijn naar de ordner met de verzamelde gegevens en de persoonlijke brief in gesloten enveloppe gezien hebben, was de enige verklaring die redelijkerwijs door mij te bedenken was. De partijgenoot-gemeentesecretaris kreeg van mij voorlopig nog het voordeel van de twijfel. En kon me niet voorstellen dat hij een brief persoonlijk aan hem gericht, zou gaan bespreken voor hier met mij over gesproken en instemming te hebben. Dat hij geen enkel contact opnam, begreep ik niet en viel me van hém erg tegen. Het besluit van B. en W. luidde dat het eerder genomen besluit ingetrokken werd. Voor de enkele tientallen meters lange en doodlopende weg met een vijftigtal parkeerplaatsen voor de flat werd voorgesteld een aparte straatnaam toe te kennen. Zuchtend herinnerde ik me de historische uitspraak van Jan Schaefer. “Is dit gewoon beleid of is hierover nagedacht !” Voorgesteld werd de suggestie van een van de drie betrokkenen, bezwaarmakers en neerlandicus – A. Roland Holstlaan – over te nemen. In een schriftelijke raadpleging vroeg ik de leden van de commissie straatnaamgeving en huisnummering of over de voorgestelde straatnaam een positief advies aan het college van B. en W. gegeven kon worden. De prins der Nederlandse dichters met talrijke prijzen zoals de Constantijn Huijgensprijs (1948), de P.C. Hooftprijs (1955) en de Grote Prijs der Nederlandse Letteren (1959) verdiende meer dan dat zijn naam aan een veredeld parkeerterrein, annex inrit, gegeven werd. ‘Van misselijkheid moet hij zich in zijn graf hebben omgedraaid.’ Tegenover de leden van de commissie hield ik wijselijk mijn mond. Dit kon alleen maar vechten tegen de bierkaai worden als niet op basis van argumenten overlegd werd. Een saillant voorval hierbij was dat mijn chef het over Roland Holstlaan had en vroeg waarom ik er steeds een A. voor schreef. “Omdat er een Adriaan, Richard, Henriëtte en nog vele bekende leden uit die familie waren ! ” En legde hem uit dat Roland hier geen voornaam maar een gedeelte van een achternaam was. Opnieuw een bewijs dat er op dit werkterrein voor ons geen vruchtbare samenwerking was weggelegd. Als er überhaupt nog ergens samengewerkt zou kunnen worden. Onze relaties waren totaal verstoord. Hij was in zijn opzet geslaagd om een onwerkbare situatie te creëren

Naast al deze werkzaamheden vond er nog steeds een tripartiete overleg tussen de sectordirecteur, adviseur arbeidsaspekten en mij plaats. Dit overleg had na maanden – buiten de sterkte/zwakte analyse – niets opgeleverd. Mijn directe chef werd overal buiten gehouden en kwam geregeld om informatie. Er viel niets te melden. Alleen dat na het aanvankelijk open en eerlijk gestarte overleg, de sfeer grimmiger werd. Tijdens de maand dat de adviseur arbeidsaspekten met vakantie was, belegde de directeur plotseling een nieuwe bijeenkomst in aanwezigheid van de P & O-adviseur. Aanvankelijk was mijn baas ook voor dit gesprek uitgenodigd. Bespreking van het onderzoeksrapport was hetgeen op de agenda stond. Ik vond het niet fair dat niet even gewacht kon worden totdat de adviseur arbeidsaspekten van vakantie terug was en weigerde te accepteren dat mijn baas, die tot nog toe overal buiten gehouden was, bij de bespreking van dit voor mij zeer persoonlijke rapport aanwezig zou zijn. Voor mij zou hiermee alle toegezegde ‘vertrouwelijkheid ’ door het op straat gooien van mijn privacy, geschonden worden. Daarnaast was mijn baas een techneut en geen personeelsdeskundige. Bovendien stonden in het rapport zaken vermeld waarvan het niet nodig was dat Jan en alleman hier kennis van nam. De uiteindelijke bespreking van het rapport – zonder mijn baas en de adviseur arbeidsaspekten – beperkte zich tot discussie over één totaal uit zijn context gerukte passage. De bijeenkomst ademde een provocerende, oorlogszuchtige sfeer uit. Ik had het kunnen weten. De opzet was van meet af aan niet anders geweest. Met de afwezigheid van de adviseur arbeidsaspekten was het niet te missen element van bewaking voor de ‘zuiverheid’ van de procedure komen te vervallen. De sectordirecteur gebood mij me bij het mobiliteitsbureau ‘Wissels’ in te laten schrijven. Waarom ? Alleen omdat men niet in staat was een juiste functiebeschrijving te maken, zonder dat dit tot een promotie zou leiden ? Mijn directe chef had lang geleden toch al uitgesproken “en als je maar niet denkt, er één cent meer mee te gaan verdienen !” De sectordirecteur had – zoals eerder vermeld – ook al de deal tot benoeming van hoofdopzichter/chef ‘kapitaalswerken’ die de burgemeester en de vakbondsonderhandelaar hadden gemaakt, geblokkeerd. “Als ze de schaal die er voor staat niet willen geven, laat ze dan toch in ieder geval met een bod komen, ” zei ik tegen mijn vakbondsman. Verder gaf ik aan het allemaal spuugzat te zijn. Maar als het dan zo nodig moest, wilde ik me wel bij het mobiliteitsbureau in laten schrijven. Achteraf bleek dat mijn baas – al dan niet vrijwillig – hier ook ingeschreven stond. Was dit ook beleid of een modegril ? Bij het mobiliteitsbureau aangekomen, moest ik op een formulier, 53 jaar oud en de militaire dienstplicht sinds ‘mensenheugenis’ afgeschaft, aangeven of de militaire dienstplicht nog vervuld moest worden. Dáárom, weigerde ik het formulier in te vullen. De P & O-adviseur had beloofd – ter voorbereiding – bij de aanmelding het mobiliteitsbureau de situatie uit te leggen. Dit bleek niet gebeurd te zijn. Er bleef niets anders over dan opnieuw contact met de vakbond op te nemen. Omdat de vakbondsbestuurder mij hierna telefonisch niet kon bereiken, schreef hij een kort briefje. Hierin stond dat hij met de adviseur arbeidsaspekten telefonisch contact gehad had. Zij had gevraagd of ik wellicht bereid zou zijn tot ‘outplacement.’
“Ik heb die vraag niet beantwoord, dat ligt niet op mijn weg. Heb wel aangegeven, wat daarvan aan extra’s feitelijk te verwachten zou zijn, gezien leeftijd, privé-situatie (plaatsgebonden) en dergelijke.
Na de vakantie pakken we de draad weer op.
Met vriendelijke groeten…. ”

Terug van vakantie was ik weer aan het werk en probeerde te vergeten wat zich voor de vakantie allemaal afgespeeld had. Voor de op stapel staande inbreidingen lag genoeg werk te wachten. Met mijn collega van het gemeentearchief was afgesproken om eens na te gaan of verschillende straatnamen aan revisie toe waren. Zo circuleerden van enige straatnamen verschillende schrijfwijzen. Von Beethovenlaan naast van Beethovenlaan, Michiel de Ruijterstraat – Michiel de Ruyterstraat, Sint Jansstraat – Sint Janstraat, Sint Josephstraat – Sint Jozefstraat en Stationsstraat – Stationstraat waren enige straatnamen die hierbij spontaan bovendreven. Bij het uitvlooien van de lijst zouden er nog wel meer te voorschijn komen. Goed uitgerust, met veel plezier in mijn werk en nieuwe plannen, hervatte ik mijn werkzaamheden. Tót op die bewuste vrijdag – 25 september 1998 – ik met een ‘omgekeerde wereld’ te maken kreeg. ‘s Morgens had ik de gemeentesecretaris bij het passeren op de eerste etage van het stadskantoor normaal gegroet. Het leek of hij ‘vluchtend ’ de kamer van de adviseur arbeidsaspekten binnenging en de deur met een klap dichtgooide. Het dichtgooien ging met zoveel geluid gepaard dat het hele Stadskantoor het gehoord moest hebben. Beneden bij de receptie liep ik de burgemeester tegen het lijf en wilde hem groeten. Schichtig, oogcontact vermijdend, begon hij naar de receptie kijkend om zijn chauffeur te schreeuwen. “Waar is Jacques ?? ” ‘Nou, dan niet !’ Tussen de middag trof ik tussen de reclamefolders van Blokker, HEMA en A.H. een – niet aangetekende – ontslagbrief op de deurmat aan.

5. Rouwverwerkend ambteloos burger
“Laf en niet te geloven, het is dat ik jou op je woord moet geloven, ” zei mijn zwager als reactie op de mededeling van het ontslag. “In mijn dertigjarig directeurschap in het onderwijs heb ik verschillende keren in opdracht van schoolbesturen mensen moeten ontslaan. Vele redenen zijn hiervan de oorzaak geweest. De ene keer was het omdat ze boventallig geworden waren, of omdat ze ergens met hun vingers aangezeten hadden waar ze niet aan hadden mogen komen. Soms was ik daar zelf heel ontroerd onder, maar nooit is deze boodschap alléén per brief overgebracht. Altijd heb ik in een gesprek zo’n brief persoonlijk overhandigd. Dit was nu een van de minder plezierige taken die bij het directeurschap hoorde. Als ik je ergens mee kan helpen, schroom niet, je weet me te vinden en vergeet niet, van verbittering is nog nooit iemand beter geworden.”
‘Hoezo verbitterd !’ Dit zou de titel van mijn boek worden. Schrijven is altijd een hobby van mij geweest, iets wat ik met plezier doe. Deze hobby schijnt met vele landgenoten gedeeld te worden. In Nederland liggen duizenden manuscripten op de plank – van z’on driehonderduizend schrijvers en aspirant-schrijvers – welke bij geen uitgever te slijten zijn. Aan het schrijven, beeldhouwen en kneden van teksten tot ze harmonisch en, als het kon, tot een humoristisch geheel gevormd waren, gaf ik me graag over. Les 1 uit de psychologie luidt; als je kunt, schrijf het van je af. Ditzelfde heeft de vrouw van Freddy E. gedaan. Alleen vond Roland-Jan Heijn dat de ton die ze er aan overgehouden heeft wel aan een goed doel had kunnen schenken. De een zijn dood was hier zeker de ander zijn brood. En deze schenking had niet eens aan Obibio hoeven te zijn zo zei hij nobel.

Met het starten van dit schrijven realiseer je je dat ontslag vaak voorkomt en de oorzaak van de meeste ontslagen buiten de persoon van de ontslagene ligt. Miljoenen Nederlanders hebben dit de afgelopen decennia meegemaakt en in dezelfde maand als waarin mijn ontslag viel zijn er nog duizenden ontslagen. Onze maatschappij is creatief in het bedenken van eufemismen voor ontslag. Mensen worden verzocht te vertrekken, zijn overcompleet, moeten afvloeien of het is beter voor hen naar iets anders uit te zien. Maar mijn ontslagsituatie maakte het schrijven er niet makkelijker op. Vooral het onderdeel ‘met humor schrijven’ bleek moeilijk te zijn. Bij ieder stukje ‘humor’ moest ik me afvragen of het – bij een mogelijke uitgave – de juridische toets zou doorstaan. De kunst om niet in extremen, gefrustreerd, verbitterd of zeurend te schrijven maakte het er niet makkelijker op. Voor het verzinnen van de waarheid – Harry Mulisch in zijn boek ‘Het theater, de brief en de waarheid’ – moest ik waken voor dagdromerij, woede als bron van inspiratie en het verhevigen of bagatelliseren van de realiteit. Ik had me al eens voorgenomen een boek te schrijven ter gelegenheid van mijn 25-jarig ambtsjubileum. Collega’s hadden laten blijken zeer benieuwd naar dit boek te zijn. Maar het was er nooit van gekomen. Nu lag het compleet anders. Het feit en de wijze waarop – na 32-jaar overheidsdienst – de mededeling van het ontslag kwam, had bijna voor een hartverlamming gezorgd. En hoe ongeloofwaardig – zoals door menigeen meermalen gevraagd – ik had het niet verwacht of aan zien komen. Nog meer pesterijen wel, maar daarvoor had ik al bijna eelt op mijn ziel gekregen. Steeds moest ik aan het van verjaarspartijtjes bekende verhaal denken. De persoon die totaal onverwachts ontslagen was en een tijdlang ’s morgens met zijn broodtrommeltje de deur uitging om doodleuk ’s avonds thuis te komen. Zijn dagelijkse bezigheden dodend met in stationsrestauraties koffiedrinken, in leeszalen van bibliotheken lezen van kranten en tijdschriften of het bekijken van pornofilms in lugubere filmzaaltjes. En bij vrouw, kinderen en bekenden de indruk wekkend gewoon naar het werk geweest te zijn. Hoe moeilijk ook, dit zou mij niet gebeuren. Opnieuw begon ik de brief te lezen.

Per 1 januari 1997 bent u benoemd in de functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ bij de afdeling Beheer van de sector Stadsontwikkeling en –beheer. Omdat al spoedig bleek dat u aan de functie niet de gewenste invulling kon geven, bent u sedert 1 april feitelijk belast met andere niet tot deze functie behorende werkzaamheden in het kader van straatnaamgeving en huisnummering. Gelet op artikel 10.8 van het Sociaal Statuut Gemeentelijke Herindeling waarin is bepaald dat de periode van bovenformaliteit per 1 januari eindigt, zijn wij genoodzaakt u – met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden – per die datum ontslag te verlenen met recht op wachtgeld.

Hoogachtend,
Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roosendaal

Geen gewenste invulling kon geven, dank je de koekoek. Wie kan aan een functie van ‘gebakken lucht’ inhoud geven Vanuit een functie volgens het formatieplan, zonder ontslag en nieuwe benoeming, in een bovenformatieve functie geplaatst ? Dit kon niet ! Zou er dan toch een ‘foutje bedankt’ – wel of niet met opzet – door de top van het ambtenarenapparaat gemaakt zijn ? Met mijn vrouw sprak ik af in ieder geval te proberen rustig te blijven. Even tijd scheppen om na te denken. We probeerden gewoon te doen alsof er niets gebeurd was en gingen die vrijdagavond naar ons maandelijkse kaartavondje. Na een nacht wakker gelegen te hebben, besloot ik aan de weekendarts om slaaptabletten of een ander kalmerend medicijn te vragen. “Houd het maar niet stil, want zo’n verhaal gaat rond als een lopend vuurtje en voor je het weet is het overal bekend,” zei hij onder het schrijven van een recept. Om het weekend door te komen kreeg ik een paar tabletten met de waarschuwing geen ‘domme’ dingen te doen en na het weekend zo snel mogelijk met mijn huisarts contact op te nemen. Wij besloten als eerste onze kinderen op de hoogte te stellen van het onheil dat ons overkomen was. Aan mijn verhaal konden zij ook geen touw vastknopen. Toch moest ik proberen uit te leggen wat de echte oorzaak was, als ik die zelf al dacht te weten. Schuif het maar op competentieproblemen en als die bij de overheid opgelost moeten worden, mag dat geld van de belastingbetaler kosten, waren de enige redenen die eraan gegeven konden worden. Het was niet mogelijk er nog iets anders bij te bedenken. Ik had daar geen zin in en werd er ook zo moe van om me tegen zoveel onrecht te moeten verdedigen. En ging me afvragen waar de grenzen van mijn zelfrespect lagen.
“De gemeente – als bedrijf – heeft jou iets aangedaan en je bent op dit moment nog gewoon in dienst van de gemeente. Als ik je al naar een hulpverlener moet sturen, dan zal dat het RIAGG worden. Daar kom je op een wachtlijst voor een psycholoog en kan het nog een hele tijd duren voor je aan de beurt bent. Ga maar naar je bedrijfsarts en laat hem het maar oplossen,” zei mijn huisarts. De bedrijfsarts begreep de hulpvraag heel goed en vond het verhaal dat hij moest aanhoren niet om te geloven. “Ik denk dat jij het beste geholpen bent met iemand op het terrein van bedrijfsmaatschappelijke-psychologie en die heb ik bij de ARBO-Roosendaal niet voorhanden. Het lijkt ook beter om een onafhankelijk iemand van buiten Roosendaal hiervoor te zoeken.” Eerst moest hij bij de gemeente hiervoor om toestemming vragen, want van het toegekende krediet kon dat niet zomaar. Per slot van rekening was de Arbo-dienst een – los van de gemeente – zelfstandig uitvoerend orgaan met eigen financiële middelen. Toch vreemd dat de ‘veroorzaker’ van problemen toestemming voor hulpverlening moest geven ! Maar ja, zo was het nu eenmaal geregeld. “Maak je daar maar geen zorgen over, ik bel je zo dat het akkoord is, maar ik moet het nu eenmaal eerst vragen,” zei de bedrijfsarts vriendelijk. En jawel, voor ik nog maar goed en wel thuis was, kwam het telefoontje dat de bedrijfsarts toestemming had gekregen om een hulpverlener in te schakelen.

Omdat ik me niet ziek genoeg voelde, ging ik ‘gewoon’ werken. Dat, was wel een ‘probleem !’ Een ziekmelding was het minste waarop door de leiding gerekend werd. Heel vernuftig werd dit opgelost. In het ambtenarenreglement waren vele soorten verlof opgenomen zoals ouderschapsverlof, buitengewoon verlof, non-activiteiten verlof en voor gevallen waarin deze soorten niet of niet naar billijkheid voorzagen, konden burgemeester en wethouders een bijzondere regeling treffen. Tot het treffen van een bijzondere regeling werd besloten. Van 29 september t/m 31 december gold bijzonder verlof en was de persoon Arts hiermee buiten beeld. Als militairen de ‘Nijmeegse Vierdaagse’ uitgelopen hadden of terugkwamen van een vredesmissie uit Bosnië werd hen bijzonder verlof verleend. Andere gevallen van toekenning van bijzonder verlof waren mij niet bekend. Later werd mij duidelijk dat burgemeesters, wethouders, hoogleraren e.d. ook met bijzonder verlof gingen. Mijn ontslag en de reden van deze drie maanden ‘bijzonder verlof’ waren onverklaarbaar. “Je moet niet proberen dat allemaal te verklaren,” adviseerde een bekende tijdens een verjaarsvisite. Zelf was hij tijdens zijn ‘midd-life’ in de WAO gesukkeld. Hij had ervaren, dat mensen waaraan je dit probeerde uit te leggen toch vaak ‘dubbele’ gedachten hieraan overhielden en was daar dan ook maar mee gestopt. “Je gedachten en gevoelens hierover kun je soms bij je vrouw, een hulpverlener of goede vriend kwijt. Verder hoef je niet te proberen het aan iemand uit te leggen, je zult er alleen maar meer frustraties aan overhouden,” zei hij met de problematiek ervaring opgedaan hebbend. Iets proberen uit te leggen over jezelf is meestal vergeefs, en zeker als het beeld al gevormd is vóórdat je je mond hebt opengedaan.

Mijn chef mocht het heugelijke feit van het bijzondere verlof mededelen. Zonder commentaar stroomde zijn verhaal als een koude douche over mij heen, waarna ik terug in mijn kamer op mijn bureaustoel minutenlang, zonder iets te zien, naar buiten staarde. Geen collega die de moed kon opbrengen iets zinnigs te vragen of te zeggen. Onderbroken door een enkel binnenkomend telefoongesprek heerste nagenoeg doodse stilte.
Uit mijn kantoorkast en bureau verzamelde ik persoonlijke spullen. Wezenloos voor me uit starend, stond ik met privé spullen in twee volle fietstassen en een doos – in de regen – op het trottoir voor het kantoor. Tijdens het moment van overweging naar huis te fietsen of naast mijn fiets te gaan lopen, kwamen collega-landmeters met hun bestelauto aanrijden. Begrijpend, dat ik op het punt te stond mijn ‘dodenmars’ te beginnen – de tamtam had zijn werk gedaan – boden ze aan de doos en de zwaarste spullen uit mijn fietstassen achterna te brengen. Met voor mij van niet énkel de regen een nat gezicht arriveerden we bijna tegelijkertijd op het pleintje bij mijn woonhuis. Alleen binnen, met een handdoek mijn gezicht afdrogend en iets te roken opstekend, overviel me het gevoel als een ‘crimineel’ behandeld te zijn. Hoe anders en feestelijk had ik me de beëindiging van mijn ambtenaarschap voorgesteld. Een meer dan 30 jarig overheidsdienstverband en ’n ruim 25-jarig actief vakbondslidmaatschap. Zou dit laatste de reden van het ontslag zijn en de onmenselijke behandeling ? Vluchten kon niet meer. Ach, barst !! Ik realiseerde dat het nu echt menens werd, een weg terug was er niet. Mij kwam het beeld van de scheidsrechter tijdens een voetbalwedstrijd voor ogen, waarbij de tegenpartij heftig protesterend en zonder resultaat aan de scheidsrechter sjorrend probeerde een andere beslissing te forceren. Ik besloot alles via mijn vakbond af te laten wikkelen, gegeven de onmogelijkheid dit ontslag terug te draaien. De meeste besluiten van ontslagen worden op subjectieve gronden genomen en zullen daarom ook bijna nooit teruggedraaid worden. En als dat – zoals later in dit verhaal – toch gebeurt, zal het alleen maar een onwerkbare situatie tot gevolg hebben. Na ruim een week nam de P & O-adviseur telefonisch contact op. Ze verontschuldigde zich voor het verlate telefoontje – vanwege huishoudelijke omstandigheden – en dat maakte het er niet beter op. Ik vroeg in welke hoedanigheid ze belde ? “Functioneel, ” luidde het formele antwoord. Na een bijna 25-jarig op afstand vriendschappelijk en collegiale omgang had ik haar hoger ingeschat. “Mevrouw, als u nog iets wilt weten, kunt u met mijn vakbondsbestuurder of advocaat contact opnemen, prettig weekend !” en ik maakte een eind aan het telefonische contact door de hoorn er op te ‘leggen’. Vertel me niks, dit was zeker geen beleefde en vriendelijke manier van het beëindigen van een telefoongesprek. Ik kan er nog kwaad over worden als ik er aan denk. ‘Iemand een lange week zonder hulp, taal noch teken in de kou laten staan !’ Ofschoon het mij eigen was er altijd naar te streven anderen beleefd tegemoet te treden, verdiende deze wijze zeker geen schoonheidsprijs. Als ambtenaar werd je ongevraagd hierin getraind door de soms bloed onder je nagels vandaan halende Roosendalers. Even later realiseerde ik me weinig als een ‘heer’ gedragen te hebben, en overwoog de oud-collega mijn excuses aan te bieden. Maar om erger te voorkomen, besloot ik dit toch maar niet te doen. De vakbond moest dit maar rationeel tot een goed einde brengen. Per slot van rekening was ik hier niet voor niets meer dan dertig jaar lid van.

De ARBO-UNIE West- en Midden-Brabant berichtte na korte tijd een vrouw als hulpverlener gevonden te hebben. Bij de eerste kennismaking ‘klikte’ het. Ze kwam over als een dame van mijn leeftijd. Althans, voor zover je dat grofweg kunt inschatten. Er was na enige ontmoetingen een vertrouwensband. Dit schiep de mogelijkheid om – met behoud van functionele afstand – te tutoyeren. Bij de contacten met mijn vakbondsadvocaat lag dat anders. Zij wenste niet getutoyeerd of met haar voornaam aangesproken te worden en bleef me steevast met ‘mijnheer’ aanspreken. In het gesprek tussen de vakbondsbestuurder en de advocaat en tussen de vakbondsbestuurder en mij werden over en weer voornamen gebruikt en getutoyeerd. Alleen ik vermeed het gebruik van iedere persoonsvorm, de aanspreektitel van mevrouw of het uitspreken van haar voornaam. Wellicht dat het meningsverschil over het besluit – vanwege een in haar ogen onnozel probleem – naar de rechtbank te gaan voor haar hiervan mede de oorzaak was. Maar om door een leeftijdgenote van je dochters iedere keer met mijnheer of u aangesproken te worden schept – zeker na enige tijd – een onnodige afstand. Nu was het mij bekend dat juristen wordt geleerd iedere emotie uit te schakelen en niet over persoonlijke maar juridische zaken te oordelen. Maar toch ! Bij de bedrijfsmaatschappelijke-psychologisch medewerkster van de ARBO-Unie lag dat gelukkig anders. Met haar kon ik mijn gevoel van als een crimineel behandeld te zijn, bespreken. En ofschoon zij primair als ‘praatpaal’ fungeerde, neutraal moest blijven en geen partij mocht kiezen, sprak te rechter tijd haar lichaamstaal boekdelen. Op de vraag wat nu eigenlijk de bedoeling van deze sessies was, pakte ze haar schrijfblok en schreef slechts één woord. Het schrijfblok in mijn richting omdraaiend, las ik het woord ROUWVERWERKING !
“Meer niet !” voegde ze er ter verduidelijking aan toe. “Na alles wat ik gehoord heb, geloof ik niet dat het nog mogelijk is dat het ontslag ongedaan gemaakt zal worden. Je zult moeten leren het te aanvaarden, hoeveel onrecht jou nou wel of niet aangedaan is. Daar wil ik me niet in verdiepen, dat is mijn opdracht ook niet. Je moet leren weer als een gewoon burger – zonder schaamte – het stadskantoor in te gaan. Dat je momenteel het stadskantoor mijdt is heel normaal.” Jij hebt vanuit je comfortabele bureaustoel makkelijk praten, dacht ik, me tegelijkertijd realiserend nog wellicht een kwart van de tijd van een ‘normaal’ werkzaam leven voor me te hebben. Vrijwilligerswerk zou er altijd voldoende zijn. Dat was het probleem niet. Maar het was niet de optie die ik als eerste voor ogen had. Allereerst moesten er twee zaken geklaard worden: rouwverwerking en als tweede een schadeloosstelling vanwege mijn onrechtmatig ontslag. Ongetwijfeld zou schadeloosstelling ook een deel van de rouwverwerking zijn, waarmee de boosheid en agressie konden verdwijnen. Voor het gedeelte rouwverwerking was – met de deskundige hulp van de arbo-medewerkster – tijdens mijn bijzonder verlofperiode minder dan drie maanden tijd. Daarna was ik ambteloos burger. Het krijgen van schadeloosstelling en een stukje genoegdoening voor het onrechtmatig ontslag lagen een stuk moeilijker. Hiervoor zou meer tijd nodig zijn. Hoewel het aanvankelijk als twee verschillende zaken voorkwam, groeide al snel het besef dat deze twee zaken onlosmakelijk waren. Dit werd ook duidelijk uit de woede die ontstond als gezegd werd dat zoals uit andere gevallen ook gebleken was, de gemeente genoeg in huis had om te zorgen dat geen recht gedaan zou worden. “Dan wil ik nog wel eens zien wie de langste adem heeft en wat ze doen als ik het in de pers gooi !”

In het fiscaal juridisch Magazine van Nationale-Nederlanden stond geschreven dat ‘het heden ten dage niet ongebruikelijk is, dat bij beëindiging van een dienstbetrekking in verband met ontslag een schadeloosstelling wordt toegekend.’ De aanleidingen van een dergelijke schadeloosstelling konden velerlei zijn. Een reorganisatie was een van de als voorbeeld genoemde aanleidingen. Voor wat betrof de berekening van de door een werknemer geleden immateriële schade (smartengeld) waren geen vaste regels te geven, aangezien persoonlijke omstandigheden in overwegende mate een rol speelden. Het ambtenaarschap met een wachtgeldregeling tot 65 jaar – in mijn geval – was zo’n bijzondere persoonlijke omstandigheid. Een algemene formule voor de bepaling van schadeloosstelling was derhalve niet voorhanden. In de praktijk werd ter bepaling van een uitgangspunt voor de te voeren onderhandelingen gebruik gemaakt van de ‘Zwartkruisformule.’ Deze formule luidde: ( a x b x c) : d . Hierbij stond a voor: [ 2 x (leeftijd – 25)] : 25 , b voor diensttijd in jaren, c voor het niveau van de functie, op een schaal van 1 t/m 5 en d voor herplaatsingkans, op een schaal 1 t/m 5, waarbij 1 minimaal en 5 maximaal weergeeft. Dit gaf – in mijn berekening – een uitkomst van ongeveer 160 maandsalarissen. Een andere mogelijke formule was de zogenaamde ‘kantonrechtersformule’, die in een aantal varianten door bedrijven en de kantonrechter wordt gehanteerd. Nu zou mijn situatie nooit bij de kantonrechter maar bij de rechter voor het bestuursrecht komen. Indien het niet in der minne geschikt zou kunnen worden. De varianten bij de kantonrechter liepen uiteen van de meest eenvoudige van 1 maandsalaris per dienstjaar tot en met de variant waarbij het resultaat wordt vastgesteld in combinatie van dienstjaren en leeftijd. Hierbij bedraagt de schadeloosstelling: 1 maandsalaris per dienstjaar dat is doorlopen in de leeftijd tot 40 jaar + 1,5 maandsalaris per dienstjaar doorlopen in de leeftijd van 40 tot 50 jaar + 2 maandsalarissen per dienstjaar doorlopen in de leeftijd van 50 jaar en ouder. Voor mij, met ruim 40 maandsalarissen als uitkomst. Sinds 1 januari 1997 is door de kring van kantonrechters hier nog een vermenigvuldigingsfactor van 1 aan toegevoegd. Waarbij, minder dan 1 bij verwijtbaarheid aan de kant van de werknemer en meer dan 1 bij ernstige verwijtbaarheid van de werkgever geldt. Uit jurisprudentie bleek dat deze factor tot 4 kon oplopen. Met als laatste variant die, waar voor personen boven de vijftig jaar twee jaar een dubbel jaarsalaris inclusief de vaste bruto bestanddelen gold. Kortom, een scala aan regelingen voor schadeloosstelling Overtuigd van de onrechtmatigheid van mijn ontslag nam ik contact met de vakbond op. Hoewel er nog een rechtzaak liep tegen de negatieve personeelsbeoordeling was in concept reeds een bezwaarschrift tegen het ontslag opgesteld. Mijn vakbondsadviseur ging – op een enkele juridische opmerking na – met het concept akkoord. Binnen een paar dagen werd dit bezwaarschrift ingediend.

Het bezwaarschrift werd niet ontvankelijk verklaard. Het college van B. en W. gaf – spitsvondig – als reden dat de ontslagaanzegging op zichzelf geen besluit was waartegen bezwaar of beroep mogelijk was. Tevens stond vermeld dat ze voornemens waren mij uit te nodigen om mijn zienswijze verder kenbaar te maken. Een vrijblijvend ‘praatje’ van gemeentewege was het laatste waar ik behoefte aan had en emotioneel ook niet toe in staat was. Ik vroeg mijn vakbondsadviseur hier naar toe te gaan, indien hij er het nut van inzag. “Als het nut om op deze uitnodiging in te gaan door jou niet ingezien wordt, dan vereist de beleefdheid toch minimaal om aan de uitnodiging gehoor te geven. Je kunt nooit weten of ze niet bereid zijn om met een oplossing voor het onrechtmatige ontslag te komen.” Later werd me duidelijk dat van vakbondszijde het spel vaak meegespeeld wordt. De uitkomst van het gesprek was minimaal. Als jij bij het gesprek geweest was, had men jou excuus kunnen aanbieden voor de wijze waarop jij op de hoogte van het ontslag bent gesteld, vertelde mijn vakbondbestuurder na afloop van de ontmoeting. En wat belet ze om dat alsnog schriftelijk te doen, brieste ik. Daarnaast, hadden ze hun bezorgdheid uitgesproken over mijn huidige daginvulling. ‘Hier hadden ze zich wel eerder druk over kunnen maken.’ Daarvoor hoefde ik toch niet naar het Stadskantoor te komen ! “Kan er vanuit de vakbond niet geprotesteerd worden tegen het niet ontvankelijk verklaren van het door mij ingediende bezwaarschrift ?” Mijn juridische kennis schoot te kort om dit zelf ter hand te nemen. “Het stemt toch niet overeen om enerzijds met vergoeding van de gemeente te werken aan rouwverwerking van het ontslag en anderzijds te schrijven dat er nog geen situatie van ontslag is.” Spoedig werd door de vakbond een bezwaarschrift ingediend tegen het niet ontvankelijk verklaren van het door mij ingediende bezwaarschrift.
Als er geschreven wordt dat u genoodzaakt bent per 1 januari 1999 ontslag te verlenen er sprake is van een definitief besluit, waartegen bezwaar mogelijk is, schreef mijn vakbondsbestuurder, na overleg met ‘mevrouw’ de vakbondsadvocaat in het nieuwe bezwaarschrift. Dat hij hier overleg met de juridische afdeling over opgenomen had, leidde ik af uit de initialen die bij de opstellers van de brief vermeld stonden. Verder was in de brief opgenomen: Gelet op de inhoud van het thans omstreden besluit, mag worden aangenomen dat voor 1 januari 1999 een formeel ontslagbesluit uwerzijds zal volgen.
Vervolgens werd duidelijk opgemerkt dat dit bezwaar vooral diende ter veiligstelling zodat geen termijnen overschreden zouden worden. In dezelfde periode dat mijn ontslag speelde, verscheen in de plaatselijke pers een bericht dat de directeur Welzijn ontslagen was en zij bij de rechtbank om een voorlopige voorziening had gevraagd. Van het ontslag van mijn collega had ik in de wandelgangen – voor het tijdstip van mijn ontslag – iets opgevangen. Ik had begrepen dat ondanks een ziekmelding, de burgemeester haar gesommeerd had zich bij hem te melden. De wildste geruchten deden de ronde. Op afstand volgde ik het een beetje maar begreep er niet veel van. Ziek zijn en dan toch op het werk moeten verschijnen. Later zou door de opmerking van mijn bedrijfarts, ‘dat mijn collega ook niet ziek was,’ het iets duidelijker worden. Het persbericht wekte mijn belangstelling. Een telefoontje naar de griffie van de arrondissementsrechtbank in Breda met de vraag om inzage van deze uitspraak te krijgen werd met een tegenvraag beantwoord. “Bent u belanghebbende ? ”
“Mij is per 1 januari a.s. eveneens ontslag aangezegd en ik ben er van overtuigd dat het hier ook om een onrechtmatig ontslag gaat.” Als mijn verzoek schriftelijk werd ingediend, zou het geen probleem zijn een afschrift te sturen. Beleefd en onderdanig van toon, met de toezegging eventuele onkosten te zullen betalen, schreef ik het briefje. Zonder acceptgiro of rekening arriveerde per omgaande een kopie van de uitspraak Alle namen van personen waren onleesbaar gemaakt. Dit was voor mij niet van belang. Het ging mij om het onrechtmatige van het ontslag, met de vraag of van de uitspraak nog iets geleerd kon worden. Uit de 5 A-4tjes met de beschrijving van het procesverloop, beoordeling en beslissing kon opgemaakt worden dat de ontslagen sectordirecteur Welzijn de president van de rechtbank verzocht om schorsing van het ontslag met het verbod voor de gemeente Roosendaal om gedurende de schorsingsperiode activiteiten te ontwikkelen voor een definitieve opvulling van de ontstane vacature. Volgens het voorlopige oordeel van de president kon niet op voorhand worden gezegd dat een ontslag om reden van de ontstane vertrouwensbreuk voor onrechtmatig moest worden gehouden. Doch evenmin stond naar het oordeel van de president vast dat de oorzaak van de vertrouwensbreuk in overwegende mate aan de ontslagen sectordirecteur was toe te schrijven. Tussen haar wethouder en de sectordirecteur zou een vertrouwensbreuk ontstaan zijn. Voor vele buitenstaanders volkomen onverklaarbaar. Zeker nadat gebleken was dat ze goed met elkaar overweg konden en de wethouder zelfs over haar sprak als ‘mijn maatje.’ Een achterstand in verrekening van subsidies voor bijstandsuitkeringen vanuit het ministerie vormde de basis van deze vertrouwensbreuk. Ook bij het ontslag van de sectordirecteur Welzijn ontbrak – in tegenspraak met hetgeen in het Sociaalstatuut van de reorganisatie bepaald – een personeelsbeoordeling. Het was duidelijk dat hier ook sprake van een flinterdun dossier was. Het verzoek van de sectordirecter Welzijn werd in eerste instantie afgewezen. In de conclusie schreef de president van de rechtbank onvoldoende aanleiding te zien voor het treffen van een voorlopige voorziening. De bezwaarfase strekt ertoe verweerder (gemeentebestuur) in de gelegenheid te stellen het ontslagbesluit en de gronden waarop dit besluit berust naar aanleiding van het bezwaarschrift in heroverweging te nemen. De hoorzitting is gepland op 8 december 1998. Voor de gevraagde voorzieningen is daarom onvoldoende spoedeisend belang. Ik vertaalde de uitspraak, dat de president van de rechtbank de gemeente een ‘gele kaart ’ gaf en de gelegenheid bood om de zaak in goed onderling overleg binnen korte tijd op te lossen. Tevens had ik gelezen dat de ontslagen sectordirecteur, uitgaande van de onrechtmatigheid van het ontslag, verzocht om toekenning van een aanvullende schadevergoeding volgens de kantonrechtersformule en vergoeding van de kosten voor de rechtsbijstand. Over aanpassing van de wachtgeldregeling hoefde niet gesproken te worden want naar verluidde had de sectordirecteur in ‘no time’ een andere en betere directeursfunctie. Nú was ik ervan overtuigd dat het mogelijk moest zijn om mij recht te doen. Hiervoor had ik op dit moment in ieder geval twee hulpverleners achter me staan. De ARBO-Unie West- en Midden-Brabant voor psychische- en de vakbond voor de rechtsbijstandhulp. Ik was me terdege bewust dat dit een lange tijd zou vergen. Het geforceerd trachten de looptijd hiervan te bekorten, zou alleen contraproductief en in mijn nadeel kunnen uitvallen. Intussen gonsde het in Roosendaal van de geruchten dat aan de sectordirecteur Welzijn ‘tonnen’ voor schadevergoeding was uitbetaald. En dat nadat een van de plaatsvervangers van haar voorganger ook – met meer dan een zakcentje – de laan was uitgestuurd. De toenmalige burgemeester/portefeuillehouder personeelszaken – de vriendelijke aristocraat die startte met de democratisering van de werkvloer – bevreemdde het dat betrokkene, toen hij het ontslag zag aankomen, een gesprek wilde. Zijn advocaat heeft daarop met de gemeente een regeling bedongen. Er mag door het ministerie van Sociale Zaken dan wel ruim één miljoen gulden aan achterstallige declaraties voor de bijstandskosten betaald zijn, de vertrouwensbreuk tussen de wethouder en sectordirecteur Welzijn heeft de Roosendaalse belastingbetaler meer gekost dan men van het ministerie heeft ontvangen. De achterstallige declaraties waren geen Roosendaalse zaak. In een groot aantal gemeenten was – o.a. door wijziging in de regelgeving – een achterstand vanuit het ministerie ontstaan. Wanneer en door wie zal een dam opgeworpen worden tegen de jaarlijks (–tig) duizenden onrechtmatige ontslagen in ‘gemeenteland’ met zilveren en gouden handdrukken ? Nog los van de menselijke drama’s die hiermee gepaard gaan. Waarom blijven de ambtelijk verantwoordelijken en politieke bestuurders bijna altijd buiten schot en gaan ze ‘vrij’ uit ? Het is toch te zot voor woorden dat in het geval van het ontslag van de sectordirecteur Welzijn, als door haar man aan de burgemeester een hand om een minnelijke schikking uitgestoken wordt. Geantwoord wordt: “stuur maar een advocaat !” Om een misverstand te voorkomen. De (met zijn vertrouwensbreuk bij de sectordirecteur Welzijn betrokken) CDA-wethouder vond ik ‘als persoon’ best sympathiek. Tijdens een verkiezingscampagne – beiden kandidaat voor een zetel in de gemeenteraad Roosendaal – zei hij tussen de verkiezingskramen van CDA en PvdA, ‘meer respect op te kunnen brengen voor ambtenaren met een eigen mening dan voor meelopers !’

Door mijn ontslag als gemeenteambtenaar was het mogelijk geworden binnen de gemeentepolitiek actiever te worden. Daar ging tevens een therapeutische werking vanuit. Mijn mogelijke kandidatuur voor de verkiezingen van de provinciale staten kon ik wel op mijn buik schrijven. Met mijn functie van gewestelijk secretaris en een Roosendaals statenlid met 3 zittingsperioden zag ik hier aanvankelijk wel mogelijkheden voor. Alle gewestelijk secretarissen die hiervoor gekozen hadden, waren een of meer perioden statenlid geweest. Volgens de ‘Felix Rottenberg-doctrine’ zou het Roosendaals statenlid – na 12 jaar – naar iets anders moeten uitkijken. Maar in weerwil van wat gebruikelijk was, liet zij zich opnieuw kandideren. Nadat bleek dat ze op de conceptlijst – vastgesteld door het gewestelijk bestuur – niet op de eerste drie plaatsen stond, besloot zij alsnog, toen het voor PvdA-West-Brabant al te laat was, haar kandidatuur in te trekken. De West-Brabantse afgevaardigde in de onafhankelijke commissie die de voordracht voor de conceptlijst verzorgde, had te veel oog voor het wegpromoveren van de PvdA-fractievoorzitter in zijn gemeenteraad. Daarmee kwam hij beloften niet na en verloor ik de mogelijkheid om op de conceptlijst als lid – PvdA-West-Brabant – alsnog een verkiesbare plaats te krijgen. Uit eerdere door hem gedane uitspraken zoals, “ik kan meer respect opbrengen voor iemand die met zijn poten in de modder gestaan heeft dan voor iemand met een laptop op beeldschone knieën,” had ik tevergeefs hoop geput dat hij mijn kandidatuur – evenals de vorige keer – zou steunen en zijn rug zou rechthouden. Tijdens de vorige gewestelijke ledenvergadering voor de vaststelling van de provinciale kandidatenlijst had hij mij op een opvolgersplaats kandidaat gesteld en met ‘verve’ verdedigd. Door de gedragingen van het statenlid en het lid van de onafhankelijke commissie – voor de samenstelling van de conceptlijst de meest invloedrijke West-Brabantse PvdA’ers – was het kwaad al geschied en ontbrak praktisch de mogelijkheid om op de gewestelijke ledenvergadering nog een wijziging in de conceptlijst aan te brengen, met als gevolg dat West-Brabant door de PvdA in de provinciale staten voor de huidige zittingsperiode niet vertegenwoordigd is. In de negentiger jaren was het in nagenoeg alle echelons van de partij onmogelijk gebleken dat ledenvergaderingen nog wezenlijke wijzigingen op de voorgelegde conceptlijsten konden aanbrengen. Omdat, zoals cardioloog professer Ad Dunning annex chef-scout naast Felix Rottenberg zei dat, “Moves op de lijst altijd in hoge mate kinderachtig waren.”

Nog net op tijd kon mijn aanmeldingsformulier voor een plaats op de lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen ingediend worden. De niet-verkiesbare zevende plaats op de lijst ervoer ik als teleurstellend en onterecht. Een week voor de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 1999 schreef het dagblad BN/ De Stem in een artikel:

Voorkeursactie voor ambtenaar

Een voorkeursactie past eigenlijk niet in de traditie van de PvdA. Maar onder het motto dat alle beetjes helpen, is ook de PvdA in Roosendaal om. De supportersclub van Wim Arts (53), nummer 7 op de lijst en zo op het oog kansloos, is dan ook in actie gekomen. Ze heeft vorige week zo’n vijfhonderd brieven de deur uitgedaan aan familie, vrienden, bekenden en oud-collega’s van Arts. En dat is een tikkie pikant. Arts was tot 1 januari 1999 ambtenaar bij de gemeente Roosendaal. Om met voorkeurstemmen in de raad gekozen te worden zijn 150 tot 200 stemmen nodig.

Het was moeilijk om bijzonder actief aan de voorkeursactie mee te doen. Ik had daarom ook nadrukkelijk voorkomen een oproep per advertentie in een huis aan huisblad te plaatsen. Een positief resultaat ging nu eenmaal ten koste van een van de andere kandidaten. Bij het binnenkomen van de hal in het Stadskantoor op de avond van de verkiezingsdag gunde de gemeentesecretaris mij een blik op het papier met het overzicht van het aantal voorkeurstemmen. Achter mijn naam stond het getal 99. Van de 35 raadsleden waren er 3 nieuwe raadsleden vanaf een onverkiesbare plaats met voorkeurstemmen in de gemeenteraad gekozen. Met mijn aantal had ik een ‘mooie’ vierde plaats op de lijst met voorkeurstemmen, maar onvoldoende om met voorrang in de gemeenteraad plaats te nemen. Door er voor te zorgen mij niet totaal uit het politieke en maatschappelijke leven terug te trekken, had ik in ieder geval aan de opdracht van mijn arbo-hulpverlener gehoor gegeven om mij niet volledig te isoleren en alleen met mijn ontslag en boek bezig te zijn. ANBO, bond voor vijftig plussers, vroeg mij als ‘adviseur’ voor het bestuur vanwege mijn bestuurlijke ervaring. Dit waren goede ‘therapeutische’ bezigheden om aan de zee van tijd invulling te geven. Mijn adviseurschap bij de ANBO zorgde mede voor een stormpje in het ‘politieke leven van Roosendaal.’ De CDA-wethouder financiën had in de voorjaarsnota voorgesteld ‘de Zalm-snip’ de nek om te draaien door deze in de post ‘Algemene Middelen’ onder te brengen en niet meer als korting voor de onroerend zaakbelasting beschikbaar te stellen. Door het bestuur van de afdeling Roosendaal van de ANBO werd een brief aan de minister van financiën gestuurd met de volgende tekst.

Excellentie,

Bij deze vragen wij uw aandacht voor het volgende:

Op diverse plaatsen in het land is men bezig de naar u genoemde vogel (de Zalmsnip) de nek om te wringen.
In de gemeente Roosendaal (Noord Brabant) in het bijzonder. Daar wil het college van B. en W., gesteund door de meerderheidspartijen, het volledige bedrag dat is gereserveerd om aan de bevolking te doen toekomen in de algemene middelen storten.

Als bond, die de belangen behartigt voor de 50 plussers, zijn we van mening dat deze vogel volledig, rechtstreeks en zichtbaar dient ten goede te komen aan diegenen waarvoor hij bedoeld is.

Bij deze verzoeken wij u om bij uw collega van Binnenlandse Zaken tussen te komen ten einde de gemeente Roosendaal (om in vogeltermen te blijven) terug te fluiten.

Mogen wij u beleefd maar dringend verzoeken om op de volgende ministerraad uw collega van Landbouw te informeren en hem te vragen om deze door de bevolking zeer geliefde vogel op de lijst van bedreigde diersoorten te plaatsen. Op deze manier zijn de gemeenten -waaronder Roosendaal – dan ook verplicht deze vogel te beschermen en voor uitsterven te behoeden.

Excellentie, er op vertrouwend dat u ons niet in de kou laat staan en dat u uw vogel in bescherming zult nemen,

verblijven wij met vriendelijke groet,

het afdelingsbestuur ANBO-Roosendaal

Als reactie op deze brief aan het ministerie van financiën heeft, met de onder de ambtenaren bij het ministerie van financiën ontstane hilariteit, het ministerie van binnenlandse zaken de gemeente Roosendaal teruggefloten. De CDA-wethouder financiën en vice-partijvoorzitter (opvolger Tineke Lodders) heeft daarop haar voorstel een zachte dood laten sterven en is de ‘Zalm-snip’ voorlopig voor de zittingsduur van het huidig college met twee jaar verlenging tot aan 2003 op de lijst van de beschermde diersoorten ingeschreven. Wat van links tot rechts de ‘politiek Roosendaal’ niet kon regelen, moest door een maatschappelijke organisatie – plaatselijk 400 leden – afgedwongen en geregeld worden. Een duidelijk voorbeeld voor het rapport Staatscommissie Dualisme en lokale democratie van de commissie-Elzinga, waarin onder andere vermeld staat:
Maatschappelijke ontwikkelingen hebben het monopolie van de representatieve democratie dat van oudsher gedragen wordt door politieke partijen, doorbroken. Nieuwe, directere vormen van participatie en beïnvloeding dienen zich aan. Het representatieve stelsel dreigt niet alleen zijn monopolie maar ook zijn primaat kwijt te raken. Om dat te voorkomen zullen nieuwe vormen van participatie en beïnvloeding moeten worden geïntegreerd in het representatieve stelsel
Dit laat onverlet dat ik het maatschappelijk en politiek gezien, toch wel jammer vind dat door knullig gedrag in een gemeente als Roosendaal met meer dan 75.000 inwoners jaarlijks zwermen Zalm-snippen voor wachtgeld, zilveren en gouden handdrukken de nek omgedraaid moeten worden.

Van de gemeente had ik inmiddels opdracht gekregen mij bij het Arbeidsbureau als werkzoekende in te laten schrijven. Hier werd – na een kort intakegesprek – het stempel ‘onbemiddelbaar’ gegeven, met als reden: leeftijd en ambtenarenverleden. Dit was niet uitnodigend om daar veel energie in te steken. Er was een situatie van passieve rusteloosheid ontstaan. Dit bracht mijn schoonzoon tot de uitspraak “gij kunt oe eige de hele dag druk bezig houden met niks doen.” Die houden we erin. Jouw uitspraak komt in mijn boek te staan ! Maar bovenal met de uitspraak van mijn zwager, “van verbittering is nooit iemand beter geworden”, probeerde ik een nieuwe weg in mijn leven te vinden. Ook de op de rol staande rechtszaak bij de rechtbank in Breda tegen het B. en W.-besluit over de uitspraak van de commissie voor de beroepschriften in ambtenarenzaken – het weigeren een nieuwe personeelsbeoordeling te maken – en het ingediende bezwaar tegen het ontslag vrat zoveel energie dat er weinig lust was om verder nog veel te doen. Nog zoekend naar die weg werd mij weinig rust gegund. Net bekomen van de verkiezingsbeslommeringen kwam de uitnodiging om op donderdag 8 april 1999 om 10.05 op de arrondissementsrechtbank te Breda voor de behandeling van mijn beroepschrift te verschijnen. In de wachtruimte van de rechtbank kwamen, als twee wolven uit het struikgewas naar voren springend, mijn voormalig afdelingshoofd/teamleider en de stadsadvocaat te voorschijn. Na meer dan een half jaar was het vreemd weer in oogcontact met mijn ‘oude baas’ te staan. Op enige afstand, met een nauwelijks waar te nemen knik, streek hij op een stoel neer. Hoe dan ook, ‘hij’ was in mijn ogen nog niets veranderd. Hautain riep hij – na korte tijd – van enige meters afstand, “toch jammer dat jij niet in de gemeenteraad gekozen bent. Dan had je bij mij in mijn commissie voor Beheer en Verkeer gekomen.” Die is gek ! Zou hij nou werkelijk denken voor de politiek in Roosendaal óók al de samenstelling van de raadscommissies te kunnen regelen ? Hoewel, de vierde macht bezat – in mijn ogen – in Roosendaal het primaat van de politiek. Niet alleen de leugen, maar ook de ambtenarij regeert ! Het meedoen met de verkiezingen was voor mij belangrijker dan het gekozen worden. Dit scheen hij niet te begrijpen. Aan de gelaatsuitdrukking van de stadsadvocaat kon ik aflezen dat hij zich hierbij wel iets voor de geest kon halen. We lieten het hier maar bij. Ik had weinig behoefte in het openbaar van een wachtruimte bij de rechtbank er dieper op in te gaan. “Hoe staat het met je boek,” vervolgde hij met een ondertoon die niet vrij van enig sarcasme was. “Oh goed, ik ben al op de helft.” Verder stil voor ons uitkijkend, wachtten wij rustig op het moment dat er afgeroepen zou worden: ‘zaak Arts versus gemeente Roosendaal.’

Het schrijven van het boek was in een ‘dip’ geraakt. Dat hoefde ik hem niet aan zijn neus te hangen. Gestart met schrijven in de derde persoon, kreeg het manuscript een ambtelijk en afstandelijker gezicht. Alsof het over een verzonnen verhaal ging. Zonder te willen accepteren dat ‘ik’ de hoofdpersoon was. Het bevredigde niet. En ik was er nog niet aan toe om te beslissen het in de eerste persoon te gaan herschrijven en af te maken of gewoon in de derde persoon door te gaan. Een verzonnen verhaal met autobiografische onderdelen zou het voordeel hebben van het niet zo te hoeven prostitueren en aan mezelf te peuteren. Anderzijds bepaal je zelf wat je in je binnenste tot het meeste intieme houdt en niet opschrijft. De literatuur gaat uit van werkelijkheid maar die wordt vervolgens vervormd en zo ontstaat een roman. Mijn verhaal is een anti-roman doorspekt met opmerkingen, bedenkingen, commentaren, randbemerkingen die de vertelling onderbreken. Als mens zet ik de schrijver soms opzij en verstoor zijn verhaal. Met een persiflage op Louis Paul Boons, ‘schop de mensen tot zij een geweten krijgen,’ zou ik willen schrijven: ‘frapper, frapper, toujours frapper, tot men wakker wordt en de macht ontmaskert.’ In de rol van interviewer kon je steeds op journalistieke afstand schrijven en ik besefte nu pas goed hoe ‘vrij’ en makkelijk me dat afging. Dit alles nam niet weg dat het mijn bedoeling bleef om met beperking aan ‘dichterlijke vrijheid’ een wáár gebeurd verhaal te schrijven. Waarbij het vrij zijn van het scheppen minder ver gaat dan het door schilders schilderen van een landschap. Hierbij kunnen zij vanuit een ander vergezicht nog iets aan het landschap toevoegen zonder afbreuk aan het harmonisch geheel te doen. De kunst van het schrijven is juist de kunst van het weglaten en bovenal van het volhouden. Als bezigheidstherapie zou het zeker geen kwaad kunnen met het herschrijven te starten. Hoewel, fysiek stelt het schrijven van een boek vandaag de dag niet meer veel voor. Het verschil met vroeger kun je vergelijken met het om ‘Kaap de Goede Hoop’ naar Indië varen en het business class vliegen anno 2000. Al typend achter een computer verschijnt er tekst op het scherm. Het verzet je geest en je bent van de straat. Bijna vanuit een ‘rusthouding’ op je bureaustoel kun je met de technieken van knippen, plakken, tussenvoegen, zoeken en deleten op een weinig lichamelijk inspannende wijze veel doen. Zelfs een plotseling tijdens het winkelen, wandelen of een ander moment binnengeschoten gedachte tot wijziging van het manuscript kan op de meest eenvoudige wijze uitgevoerd worden Een heel andere manier van werken dan van vroegere auteurs die, met kroontjes-, vulpennen en een enkeling met potloden schriften volschreven. Op de rechter bladzijden de teksten om later op de onbeschreven linker bladzijden verbeteringen, wijzigingen, nieuwe stukken tekst, gedachtekronkels e.d. toe te voegen, alvorens alles geordend en netjes op velletjes papier uit te typen. Aan dit typwerk ging bijvoorbeeld in de beginperiode bij Jan Wolkers het volschrijven van achterzijden van rollen oud behangpapier vooraf, welke dan aan veel strepen, tussenvoegsels, krassen, knipperij en plakwerk werden blootgesteld. Bij het lezen van literatuur kun je in enkele gevallen de geur van inkt, papier, drank en rookwaar ruiken, of getuige zijn van de worsteling waarmee van de schrijfmachine op een computer overgestapt werd. Zoals bij Kees van Kooten in zijn boek ‘Modernismen.’ “Als ik zit te tikken op mijn, haakje electrische uitroepteken haakje machine en even niet weet hoe ik verder moet, kijk ik van het papier en richt mijn blik vooruit en zie op het prikbord de kindertekening van mijn dochter Kim.” Verder keuvelend schreef hij deze momenten niet zó te kunnen beleven bij het in huis zijn van een computer en dit dan als argument aanvoerde om achter zijn ‘antieke’ elektrische schrijfmachine te blijven werken. Om zo in lengte van dagen een digibeet te mogen blijven. En vervolgens te schrijven, “Geen ruggengraat geen principes, zit nu trillend en bevend achter mijn eigen homecomputer.” Als vroege ‘babyboomer’ kan ik me helemaal in deze situatie inleven. Ook ik zat achter een oude schrijfmachine van het merk ‘Olympia made in Germany’ – gekocht van de gemeente Zundert voor f. 25,00 – op momenten van schrijversdroogte op een prikbord te kijken. En ben misschien iets minder trillend en bevend op de tekstverwerker overgestapt. Maar kijk nu op zulke momenten op cartoons met afbeeldingen van baby tot skelet in een fotolijst. Met de teksten: ÉDUCATION PERMANENTE, log in, telespelen, teleleren, telesex, telewerken, teleshoppen, telezorg en eindigend met log out bij een skelet. Of staar naar het prikbord met een ansichtkaart ontvangen van ‘de moeder’ van PvdA afd. Roosendaal die ze stuurde na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen om mij een hart onder de riem te steken. Hierop staat een foto van een trekpaard en de tekst, Je kunt nooit genoeg in jezelf geloven. Voor het overige, in tegenstelling tot menig auteur blijven – gelukkig maar – de geuren bij mijn schrijverij beperkt tot pijp-, sigarenrook, zwarte koffie en troost-eten. Tot ver in de middag niet gewassen en ongeschoren in mijn kamerjas of diep in de nacht tot de vroege ochtend in bijna doodse stilte met het tikkend geluid van het bureauklokje en een licht zoemende computer peinzend naar het scherm kijkend.

De rechtzaal betredend, troffen wij achter de grote tafel – onder de foto van Beatrix met onafscheidelijke hoed – een vrouw aan die in de functie van president van de rechtbank geen strenge maar een beminnelijke uitstraling had. Mijn vakbondsadvocaat verwoordde in haar pleitnotities de onlogica dat de gemeente de opening, geboden door de commissie voor de bezwaarschriften in ambtenarenzaken, naast zich neer had gelegd en niet de mogelijkheid had benut om de personeelsbeoordeling op te schorten. Sterker nog, de gemeente had 16 december 1998 besloten per 1 januari 1999 eervol ontslag te verlenen. Tijdens de zitting moest ik mij inhouden om niet mee te doen aan het gooien met modder. In mijn herinnering kwam het in ‘Vrij Nederland’ verschenen in memoriam voor Joop van Thijn. Hierin werd hij postuum gecomplimenteerd nooit met modder gegooid te hebben, onder aanhaling van zijn motto, ‘Wie met modder gooit verliest grond.’ Of mijn weg- en waterbouwkundige achtergrond mede debet aan mijn bewondering voor deze uitspraak was, weet ik niet. Mijn waardering voor het werk van Joop van Thijn was na lezing van deze beschouwende en praktische uitspraak toegenomen. En hiermee was mijn streven sterker geworden om niet aan de verleiding toe te geven ook met modder te gaan gooien. Het schemergebied tussen met modder gooien en de waarheid schrijven, ondervond ik met het schrijven van dit verhaal groter dan ooit. Mijn ‘oude’ baas bracht naar voren dat ik politiek actief was en de stadsadvocaat suggereerde dat mijn onvoldoende functioneren geleid zou hebben tot het reorganiseren van de afdeling ‘Uitvoering’. Na deze opmerking kon ik het niet laten te reageren en repliceerde, als gewezen lid van de commissie van het bijzonder ‘georganiseerd’ overleg, beter te weten. Tijdens een van de eerste vergaderingen over de reorganisatie was beslist om de afdeling ‘Uitvoering’ buiten het proces van de reorganisatie te houden. “Het kan toch niet waar zijn dat door bijvoorbeeld het niet goed functioneren van één ambtenaar binnen dit huis (rechtbank) er gestart wordt met het opzetten van een reorganisatie ?” Bij mijn retorische vraag meende ik een lichte glimlach bij mevrouw de president te ontdekken. Hierbij kan de wens de vader van de gedachte zijn geweest. Deze kans voor open doel te scoren, kon ik wederom niet laten liggen. Het verwonderde mij dat de stadsadvocaat vanuit zijn aantekeningen wéér met deze opmerking kwam. Bij de commissie voor de bezwaarschriften had hij deze opmerking ook al gemaakt en hierbij had mijn antwoord voor het nodige gegrinnik bij de commissieleden gezorgd. Ik had toen geantwoord dat mij wel veel eer toegedicht werd. “De persoon Wim Arts zou hierbij in zijn ééntje door zijn gedrag er voor kunnen zorgen dat – bij een gemeente met meer dan 70.000 inwoners – de ambtelijke organisatie gewijzigd werd.” Wellicht was hij vergeten zijn aantekeningen in te zien en aan te passen. Voor het overige hoorde ik met gekromde tenen de naar mijn gevoel niet terzake doende hele en halve waarheden aan. In mijn slotwoord merkte ik ‘parlementair uitgedrukt’ op, me gestoord te hebben aan de opmerkingen van de tegenpartij die op gespannen voet met de waarheid stonden. Hierbij mijn advocaat vragend aankijkend, maakte zij het slotwoord af met de opmerking “mijn cliënt bedoelt dat hij het ver onder de maat vindt.” De president van de rechtbank sloot de zitting met de toezegging er naar te streven binnen zes weken uitspraak te doen.

Na ruim 6 weken faxte mijn advocaat de uitspraak. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, draagt op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verder; dat door mijn sectordirecteur tijdens een gesprek op 19 februari 1998 nogmaals is bevestigd dat er geen klachten omtrent het functioneren waren. Direct na binnenlopen van de fax nam ik telefonisch contact met mijn advocaat op. “Wij hebben gewonnen !” klonk het niet onderkoeld in majesteitelijk meervoud. Waarbij ik nog niet vergeten was, dat zij in principe de gang naar de rechtbank niet had willen maken. Omdat niet zίj maar ik de tekst van het in te stellen beroep had geconcipieerd en zij deze zaak nog eerst op zijn merites moest beoordelen. “Laten we het er maar op houden dat wij gewonnen hebben !,” antwoordde ze snel van begrip. Veel tijd om hierover te ‘dollen’ was er niet. Mijn aandacht ging inmiddels naar de zitting van de commissie voor bezwaarschriften over het ingediende bezwaar tegen het ontslag. Van gemeentewege was diverse malen – tot en met het telefonisch verzoek op de avond voor de dag van de hoorzitting – gevraagd of ik bereid was mee te werken om de zitting uit te stellen. Ik vroeg mijn vakbondsbestuurder één goede reden om eventueel met dit voorstel in te stemmen. Hij concludeerde; dat ze bij de gemeente met hun handen in het haar zaten. Dat kon toch moeilijk iets zijn om me druk over te maken. De gemeente werd in de persoon van de adviseur arbeidsaspekten op de hoorzitting vertegenwoordigd. Bij vorige zittingen waren de stadsadvocaat en het afdelingshoofd/teamleider er namens de gemeente. Wellicht was vastgesteld dat dit duo bij ‘slecht weer’ beter binnen kon blijven. Nu was het besluit genomen om alleen de adviseur arbeidsaspekten te sturen. Onze begroeting in de wachtruimte van de gewelvenzaal – onder in het oude raadhuis – was allerhartelijkst. Vriendelijk werden over en weer handen geschud. Het geheel had iets van de bijbelse thuiskomst van de verloren zoon. Weer terug, in het oude raadhuis waar ik vanwege mijn vakbondsactiviteiten vele vergaderuren had vertoefd, me thuis voelde en achtereenvolgens met 3 burgemeesters, gemeentesecretarissen en hoofden personeelszaken in een periode van ruim twintig jaar had mogen vergaderen. Met een weemoedig gevoel realiseerde ik me verschillende van deze personen al meer dan een half jaar niet meer gezien of gesproken te hebben en betrapte me op een ‘bij ons gevoel’ zonder te beseffen al geruime tijd niet meer tot deze ‘club’ te behoren, na als oud vuil op straat gezet te zijn. Eerder had ik – in de periode van het tripartite-overleg – in een poging uit de impasse te komen, om een ontmoeting met de adviseur arbeidsaspekten voor een gesprek ‘met de benen op tafel’ gevraagd. Hierbij kwam ze met vele dossiers aanzetten. Zonder ook maar iets te schrijven bij me te hebben, vroeg ik haar de dossiers weg te doen en te proberen ‘vrij’ van mens tot mens een gesprek aan te gaan. Haar strak in de ogen kijkend en informerend wat mij als vervolg nog te wachten stond, nadat ik het beroep tegen de personeelsbeoordeling gewonnen had. Een ontslag had ik nóóit verwacht. En ik vraag me – tot op de dag van vandaag af – of zij dat destijds wel voor mogelijk gehouden had of zoals boze tongen beweerden hiertoe het initiatief genomen had. Buiten het bevrijdingsgeboortejaar hadden wij meer gemeen. Beiden onderschreven wij de opdracht van het laatste hoofd personeelszaken, ‘dat rechtvaardigheid hoog in het vaandel van goed personeelsbeleid thuishoorde.’ Ik had tijdens het wachten onder het ‘genot’ van een kopje koffie verteld dat ze ook in mijn boek voorkwam. “Toch wel in positieve zin,” vroeg ze op instemming ogend. “Je zult vaststellen ook op een bijzondere wijze in het boek voor te komen. Ook al is het als functionaris. Ik heb het gebruik van persoonsnamen vermeden, hierachter komt toch een persoon te voorschijn !” Dat dit later bij het intergraal overnemen van een raadsvoorstel e.d. zou wijzigen, kon ik op dat moment niet weten “Jij kunt lezen de enige ambtenaar/collega geweest te zijn, die mij met mijn 25-jarig ambtsjubileum bij de gemeente Roosendaal persoonlijk gefeliciteerd heeft.” Ruim een maand voor dit jubileum had ik haar met haar Sarah-verjaardag gefeliciteerd. Ik vertelde haar ook even de hoop gehad te hebben met haar laatste verjaardag een bos bloemen te kunnen sturen. Deze had ik persoonlijk af willen geven in de verwachting dat alles opgelost zou zijn geweest. De vakbondsbestuurder had mondeling gemeld dat de gemeente bereid was 100 % salaris tot mijn 61 e uit te betalen. Dit was de eerste gelegenheid om met pensioen te gaan. Maar over een schadeloosstelling wilde men niet praten. “Je gaat toch geen steekpenningen geven,” antwoordde ze op mijn verhaal van die bos bloemen voor haar verjaardag. Hoezo steekpenningen ? Wilde zij nou ergens over beginnen waar mij het zwijgen over opgelegd was. Ik vertelde de PvdA-wethouder met haar verjaardag en het oud-hoofd personeelszaken/projectleider reorganisatie op de dag van haar afscheid ook een rode roos op hun bureaus bezorgd te hebben. Dit waren bescheiden uitingen van sympathie die toch moeilijk onder het hoofdstuk steekpenningen gebracht konden worden. Zelfs een struik van een bos bloemen op háár verjaardag – bij een tot een goed einde en opgeloste zaak – viel daar niet onder te rangschikken. Wat mij betrof had daar nog wel een etentje bij gekund zonder in de gevarenzone te komen.

Toen we goed en wel op onze plaatsen zaten, fluisterde de vakbondsadviseur in mijn oor, “De adviseur arbeidsaspekten is erg zenuwachtig.” Eigenlijk had ik medelijden met haar. Opgezadeld met problemen veroorzaakt door anderen. De voorzitter opende om negen uur precies de hoorzitting, heette de aanwezigen welkom en gaf aan dat de commissie inmiddels op de hoogte was van de uitspraak van de rechtbank, inhoudende: de gegrond-verklaring van het beroep tegen de negatieve personeelsbeoordeling. Hij vroeg vertwijfeld – met gestrekte armen – “hoe nu verder ?” En stelde voor het college van B. en W. twee weken de tijd te geven om – aan de hand van de uitspraak van de rechter – een nieuw besluit te nemen. Anders zag hij zich alsnog genoodzaakt een advies uit te brengen. De adviseur arbeidsaspekten deelde mee, dat het college ten aanzien van de rechterlijke uitspraak nog geen standpunt had kunnen innemen. Omdat een verweerschrift van de gemeente ontbrak kregen wij het woord en herhaalde mijn vakbondsvertegenwoordiger de in het bezwaarschrift neergelegde bezwaren:

1 hij miste een besluit waaruit blijkt dat de oorspronkelijke functie bovenformatief is; ook het herplaatsingsadvies had hij niet gezien;
2 er had een voorlopig advies uitgebracht kunnen worden met de mededeling dat geen
functie aanwezig was;
3 het secretariaat straatnaamgeving is een substantiële taak of functie.
Het gaat hem nu te ver te stellen dat die functie niet geschikt is.

Met pretoogjes door het dossier bladerend en mij vriendelijk lachend aankijkend, zei de voorzitter; “Maaike Helder is een van de pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius.” Zo leerde hij mij wie de schrijver/persoon achter de columnist over die ‘gewichtigdoende’ ambtenaar was, die niets beters te doen had dan zijn collega’s onnodig van hun werk te houden. Deze opmerking gebruikte hij vervolgens om met non-verbaal contact, mij op de met de hand bijgeschreven zin van de oud hoofd personeelszaken/projectleider reorganisatie te wijzen. Indien ik werkelijk als Fortuin zou redeneren, kan ik op basis van dit artikel de formatie nog eens echt bijstellen. En, vroeg vervolgens retorisch het vakbondslid van de commissie schertsend, “moet jij nou nog wél of niet in militaire dienst ?” Voor mij verliep de hoorzitting in een ontspannen sfeer. Daags na de zitting nam ik telefonisch contact op met de secretaris van de commissie voor bezwaarschriften en vroeg hem of het mogelijk was het verslag en de overige stukken direct naar mijn huisadres te sturen. Hiermee wilde ik onnodig verlies van tijd voorkomen door verzending van post naar het vakbondsadres. “Wij zijn gisteren na afloop van de zitting met de raadkamer bij elkaar geweest en hebben besloten het college van B. en W. een brief te sturen, dat in concept gereed is en alleen nog door de voorzitter ondertekend moet worden.” Vissend naar de strekking hiervan, antwoordde hij. “Nee, op de inhoud van de brief kan ik niet vooruit lopen, je zult moeten wachten tot de brief officieel ondertekend is en dan zal ik zo snel mogelijk een kopie naar jouw huisadres sturen of als je wilt, faxen. Ik ben nu wel erg formeel, al mijn conceptbrieven zijn tot nog toe ongewijzigd door de voorzitter getekend. Maar mag niet uit de school klappen, wacht nog een paar dagen en je hebt de brief.” Na enige tijd nog geen kopie ontvangen te hebben, informeerde ik opnieuw. Op een minder vriendelijke toon dan tijdens mijn eerste telefoontje liet hij nu weten dat de brief niet verzonden zou worden en was komen te vervallen. Er zat niets anders op dan het definitieve verslag en advies af te wachten. Toch vreemd, dat die oorspronkelijke brief met het genomen besluit, alleen wachtend op een handtekening van de voorzitter plotseling van de aardbodem verdwenen was. En dat alles nadat de secretaris van de commissie van bezwaarschriften mij verzekerd had, “dat het ondertekenen slechts een formaliteit was.” Nu ik moest vaststellen dat er geen brief meer was, leek mij het trekken van de conclusie gerechtvaardigd dat er – vanuit het stadskantoor Roosendaal – geïntervenieerd was. Dat er van buitenaf krachten in staat waren om genomen besluiten niet uit te laten voeren, ontnam mij het vertrouwen over de onafhankelijkheid van de commissie. Als adviezen door het gemeentebestuur beargumenteerd niet overgenomen werden, vóóruit ! Ieder heeft zo zijn eigen verantwoordelijkheid. Dáár kon ik mee leven, daar waren het adviezen voor, maar het niet uitvoeren van besluiten van een onafhankelijke commissie, dat gaf te denken. Van ‘bijzondere’ contacten tussen het gemeentebestuur en leden van de commissie voor bezwaarschriften in ambtenarenzaken was mij bekend. De gemeentesecretaris had eerder in een vurig pleidooi – tijdens een vergadering in de commissie – gewezen op de moeilijke positie van de gemeente als werkgever. Nu was aan de commissie functiewaardering ter afsluiting van haar werk door de gemeente een etentje aangeboden. Hierbij was echter niemand van het college aanwezig en was de sfeer – in het begin – verre van ontspannen. Bij het ‘uiteten’ van de commissie voor bezwaarschriften was de burgemeester/portefeuillehouder personeelszaken namens het college wel aanwezig, nadat zij nadrukkelijk te kennen had gegeven niet voor herbenoeming in aanmerking te willen komen, Als ‘vlieg’ was ik hier graag even bij geweest om te kunnen zien welke relatie de burgemeester en voorzitter/ kantonrechter – collega juristen – nu wérkelijk hadden en of deze vriendschappelijke relatie de ‘onafhankelijkheid’ zou aantasten ? Na enige weken wachten, bleek mijn angst voor partijdigheid ongegrond. Het advies van de commissie luidde als volgt:

De commissie adviseert het bezwaar tegen het ontslag besluit gegrond te verklaren.

Nu de bovenformatiefstelling en het daarop volgende ontslagbesluit zijn gefundeerd op de niet-passendheid van de functie en dat laatste oordeel door de rechtbank is vernietigd, komt aan het ontslagbesluit de grondslag te ontvallen
Ten overvloede merkt de commissie nog het volgende op :
– in de stukken is geen besluit tot bovenformatief plaatsing aangetroffen;
– in de stukken heeft de commissie geen argumenten aangetroffen, die pleiten tegen het creëren van de parttime functie van secretaris commissie straatnaamgeving en huisnummering en de benoeming van betrokkene in die functie;
– de medio 1998 opgestelde sterkte-zwakte-analyse laat ruimte voor benoeming in enige functie;
– uitgaande van het karakter van vooraankondiging van de brief van 24 september 1998 heeft de gemeente in haar besluit van 16 december 1998 verzuimd, de opzegtermijn in acht te nemen (zie TAR 1995, 98).

Er mochten dan wel ‘vriendschappelijke’ contacten tussen het gemeentebestuur en de leden van de commissie voor bezwaarschriften geweest zijn, mijn aanvankelijke bedenkingen over de onafhankelijkheid van de commissie waren hiermee grotendeels weggenomen. Misschien heeft de interventie tegen de brief van het besluit van de raadkamer een averechtse uitwerking tot gevolg gehad en de commissie iedere schijn van partijdigheid willen voorkomen. Vermoedelijk zou in het concept de brief nogmaals een opening richting B. en W. geboden worden om het ontslagbesluit te heroverwegen. Bij het herroepen van het ontslagbesluit zou de commissie geen advies meer hoeven uit te brengen. Het dagblad BN/De Stem publiceerde met vette letters in de kop van het twee-koloms artikel.

Weer tik voor B. en W. in ontslagkwestie.

‘De onafhankelijke commissie, die het bezwaar van Arts tegen zijn ontslag per 1 januari van dit jaar (1999) moet beoordelen, stelde hem deze week in het gelijk. ’

De publieke opinie kwam hiermee geheel op mijn hand. Ondersteunende geluiden als: “laat je niet kisten en hou vol Wimke, wat denken ze wel !” waren niet van de lucht. Deze steun werd na het verstrijken van de beroepstermijn versterkt met het volgende artikel waarin hetzelfde dagblad kopte.

‘Gemeente gaat niet in hoger beroep zaak Arts.’

Burgemeester en wethouders gaan nu, naar verluidt in september, opnieuw een besluit nemen over de beoordeling en het ontslag van de ambtenaar.

Daags tevoren had ik van B. en W. een schrijven ontvangen waarin stond, geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in te zullen stellen. Daarnaast schreven ze naar aanleiding hiervan nieuwe besluiten te zullen gaan nemen. Doch in verband met de afwezigheid wegens vakantie – van het voltallige college – zou de besluitvorming niet eerder dan in begin september kunnen plaatsvinden.

Een afschrift van dit schrijven was ook naar mijn vakbondsvertegenwoordiger gestuurd. Voor mij zat er niets anders op dan ook maar ‘rustig’ met vakantie te gaan. Terug van vakantie was de geruchtenmachine al weer druk aan het werk. Om het zekere voor het onzekere te nemen, besloot ik zowel mijn vakbondsvertegenwoordiger als mijn advocaat van de vakbond om advies te vragen.

Naar ik begrepen heb, is het college voornemens te besluiten om het ontslagbesluit ongedaan te maken. Vertrouwelijk en betrouwbaar heb ik gehoord dat nieuw meubilair wordt aangeschaft voor een herintredend ambtenaar (voor mij).
Gegeven deze feiten wil ik vragen op welke wijze het mogelijk is om in aanmerking voor de schadeloosstelling van de geleden immateriële schade te komen.
Deze vraag moet los gezien worden van de – persoonlijke – onmogelijkheid om nog in dienst van de gemeente Roosendaal te werken. In een eerder gesprek hebt u er al eens opgewezen dat het niet in de rede ligt – vanwege de verstoorde arbeidsrelatie – dat een rechter dit van mij zal eisen. Kortom, ik wil een financiële regeling !
Mocht het nodig zijn hiervoor persoonlijk een procedure te starten, behoort deze dan ook tot de vakbondsfaciliteiten waarvan ik gebruik kan maken ?
Daarnaast zal ik, zoals door u na afloop van de rechtzitting geadviseerd, rustig doorgaan met het schrijven van mijn boek en hoop dat te zijner tijd aan u te kunnen opdragen.

Met vriendelijke groet,…

Bij het mogelijk opdragen van het boek aan mijn vakbondsadvocaat had ik een dubbel gevoel.
‘Zij’ in toga had – met aanvankelijke tegenzin, na de zaak op zijn merites beoordeeld te hebben – met haar bijdrage in de rechtszaal slechts een geringe bijdrage geleverd tot het winnen van de beroepszaak tegen de personeelsbeoordeling. Deze uitspraak was, zoals later meermaals zou blijken, het niet te ontberen fundament om er voor te zorgen dat mij ‘recht’ gedaan werd. Mijn vasthoudendheid had gezorgd voor een uitspraak die ‘stond als een huis’. Echter haar antwoord sloeg in als een bom.

Geachte heer Arts,

Het doet mij deugd te vernemen dat het bezwaar tegen het besluit gegrond verklaard is en er van de zijde van de gemeente geen hoger beroep wordt ingesteld.

U vraagt zich af of u in aanmerking kunt komen voor een schadeloosstelling voor de door u geleden materiële schade.

Op zich kunt u hierover een besluit uitlokken bij het bevoegde gezag. Van een mogelijke afwijzing kunt u bezwaar maken op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

De bestuursrechter zoekt voor de beoordeling van een dergelijk verzoek aansluiting bij het civiele recht. In artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat recht bestaat op vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien er sprake is van aantasting in de eer en goede naam, wanneer lichamelijk letsel is opgelopen of wanneer betrokkene op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

U zou zich kunnen beroepen op aantasting in de eer en goede naam. Ik moet hierbij wel opmerken dat de rechter een verzoek om immateriële schadevergoeding op deze grond niet vaak honoreert.

Met vriendelijke groet,…..

In afschrift aan: de vakbondsvertegenwoordiger in deze.

Een dergelijk antwoord van mijn pleitbezorger was het laatste waarop ik gerekend had. Had zij de kopie van de uitspraak over het ontslag van de sectordirecteur Welzijn, door mij doorgestuurd, niet gelezen ?!?! Hierin, werd naast wachtgeld toch onmiskenbaar over de kantonrechterformule gesproken. Ik realiseerde dat het moment om van de vakbond afscheid te nemen aangebroken was. “Man, ik snap niet dat jij al zo lang blindelings op de vakbond vertrouwt,” was een van de kritische opmerkingen, waarbij de toon de muziek maakte. “Tot nu toe heb ik met eigen bijdrage van feiten, vakbondservaring en hun steun nog steeds alles gewonnen,” verdedigde ik steevast loyaal. Begin september lag er weer een brief met het gemeentelogo op de deurmat. ‘Het college zal weer compleet terug van vakantie zijn en zoals toegezegd een besluit genomen hebben !’ Het toegezegde B. en W.-besluit was er echter niet. De sectordirecteur Stadsontwikkeling en –beheer schreef; binnenkort een voorstel te doen voor een beslissing op uw bezwaarschrift tegen het ontslag en hierbij zal tevens overwogen worden hetgeen de Rechtbank in zijn uitspraak heeft overwogen. Naar verwachting zal er per 1 november 1999 een functie voor u beschikbaar zijn.
‘Niks te overwegen ! Alles in de juiste volgorde uitvoeren. Eerst de uitspraak van de president van de rechtbank van mei !’ Het maken van een nieuwe personeelsbeoordeling met inachtneming van de uitspraak van de president van de rechtbank. Er bleef mij niets anders over dan op zoek naar een gespecialiseerde advocaat te gaan. Aankloppend bij het enige in Brabant bekend zijnde en op dit gebied gespecialiseerde advocatenbureau in Den Bosch ving ik bot omdat zij al een ‘innige’ samenwerking met de gemeente Roosendaal had. Na enig speurwerk en met behulp van mijn broer had ik in Nieuwegein een bureau met in haar logo 3 A’s gevonden. Deze drie A’s stonden voor Advocaten, Ambtenarenrecht en Arbeidsrecht. Voor advocaat mr. Velo die ik hebben moest, had mijn broer als koosnaampje ‘Theo Fiets.’ Na enige telefoontjes en faxcontacten werd voor een donderdagmorgen om 10.30 uur een afspraak op het bureau gemaakt.
Over de doelstellingen en voorwaarden waren we het snel eens. Een contract met gedragsregels en algemene voorwaarden voor de uitvoering van adviesopdrachten zou mij voor het weekend gestuurd worden. Na bestudering zou ik het getekende contract kunnen terugsturen. ‘Met de huidige automatisering moest het toch niet moeilijk zijn om de gemaakte afspraken binnen een paar uur op papier te hebben ?’ Mijn voorstel luidde dat ik in de stad ging lunchen en na twee of drie uur op het kantoor terug zou zijn. Zonder contract had het weinig zin naar huis te gaan. Alles moest potdicht geregeld worden om voorbereid te zijn op de ‘fratsen’ die de gemeente nog meer ging uithalen. Want dat het eind van de lijdensweg waar ik niet om gevraagd had nog niet in zicht was, leed geen twijfel. In het contract stond – een goede advocaat eigen – exact vermeld wat afgesproken was. ‘Daarbij wordt gestreefd naar een ontslagregeling die inhoudt 85 % wachtgeld ( nagenoeg 90 % normaal salaris tot 65 jaar), pensioenreparatie, schadevergoeding en vergoeding kosten rechtsbijstand.’ Verguld, tekende ik het contract. Met de gretigheid waarmee op mijn hulpaanvraag ingegaan werd en de wijze van het opstellen van het contract was duidelijk dat het oplossen van dit probleem als een ‘gelopen race’ gezien werd. Dit in tegenstelling met wat mijn vakbondsadvocaat schreef. Zij gaf weinig kans op een immateriële schadevergoeding. Na het vluchtig inzien van de gedragsregels en algemene voorwaarden vroeg ik wat te doen met de pers. In de gauwigheid had ik hierover niets gezien. “Oh, geef mijn kaartje maar en laat mij dat maar verzorgen.” “Overigens heel goed om richting pers je tot nog toe officieel van ieder commentaar te onthouden, ik zou dat zo maar houden !” In Roosendaal, terug op weg naar huis langs de redactie van de krant fietsend gaf ik het visitekaartje van mijn advocaat af. Een hele geruststelling dat de p.r. ook in goede handen was.

Groot was de schrik toen maandagmiddag tegen vijven een telefoontje van de journalist kwam. “Wim, weet jij dat jouw advocaat in het weekend een hartinfarct gehad heeft ?” Dat was nog niet bericht. Natuurlijk ook wel te begrijpen. Op het advocatenkantoor had men urgentere zaken aan hun hoofd dan een cliënt uit Roosendaal onmiddellijk van het gebeurde op de hoogte te stellen. Ik vermoedde dat de journalist, na vrijdags met een kluitje in het riet gestuurd te zijn, het maandagmiddag logischerwijs opnieuw geprobeerd had en zo toevalligerwijs de primeur had. “Bedankt voor je telefoontje, ik ga er achterheen.” Uitgaand van het ergste, viel het met het hartinfarct gelukkig mee. Volgens de inlichtingen was het wel zorgelijk. Maar de persoon in kwestie had de afd. intensive care al voor een kamer op de hartbewaking kunnen verwisselen. Zijn compagnon schreef dat vóór januari 2000 ( 4 maanden) niet op zijn herstelde collega gerekend hoefde te worden. In een gesprek legde hij uit, de regel te hanteren dat voor laatst bijgekomen zaken naar een andere hulpverlener gezocht moest worden. Fysiek was het voor hem en zijn collega’s onmogelijk mijn zaak op het noodzakelijk geachte kwaliteitsniveau te behandelen en te begeleiden. De verrichte werkzaamheden zouden niet in rekening gebracht worden. Op zich kon ik begrip opbrengen voor de wijze waarop – in deze situatie – een punt achter onze samenwerking gezet werd. Het probleem was, dat ik met twee volle – op de zaak betrekking hebbende – ordners letterlijk en figuurlijk op straat kwam te staan. Een advies voor een andere raadsman of raadsvrouw kon hij wel geven. Uit de twee opgeschreven advocatenbureaus moest ik zelf mijn keuze maken. Mijn vraag of hij voor mij wilde proberen nog voor diezelfde middag een afspraak te maken, werd welwillend uitgevoerd. Enige uren later zat ik in het centrum van Utrecht in een tot kantorencentrum omgebouwd oud herenhuis. Aan het tegenover mij achter zijn bureau zittend ‘jong advocaatje’ had ik na ruim een uur de zaak in grote lijnen uitgelegd. Wij spraken af dat hij de meegebrachte ordners zou bestuderen en schriftelijk advies zou uitbrengen. De kosten voor het uitbrengen van dit advies zouden volgens de richtlijnen van de Orde van advocaten in rekening gebracht worden. En mocht besloten worden hem te vragen voor de verdere gang van zaken als raadsman mij terzijde te staan, dan zou hij daartoe gaarne bereid zijn. De kosten zouden op basis van de gemaakte uren verrekend worden. De richtlijnen van de Orde van advocaten stonden niet toe dat een ‘no cure no pay’ contract opgesteld werd. ‘Aan de minister van justitie waren vragen gesteld over een bureau dat de verdenking op zich geladen had dit verbod te omzeilen.’ In goed overleg zou stap voor stap de voortgang van het proces besproken worden. Telkens zou hij op de haalbaarheid van de volgende te zetten stap wijzen. Vrij – in gebondenheid – was ik degene die over de voortgang van het proces met de daaraan financiële consequenties zou beslissen. Met een goed gevoel, vol vertrouwen, startte ik opnieuw mijn reis voorzien van juridische bijstand van Utrecht naar Roosendaal.
Nog voor het toegezegde advies ontvangen was, lag er een brief van de sectordirecteur van de gemeente Roosendaal op de mat. Hierin werd verwezen naar de twee maanden daarvoor geschreven brief met de mededeling over een inmiddels beschikbaar gekomen passende functie bij de afdeling Beheer. Het verzorgen van toestemmingen voor de aanleg van inritvergunningen. Daarnaast werd ik wederom voor een gesprek uitgenodigd. In dit gesprek, waarbij u zich desgewenst kunt laten vergezellen van uw raadsman, zullen tevens afspraken gemaakt worden over de datum, waarop de werkzaamheden een aanvang zullen nemen. Opgelucht stelde ik vast over een raadsman te beschikken. Met hem sprak ik af dat hij namens mij naar dit gesprek zou gaan. Vanwege de door mij vastgestelde strategie om alles door derden te laten regelen was het niet mogelijk hier naar toe te gaan. Mijn emoties zouden de zaak geen goed doen. Als reactie op de uitnodiging schreef mijn nieuwe advocaat – met een afschrift aan het college van B. en W. – de sectordirecteur Stadsontwikkeling en –beheer..

De ontwikkelingen in dit dossier overziend, geeft mijn cliënt om zijn moverende redenen de voorkeur aan een passende ontslagregeling boven het herintreden op de afdeling Beheer.
Graag verneem ik van u of een passende ontslagregeling van uw zijde bespreekbaar is. Een eerste aanbod met betrekking tot een ontslagregeling per 1 januari 2000 zie ik dan ook met belangstelling van u tegemoet.

Als antwoord kwamen eind oktober van B. en W. de lang verwachte besluiten op de uitspraak van de rechtbank d.d. 19 mei 1998 over het beroep tegen de personeelsbeoordeling en een besluit over het bezwaarschrift tegen het ontslag. Over de gevraagde passende ontslagregeling stond niets vermeld. Besloten was; het besluit over de personeelbeoordeling vanwege strijdigheid met de vereiste zorgvuldigheid en deugdelijke onderbouwing te vernietigen.

Dit besluit dient derhalve als niet genomen te worden beschouwd.

Máár, de gerechtelijk opgedragen uitvoering tot het nemen van een nieuw besluit over de personeelsbeoordeling met in acht name van hetgeen in het vonnis vermeld stond, was achterwege gebleven. Wel was besloten het advies van de Commissie voor bezwaarschriften over het gegrond verklaren van het bezwaar tegen het ontslagbesluit over te nemen.

Dit impliceert dat uw aanstelling in vaste dienst bij deze gemeente met ingang van voormelde datum wordt hersteld. De financiële gevolgen zullen met terugwerkende kracht eveneens tot 1 januari 1999 worden gerepareerd.

Bij dezen bieden wij u per 1 november 1999 de functie aan van administratief technisch medewerker Beheer van de sector Beheer.

Ik was van burger weer gewoon gemeenteambtenaar, alsof er niets gebeurd was ! Naast een juridische hulpverlener had ik inmiddels de hulp van een psycholoog ingeroepen. Als ik geestelijke ondersteuning kreeg bij de rouwverwerking voor mijn ontslag dan moest dit ‘omgekeerd’ ook gebeuren ! Voor een psycholoog – verbonden aan het ziekenhuis – hoefde ik niet lang op een wachtlijst te staan. Niet in een hoekje van de wachtruimte achter een bloembak weggedoken, maar midden in een rij op een stoel nam ik rechtop met borstkast vooruit plaats. Leuk was het te zien hoe mensen op de gang je aankeken en zonder iets te zeggen of te groeten, op het bord ‘psychiatrie’ kijkend ‘in gedachten’ verder liepen. Je zag ze denken. Een en ander had tot gevolg dat ik me met onmiddellijke ingang ziek kon melden. Opnieuw volgde een uitnodiging. Nu voor een informatief gesprek met de directeur, waarbij ik me mocht laten bijstaan door mijn raadsman of eventueel diens vervanger. In zijn antwoord richtte mijn advocaat zich tot het college van B. en W. en de directeur sector Stadsontwikkeling en -beheer.

Hierbij bericht ik u dat mijn cliënt uw uitnodiging voor een informatief gesprek met de Directeur SOB op maandag 1 november 1999 aangaande zijn herplaatsing op de functie van administratief technisch medewerker beheer (open ruimte) in goede orde heeft ontvangen. Mijn cliënt zal vanwege ziekte helaas niet in de gelegenheid zijn dit gesprek bij te wonen. Hij heeft zich op de voorgeschreven wijze bij u ziek gemeld en naar ik heb begrepen heeft hij zich ook reeds tot de arbo-arts vervoegd.

Graag verneem ik van u of u een gesprek aanstaande maandag 1 november in het kader van het bovenstaande nog wenselijk acht. In het bevestigende geval verneem ik nog wel het tijdstip waarop de bespreking wordt gehouden.

Op deze gestelde vragen is geen enkele reactie gekomen. Zelfs een bericht van ontvangst is nooit verstuurd, of moet hier eufemistisch geschreven worden ‘is nooit ontvangen. ’

6. Voor zijn ‘recht’ strijdende ambtenaar.

Uit het verslag van het summiere telefoontje tussen de adviseur arbeidsaspekten en mijn advocaat werd duidelijk dat men van gemeentewege geen aanbod voor een ontslagregeling in petto had. Tevens bleek dat de adviseur arbeidsaspekten zich ervan verzekerd had dat bij de arbo-arts een afspraak gemaakt was. Wetende van dit contact maakte het een stuk makkelijker om bij binnenkomst in de spreekkamer mijn openingszin te vinden. “Ik heb van mijn advocaat begrepen dat de adviseur arbeidsaspekten bij u gecontroleerd heeft of er wel degelijk een afspraak met u gemaakt is,” zo begon ons gesprek aan het begin van de nieuwe confrontatie na een tijdbestek van ruim een jaar. Tijdens onze laatste ontmoeting had hij gezorgd voor het in gang zetten van een rouwproces, ik was benieuwd welke therapie hij voor de ‘wederopstanding’ in huis had. “Ja, van gemeentewege is een droog telefoontje gekomen dat jouw ontslag ongedaan gemaakt is en je weer terug in gemeentedienst bent, maar meer dan ik uit de krant heb kunnen lezen, weet ik ook niet. Vertel mij eens hoe het er allemaal bijstaat.” Een vreemde en moeilijk te volgen situatie moest ik terug in zijn herinnering brengen. Eerst ontslag, dan bijzonder verlof omdat je niet vrijwillig met ziekteverlof gaat, om vervolgens rouwverwerking te krijgen. Na een jaar werd het ontslag ongedaan gemaakt en verwachtte men dat je vrolijk en gezond naar een voor de ‘strafoverplaatsing’ nieuw ingerichte werkplek ging. In de gehele juridische gang van zaken was de bedrijfsarts – naar zijn zeggen – niet geïnteresseerd. Hij stelde alleen vast dat als je tegen een ontslag in beroep gaat en dit wint, je weer gewoon in dienst bent. Over of het nou wel of niet een strafoverplaatsing was, wilde hij zich niet uitlaten. Na mijn mededeling, nu zelf de hulp van een psycholoog ingeroepen te hebben, zei hij te zullen doorgeven dat ik niet in staat was met de opgedragen werkzaamheden te beginnen. Het inroepen van hulp van een psycholoog was door mij vooral gedaan ter voorkoming van ‘plaatsing in het strafkamp’ en vanwege de benodigde tijd om mijn recht te krijgen. Want, gelijk hebben is 1 en gelijk krijgen is 2 ! Maar tegelijkertijd kon ik professionele psychische hulpverlening van een ‘buitenstaander’ gebruiken. Al was het maar om me minder onzeker te voelen, iets meer rust te krijgen en mijn ‘agressie’ in goede banen te leiden. Dat het allemaal niet in je koude kleren gaat zitten, mag duidelijk zijn.

Werkend aan mijn boek werd ik opgeschrikt door het rinkelen van een telefoontje van de secretaresses van het advocatenbureau. Mijn advocaat vertelde door de adviseur arbeidsaspekten telefonisch gepolst te zijn over de bereidheid tot een gesprek op het Stadskantoor met de directeur van de sector Stadsontwikkeling en –beheer. Wat hem betrof zou dit onderhoud moeten gaan over het bespreekbaar maken van een ontslagregeling. Het feit dat de gemeente nu het gesprek wel wil aangaan, geeft mijns inziens aan dat een ontslagregeling ook voor de Gemeente bespreekbaar is geworden, stond in de schriftelijke bevestiging van ons telefoongesprek. Vervolgens schreef hij, Ik vertrouw u ermee akkoord dat ik u in dit gesprek zal vertegenwoordigen en ik stel u voor direct aansluitend om 15.30 uur bij u thuis verslag te doen van deze bespreking. Graag verneem ik nog van u of u met bovenstaande akkoord kunt gaan en of datum en tijdstip van nabespreking schikt. Op mijn vraag hoe hij zo expliciet kon stellen om 15.30 uur bij mij te zijn, zei hij dat dit heel eenvoudig was. “Ik ga primair om te luisteren wat ze te bieden hebben en zal ze duidelijk maken niet gemachtigd te zijn om zaken te doen. U hoeft niet bang te zijn dat ik toezeggingen doe, want met dat bijltje heb ik meer gehakt,” stelde hij mij gerust. Omdat ik, en zoals na afloop van de bespreking terecht bleek, weinig vertrouwen in een positief resultaat had, vroeg ik of het niet verstandig was alvast in concept een beroepschrift op te stellen. Dit concept zou wel eens het belangrijkste onderdeel van onze nabespreking kunnen zijn. Met een concept voor een beroepschrift was hij reeds gestart, ook daarover kon ik gerust zijn.

Ik heb een teleurstellende mededeling, de gemeente zet haar hakken in het zand en heeft mij alleen maar willen uithoren over onze plannen, zo begon hij het gesprek na afloop van zijn bezoek aan het Stadskantoor. Achteraf gezien, had hij niet zo ‘ins Blaue hinein’ van Utrecht naar het Stadskantoor in Roosendaal moeten reizen. Het verzoek aan de sectordirecteur, de adviseur arbeidsaspekten en de P & O-adviseur of ze bereid waren de besluiten in te trekken, was immers aan dovemansoren gericht. Er was geen denken aan de besluiten in heroverweging te nemen en hier met B. en W. contact over op te nemen. Gelukkig waren de beroepschriften in concept gereed en konden wij ons hierover buigen. Een tweetal was opgesteld. Een beroepschrift tegen de fictieve weigering om met in acht name van de processtukken een nieuw besluit over de personeelbeoordeling te nemen, zoals door de President van de rechtbank uitgesproken. Daarnaast een beroepschrift tegen de strafoverplaatsing en het niet herplaatsen in de functie van secretaris voor de commissie straatnaamgeving en huisnummering. Omdat beide beroepsschriften onlosmakelijk van elkaar waren, werd aan de rechter gevraagd deze beroepschriften te voegen. Met andere woorden, zodanig tegen of in elkaar te laten sluiten dat er een verbinding of een geheel ontstaat. In de beroepschriften stond ondermeer vermeld dat van de gemeente Roosendaal mag worden verwacht, dat zij op correcte wijze uitvoering geeft aan besluiten en niet door middel van constructies aan dergelijke uitvoering tracht te ontkomen. En nu maar hopen dat er in het weekend in Roosendaal geen activiteiten ontwikkeld gingen worden om de besluiten alsnog in heroverweging te nemen, want dan hebben we ons werk voor niets gedaan. “Dat ík op een zondag ben gaan werken om ’s maandags vóór negen uur de stukken in de ‘bestuursvleugel’ op het bureau van de gemeentesecretaris te hebben, wil nog niet zeggen dat dit gewoonte is en veel meer ambtenaren zoveel hart voor hun zaak hebben,” stelde ik cynisch vast. De kans dat op korte termijn enige activiteit ontwikkeld zou worden, was erg klein. Dit strookte ook niet met de brief – maanden na de uitspraak van de rechtbank – dat het college eerst met vakantie ging en als ze voltallig van vakantie terug was er over zou gaan denken om een besluit te nemen. Een besluit over het herleggen van een trottoir, de aanleg van een riool of wegverharding kon – met een gedeelte van het college op vakantie – snel genomen worden. Maar besluiten over personen moesten getraineerd worden. In de hoop dat de persoon er aan onderdoor ging. Deze tactiek was bij de sectordirecteur Welzijn naar ik begreep ook toegepast. Toen ik haar maanden later belde en er naar vroeg, gaf ze aan er om emotionele redenen nog niet over te kunnen praten en er ook niet meer mee geconfronteerd wilde worden.

Over de passage in een van de beroepschriften “Van de gemeente Roosendaal mag worden verwacht dat zij op correcte wijze uitvoering geeft aan besluiten en niet door middel van constructies aan dergelijke uitvoering tracht te ontkomen.” bestond jurisprudentie en dat wekte mijn nieuwsgierigheid. De Centrale Raad van Beroep had in een vergelijkbare zaak hierover op 18 januari 1996 een uitspraak gedaan. Op het advocatenbureau vroeg ik hierover inlichtingen. Of men had hier geen zin in of geen tijd voor, maar op mijn duidelijk gestelde vraag kwam geen antwoord. Als ik zelf op onderzoek uitging, was ik ongetwijfeld goedkoper uit dan bij hen aan te blijven kloppen. Voor het verkrijgen van informatie nam ik telefonisch contact met de Centrale Raad van Beroep op. Na enige malen doorverbonden te zijn, kreeg ik de juiste ambtenaar aan de lijn. Een kopie krijgen was mogelijk, “maar als ik vragen mag: waarom wilt u dat hebben? ” Vervolgens besloot ik bij de Arrondissementsrechtbank en de gemeente Groningen de stukken op te vragen om de puzzel kompleet te krijgen. Door de ambtenaar van de gemeente Groningen, waar de bron van deze rechtszaak lag, werd terughoudend gereageerd toen ik ook naar het advies en het verslag van de geschillencommissie ‘Sociale Leidraad’ vroeg om een duidelijk en compleet beeld van de zaak te krijgen. “U kunt de kopieën krijgen, maar dan zal ik eerst de stukken moeten anonimiseren. Het gaat u niet aan te weten welke hoofdpersoon hierbij betrokken is,” zei de met niet verholen tegenzin ‘meewerkende’ ambtenaar aan de andere kant van de lijn. Hé, anonimiseren, een nieuw woord in mijn vocabulaire en alsof de duvel ermee speelde ineens kwam je het woord anonimiseren ‘overal’ tegen. Net zoals je bij het overstappen op een ander merk auto van een bepaald type ineens dezelfde auto’s en type ziet rijden die je voorheen nauwelijks gezien had. In ‘Van Dale’ vond ik het woord anonimiseren. In het boek ‘Klem in de draaideur’ – de ondergang Arthur Docters van Leeuwen – werden de ambtenaren die zich bezig hielden met het onleesbaar maken van persoonsnamen in de kopieën van documenten ‘viltstiftofficieren’ genoemd. Onze Nederlandse taal blijkt met zoveel nieuwe woorden verrijkt te worden, dat het bijna niet meer bij te houden is. Zoals het door minister de Vries gebruikte woord prioriteren voor mij ook nieuw was. De driedelige ‘Van Dale’ 1984 en 1995 vermelden het in hun laatste twee drukken met de betekenissen prioriteit verlenen aan. Internet leerde dat er mensen waren die zich ergerden aan het woord prioriteren vanwege het steeds gekunsteld verheffen van zelfstandig naamwoorden tot werkwoorden van de Nederlandse taal. Ik ontdekte dat dit voor mij niet altijd een probleem hoefde te zijn. ‘Het was eind van de middag en het donkerde al behoorlijk.’ Toch een pracht van een zin met een streling voor het oog. Hiermee had ik geen probleem. Het ‘ver-Engselen’ met te pas en onpas gebruiken van woorden zoals tools, food, profit, trendy, display, feedback, commitment en impact ergerde mij wel. Dat het ook anders kan, zie je in het Zuid-Afrikaans. Hier spreekt men niet over een paperclip maar over een schuifspeld. ‘Nederlandser’ kan het niet. Toch leuk, interessant en wetenswaardig wat je als ‘schrijver’ leert en waaraan je plezier ontleent, waarbij je probeert je moerstaal hoog te houden.

Na enige weken kwamen met de persoonsnamen netjes zwart en onleesbaar gemaakt, van de drie verschillende instanties de verslagen en uitspraken binnen. Vele telefoontjes waren nodig om van de gemeente Groningen de stukken te krijgen. Moe van het kastje naar de muur gestuurd te worden, zei ik dat dit mijn laatste poging zou zijn. “Als ik niet per omgaande het gevraagde krijg, staat mij niets anders open dan in mijn boek te vermelden dat de gemeente Groningen geen medewerking wilde verlenen.” Om contact op te nemen met partijgenoot en burgemeester Jacques Wallage vond ik te ver gaan. Wellicht hierdoor geschrokken, ontving ik na twee dagen per post de verslagen en uitspraken ‘koud’ zonder begeleidend schrijven, rekening of acceptgiro, waarmee de stemming werd aangegeven dat men vanwege mijn vasthoudendheid, het tóch had moeten sturen. Aandachtige lezing leerde het volgende. Mijn collega bij de gemeente Groningen was na overplaatsing in een functie geplaatst. Na korte tijd was deze tijdens een reorganisatie opgeheven, nog voordat haar de mogelijkheid geboden was de nieuwe functie uit te oefenen. Hierop is zij onder protest akkoord gegaan met een tijdelijke tewerkstelling bij een andere afdeling. Helemaal parallel verliepen mijn zaak en de ‘Groningse’ niet. Wel was ook op een zeer vreemde en creatieve wijze naar een oplossing gewerkt. Beiden hadden wij in eerste aanleg bij de commissie voor bezwaar of geschillen in hun adviezen gelijk gekregen. Ook waren door de colleges van B. en W. de bezwaren geheel of gedeeltelijk ongegrond verklaard. Op de beroepschriften bij de rechtbank werd mijn beroep gegrond en die van mijn collega in Groningen ongegrond verklaard. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is dit ongegrond verklaren vernietigd . Ondermeer werd hier de motivering gegeven, dat verwacht mocht worden dat aan eerder genomen besluiten op correcte wijze uitvoering wordt gegeven. En, niet door middel van constructies aan een dergelijke uitvoering trachten te ontkomen, terwijl van gedaagde gevergd kan worden dat door hem wordt toegezien op een juiste wijze van uitvoering van zijn besluiten.

Gelukkig had ik me op tijd ziek gemeld en was niet ‘goedwillend,’ zoals mijn Groningse collega, in een slangenkuil gestapt door onverhoeds aan het werk te gaan.

In het beroepschrift las ik, naast de gedeelten juridische teksten uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de vraag om schadeloosstelling en volledige rehabilitatie in de functie van secretaris voor de commissie straatnaamgeving en huisnummering. Bij het lezen van het woord rehabilitatie moest ik denken aan de krantenkop ‘Eerherstel van Lancée.’ Nu wist ik wel, dat onze beide zaken weinig gemeen hadden. Toch vond ik het interessant genoeg om hierover bij de Tweede Kamer de kamerstukken met de brief van de minister van justitie op te vragen. Voor mij stonden er enige leerzame elementen in.

1. Aan hem zal op zijn verzoek eervol ontslag worden verleend.
2. Er zal een geldbedrag betaald worden dat is opgebouwd uit twee delen: ten eerste een gedeelte dat dient ter compensatie van alle geleden en (mogelijk) te lijden schade, ten tweede een gedeelte dat dient ter vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand.
3. Alle aanhangige procedures voor zover nodig zullen worden ingetrokken en partijen zullen elkaar niet verder in procedures betrekken.
4. Met het oog op rehabilitatie zal een verklaring worden verstrekt.
5. Partijen zijn overeengekomen zich te onthouden van het leveren van commentaar.

Ik ben zeer verheugd over het feit dat in goed overleg een regeling is getroffen, was getekend de minister van justitie. Als mijn beroepschriften in toonhoogten eenzelfde verklaring van mijn ‘hoogste’ baas, de burgemeester tot resultaat hadden, zou mij recht gedaan zijn, dacht ik alle stukken aandachtig doorlezend. Hij was natuurlijk niet persoonlijk maar zeker politiek verantwoordelijk voor alles wat gebeurd was. Maar het ging meer om het gebaar. Al was het symbolisch. ‘Hij zal moeten toegeven dat hij gewoon heeft zitten dommelen, hannessen en fouten heeft gemaakt.’ Het aanbieden van excuses was anno 2000 bijna tot het hoogste goed verheven, dus dat zou wel goed komen. Alleen de tijdruimte hiervoor benodigd, werd door mij kort en door anderen veel langer ingeschat.
Van de arrondissementsrechtbank Breda ontving ik berichten van ontvangst van beide beroepschriften met de richtlijnen voor een maximale behandelingstermijn van 12 maanden.
Om dit doel te bereiken hanteert de rechtbank vaste termijnen voor de verschillende onderdelen waarvan in principe niet afgeweken wordt. ‘Gelukkig,’ verzuchtte ik. Bij een mogelijke arbeidsongeschiktheidsprocedure zal er in ieder geval voor de cruciale ingangsdatum van de WAO een oplossing zijn.
Met een harde klap viel een zware enveloppe van mijn advocatenbureau op de deurmat. In de enveloppe met begeleidend memo zaten afschriften van twee verweerschriften van de gemeente als antwoord op de twee beroepschriften. Even dacht ik dat de advocaat van de gemeente uitbetaald werd naar de hoeveelheid papier die hij verwerkte. Nog een geluk dat het vanwege de ‘goede’ betrekkingen met de gemeente Roosendaal niet mogelijk was geweest voor het door de gemeente ingehuurde bureau om op mijn verzoek tot juridische ondersteuning in te gaan. Dit zou ongetwijfeld een dure aangelegenheid geworden zijn. Maar ja, ‘wie het breed heeft laat het breed hangen.’ Bij het verweerschrift tegen het beroepschrift over de fictieve weigering een nieuw personeelsbeoordeling besluit te nemen, conform de opdracht van de rechtbank, waren naast de 6 pagina’s juridische tekst 14 bijlagen gevoegd (totaal 72 pagina’s). Door de ongevraagde overplaatsing naar groenbeheer – na 30 jaar weg- en waterbouw – zou het maken van een nieuwe personeelsbeoordeling achterwege kunnen blijven en kon volstaan worden met het vernietigen van de oude personeelsbeoordeling, aldus het verweerschrift. Gelezen moest worden, dat de uitgebrachte negatieve personeelsbeoordeling nooit bestaan had. Het verweerschrift tegen het beroepschrift over de door mij zo genoemde strafoverplaatsing omvatte 8 pagina’s juridische tekst met 55 bijlagen (totaal 96 pagina’s), waaronder een groot deel van de correspondentie over de personeelsbeoordeling dat onderwerp bij de vorige rechtzitting was geweest. Verder waren memo’s, gedeelten van verslagen wanordelijk, rijp en groen uit verschillende dossiers geplukt. ‘Ik mis een kopie van het weekbriefje met mijn gewerkte uren van week 43,’dacht ik met een vorm van balorigheid waarmee ik de hele stapel papier bijeenriste en in bureaula smeet. Zou een rechter die dit allemaal weer onder ogen krijgt, nadat hij hier al een uitspraak over gedaan heeft, zich nog wel serieus genomen voelen ? Het was voor mij ondenkbaar dat, tenzij er daadwerkelijk klassejustitie bestaat, na een veroordeling door de rechtbank zonder daar uitvoering aan te geven, dit straffeloos genegeerd kon worden. Nee, dan kon ik meer respect opbrengen voor de beroepschriften door ons ingediend met respectievelijk 2 en 9 bijlagen. Mijn stelregel; ‘de lengte van de correspondentie staat vaak omgekeerd evenredig met de kwaliteit van de inhoud,’ deed hierbij opgeld. Tijdens mijn werk – als secretaris – streefde ik er steeds naar om ‘eenvoudige’ brieven op een A4-tje te krijgen. Deze werkwijze had een van mijn collega’s al eens tot de opmerking verleid: “dat het zo kort was.” “Maar alles wat er in moet staan staat er toch in.” Met gepaste trots voegde ik er aan toe. “Aan de lengte van het schrift herkent men de hand van de meester. Met al dat bla, bla, bla, is niemand gediend.”
Telefonisch nam ik contact op met de secretaresse van mijn advocaat voor een afspraak om te bezien, óf en hoe wij op de verweerschriften moesten reageren. Mijn opvatting werd gedeeld dat de verweerschriften grotendeels in ‘het ronde archief,’ konden verdwijnen. Er stond niets nieuws in. Gedeelten tekst waren uit hun context gerukt en er was ook zéér selectief winkelend door mijn personeelsdossier gegaan. Tijdens bespreking van de te volgen strategie werd overeengekomen binnen een week het concept van ons repliek gereed te hebben. Juridisch van opzet zou de aanpak worden, zonder het leggen van rookgordijnen. Op de afgesproken tijd kwam per post zijn 2½ pagina repliek als reactie op de 168 pagina’s verweerschrift. Na de verplichte juridische openingsvolzinnen vervolgde de repliek met een nieuwe alinea.

Naar aanleiding van de inhoud van voornoemd verweerschrift wenst de heer Arts U graag te refereren aan uw uitspraak van 19 mei 1999 onder kenmerk 98/975 AW AN, tegen welke uitspraak eiser noch verweerder in hoger beroep is gegaan en welke uitspraak van wijsde is gegaan. Arts verzoekt u al hetgeen namens verweerder in deze procedure is gesteld en rechtstreeks betrekking heeft op de procedure waarover u op 19 mei 1999 uitspraak heeft gedaan niet in uw beoordeling van het onderhavig geschil te betrekken.

Zo werd op een nette manier aan de rechter gevraagd om het merendeel van het verweerschrift – een papieren tijger – door de papierversnipperaar te halen. Een rekenkamer zou hierover alleen maar kunnen vaststellen, ‘het ondoelmatig gebruik van overheidsgeld.’ Onrechtmatig zal het wel niet geweest zijn. Ik ga er gemakshalve maar vanuit dat degene die het advocatenbureau opdracht gegeven heeft, gerechtigd was deze opdracht te verstrekken. Van de politiekverantwoordelijke burgemeester van de gemeente Roosendaal en portefeuillehouder personeelszaken was in het verweerschrift een schrijven aanwezig.

Verweerder kiest domicilie ten kantore van het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie.

Net als commissaris Leemhuis – in de ‘Ceteko’ affaire – moest hij geweten hebben wat hij tekende en kon deze verantwoording niet van zich afschuiven. Als een ‘vent’, zoals burgemeester Mans van Enschede verantwoording dragen en zijn mannetje staan.
Het slot van de repliek luidde.

Naar aanleiding van de intrekking van het ontslagbesluit van 16 december 1998 stelt Arts vast dat hij vanaf zijn aanstelling op 1 januari 1997 bij de gemeente Roosendaal als ‘medewerker begraafplaatsen’ in loondienst werkzaam is gebleven. Het feit dat verweerder de betreffende taken van de functie zowel voor als na de aanstelling van Arts heeft ondergebracht bij verschillende andere ambtelijke functies, doet aan deze vaststelling naar de mening van Arts niets af. Verweerder heeft Arts in voornoemde functie benoemd en heeft als werkgeefster Arts de onderscheiden taken toe te bedelen en hem in de uitoefening van zijn functie te begeleiden alsmede hem de nodige ontplooiingsmogelijkheden te bieden. Mocht het dan inderdaad zo zijn dat verweerder hiertoe feitelijk niet meer in staat is, dan acht Arts verweerder schadeplichtig aan hem.
Buiten dit gegeven stelt Arts vast dat hem buiten de functie van ‘medewerker begraafplaatsen’ per 1997 de functie van secretaris straatnaamgeving is toegewezen en dat hij dus voor de gemeente in dienst was voor tenminste 1,3 fte. De gemeente heeft nagelaten de bezoldiging van Arts aan het bovenstaande aan te passen. Volledigheidshalve maakt Arts u er op attent dat de werkzaamheden van de functie secretaris straatnaamgeving door gemeente is voorzien van een proefgradering en dat de voorlopige waardering was vastgesteld op schaal 11 (zie productie X).
Arts stelt tevens vast dat hij nimmer uit de functie van secretaris straatnaamgeving is ontslagen. Mocht nu blijken dat verweerder ook feitelijk niet meer in staat is deze functie aan Arts op te dragen, dan acht Arts verweerder ook hiervoor schadeplichtig aan hem.

Hiermee werd duidelijk aangegeven dat schade was toegebracht. Dit in tegenspraak tot wat de gemeente als verweerder in haar verweerschrift had verwoord. Zij dacht met nabetaling van het verschil tussen het bedrag van het wachtgeld en het voordien genoten salaris voldoende financiële genoegdoening gegeven te hebben.
Nog een geluk, dat ik het verzoek ‘s.v.p. oude verslag vernietigen’ van de adviseur arbeidsaspekten nooit uitgevoerd heb. In het nieuwe verslag was, zonder verder een tittel of jota te veranderen, de proefgradering van schaal 11 in schaal 5 gewijzigd. ‘Over manipulatie van het functiewaarderingssysteem gesproken !’

Instemmend las ik het concept en berichtte de opsteller hiermee akkoord te kunnen gaan. Nu maar wachten op het verdere verloop. Het concept van het nog onvoltooide boek met de titel ‘Hoezo verbitterd !’ was bij een van mijn eerdere bezoeken achtergelaten. “Mag ik een advies of het verstandig is om er op dit moment mee naar buiten te gaan en of moet ik hiervoor van B. en W. toestemming vragen ?” In de krant had gestaan dat ik er mee bezig was. Van uitgeverszijde was te verstaan gegeven dat er in ons land vrijheid van drukpers en meningsuiting is. Dat wist ik wel, maar de vraag aan mijn advocaat was meer van wannéér het ‘strategisch’ het juiste moment zou zijn om iets naar buiten te brengen. De redactieraad van Uitgeverij De Arbeiderspers had keurig met tekst voor wellicht duizend aanbieders van manuscripten een afwijzend standaard briefje geschreven. Met als slotzin.

Uiteraard bestaat de mogelijkheid dat redacties van andere uitgeverijen andere criteria hanteren of ruimere mogelijkheden tot publicatie kunnen bieden.

Overigens hadden ze mijn oorspronkelijke titel ‘Hoezo verbitterd !’ in hun schrijven gewijzigd in ‘Hoezo verbitterd!!!.’ Wilden zij met deze extra uitroeptekens aangeven dat de tekst ‘verbitterd’ was ? Terwijl, op eigen verzoek één hoofdstuk n.l. ‘medewerker begraafplaatsen, ’ ter inzage was toegezonden. Aanvankelijk hadden ze alleen om een aantal A4-tjes gevraagd. Hoe je aan de hand van een paar velletjes tekst een goede indruk over een verhaal kunt krijgen, ontgaat mij. Hooguit of iemand duizend woorden tekst zonder taalfouten kan schrijven. Van de Roosendaalse ‘Libris’ uitgeverij/boekhandel ‘Het Verboden Rijk’ ontving ik bijna een soortgelijke reactie. Met als voornaamste reden dat zij méér boekhandel dan uitgever waren. Bij het ophalen van mijn manuscript in de winkel met boeken, tijdschriften en schrijfgerei kreeg ik mijn mapje tekst terug met op de achterzijde van een afgescheurd blaadje van een dagscheurkalender een notitie van mijn naam en telefoonnummer. Thuisgekomen wilde ik het blaadje papier achteloos weggooien. Totdat mijn oog op de voorzijde viel, Woensdag 2 augustus, met daaronder drie tekeningentjes van twee stripfiguren. In het 1e tekeningetje zei het ene stripfiguur tegen het andere, “Ik heb een paar fouten gemaakt in mijn leven …” Op het 2e tekeningetje antwoordde het andere poesachtige stripfiguur met zijn bek wijd open, “HA HA HA HA HA HA HA HA HA HA.” Om vervolgens op het 3e tekeningetje het eerste stripfiguur neerbuigend het verhaaltje te laten afmaken met, “Jou om steun vragen, bijvoorbeeld.” Het kon geen toeval zijn dat uitgerekend dìt halfjaaroude scheurkalenderblaadje met een schuifspeld bevestigd bij teruggave aan het manuscript zat. Ik besloot de tekst nog eens opnieuw tegen het licht te houden en het bij uitgeverijen de Geus in Breda en Bruna aan te beiden. De redacteur van de Geus stuurde een heel bemoedigend e-mailtje met de boodschap “het manuscript met veel plezier gelezen te hebben, de gebeurtenissen schrijnend te vinden en dat deze eens te meer illustreren hoe mensen door ambtelijke en commerciële molens worden vermalen en hoe mensen het slachtoffer worden van manipulatie.” Hoewel de inhoud aansprak, was er in stilistisch opzicht onvoldoende literaire originaliteit voor de uitgeverij om uitgave te rechtvaardigen. Daarvoor was de aaneenschakeling van voorvallen en situaties te anecdotisch beschreven. Maar het was prima gelukt om in het verhaal de waarheid bloot te leggen. En per slot van rekening was, naast het therapeutisch schrijven, dat ook de bedoeling. De volgende redacteur berichtte het manuscript niet gelezen, maar bekeken te hebben. Een subtiel verschil, maar toch ! Wellicht waren er andere uitgevers die mogelijkheden voor het uitgeven van een boek zagen. De provinciale nieuwsbrief provincie Noord-Brabant kopte, ‘Stimulans voor Brabantse schrijvers.’ Het provinciebestuur had besloten de letterensector in Brabant een belangrijke impuls te geven. Om dit te bereiken wil zij zich richten op ondersteuning in het onderbrengen van Brabantse publicaties bij erkende uitgevers. ‘Niet geschoten, altijd mis,’ en trok opnieuw mijn stoute schoenen aan. ‘Nee, ik had het verkeerd begrepen en in de pers was het onjuist vermeld. Wel kan het Agentschap u behulpzaam zijn met het geven van informatie over het literaire veld.’ Zeker weer een instantie die voor een project subsidie losgepeuterd heeft waarbij de vlag de lading niet dekt ! Na verschillende adviezen en reacties zoals, “intrigerend verhaal en egodocument” kon ik maar één conclusie trekken. Voorlopig niets naar buiten brengen. Eerstens omdat het boek onderdeel van onderhandeling kon worden. Ten tweede, een boek met een slot is een aantrekkelijker en completer boek. Ook was een boek wat af is wellicht beter verkoopbaar. Nu was dat op zich niet zo belangrijk. Mijn ‘grote’ geld moest van een andere plaats komen.

De regels van de USZO (Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid Overheid- Onderwijspersoneel) leerden dat 13 weken na ziekmelding een voorlopig en binnen 35 weken een volledig reïntegratieplan op tafel moest liggen. Gelet op het verstrijken van de 13 weken besloot mijn bedrijfsarts de WAO procedure te starten. Hij zei hiermee te voorkomen dat de gemeente een boete opgelegd zou worden. “Die kosten kunnen er nog wel bij,” antwoordde ik cynisch. De rouwverwerking na het ontslag hadden ze ook al moeten betalen. De bedrijfsarts kon de zwartgallige humor niet delen. “Ik volg gewoon de procedures en we zien wel waar het allemaal op uitdraait.” “U kunt toch niet stellen dat ik 100 % arbeidsongeschikt ben. Als er al sprake van een ziekte is, kan dit toch maar voor hoogstens ’n enkel % zijn en voor het overige klip en klaar een arbeidsconflict.” Al heette ik wél zo, een arts was ik niet. Maar dát kon ik op mijn klompen aanvoelen. In mijn beleving zou dit nu weer een duidelijk oneigenlijk gebruik van de WAO kunnen worden. Beiden hadden we op dat moment weinig behoefte om ons hier verder in te verdiepen. Wel vroeg de bedrijfsarts of ik op basis van vrijwilligheid wilde meewerken aan een ‘second opinion.’ Hieraan zouden voor mij geen kosten verbonden zijn. En, als ik het met de uitkomst niet eens zou zijn, hield ik altijd het laatste woord en kon weigeren om het resultaat in mijn dossier op te laten nemen. Mijn psycholoog had al gezegd dat ik 100 % arbeidsgeschikt was. Alléén niet meer bij de gemeente Roosendaal. Maar die hadden het er dan ook wel bewust naar gemaakt. Gevraagd naar zijn advies. “Gewoon doen en positief meewerken, niet dwars gaan liggen, anders geef je ze de mogelijkheid om te zeggen dat er werkelijk iets niet spoort.”

Van de USZO ontving ik een kopie van een brief aan de gemeente Roosendaal waar men van gemeentewege niet blij mee was.

Wij ontvingen het volledig reïntegratieplan voor de heer Arts. Wij hebben dit plan beoordeeld en hebben op dit moment geen opmerkingen of aanvullingen.
Uit het reïntegratieplan blijkt dat er sprake is van een arbeidsconflict waarvoor een juridische oplossing wordt gezocht. Tevens blijkt dat het nog niet duidelijk is welke de oplossingsrichting zal zijn.
Uit het reïntegratieplan blijkt dat voor genoemde medewerker zowel de optie van herplaatsing in een andere functie, als beëindiging van het dienstverband open gehouden wordt.
In hoeverre er sprake is van gezondheidsschade is onzerzijds in dit stadium niet te beoordelen.
Derhalve raden wij aan naar de oorzaak van het ziekteverzuim nader onderzoek te laten verrichten door een specialist.’

Navraag bij de bedrijfsarts leerde dat de administratie bij de USZO achter liep. Contacten tussen USZO en gemeente hadden er in geresulteerd dat van gemeentewege reeds toestemming en opdracht was gegeven voor het uitvoeren van een second opinion nog voordat hier met mij over gesproken was. Ik stelde vast dat via hun schrijven aan de USZO de gemeente de optie van beëindiging van het dienstverband nu weer zélf op de agenda had gezet. Dit nadat maanden daarvoor voorkeur voor een passende ontslagregeling boven het herintreden op de afdeling Beheer was genegeerd. Mijn voorstel om een kopie van het volledig reïntegratieplan op te vragen, vond mijn advocaat géén goed idee. Hij vond het beter om aan mijn oorspronkelijk gekozen strategie vast te houden en ieder contact met de gemeente of USZO te vermijden. “Ik begeef me niet graag op glad ijs, alléén om te gaan schaatsen,” luidde zijn antwoord. Het was duidelijk dat hij de zomer wilde afwachten om te gaan hooien.
Eigenzinnig nam ik telefonisch contact met de USZO op. ‘Als je op deze wereld op gezette tijden niet eigenwijs bent, kun je je soms moeilijk staande houden.’ De op het afschrift vermeldde contactpersoon adviseerde met de gemeente contact op te nemen. Na erop gewezen te hebben met de gemeente momenteel op niet zo’n goede voet te leven, beloofde hij dit voor mij te doen. Na enige tijd belde hij terug. Ons vorig contact een iets andere draai gevend, zei hij dat het niet in de lijn lag dat de USZO het gevraagde reïntegratieplan zou sturen. Hiervoor moest ik bij de gemeente zijn. Met tegenzin, aarzelend, telefonisch bij de gemeente aangekomen, zei men dat ik hiervoor bij de bedrijfsarts moest zijn. En zo was de cirkel weer rond en mocht ik het plan kortstondig inzien.

Zoals bij veel ‘welgestelde’ Nederlanders was het ook bij ons gewoonte geworden om in het voorjaar van een korte extra vakantie te genieten. Aansluitend en gebruikmakend van de verloven van koninginnedag, bevrijdingsdag en enkele keer hemelvaart waren we rond deze tijd al menig keer met de caravan erop uitgetrokken. Even weg uit dit hectisch gebeuren zou ons ongetwijfeld goed doen. Vanwege mijn ‘ziekteverlof ’ zaten we nu niet zo vast aan de mogelijkheid om in combinatie met deze dagen te gaan. Dit verschafte de mogelijkheid om buiten de periode dat half Nederland naar de ‘zon’ ging, een korte vakantie te plannen. Door in het voorseizoen te boeken was het mogelijk van een leuke aanbieding van het reisbureau gebruik te maken. Twee weken Kreta voor de prijs van een. Mijn liefje wat wil je nog meer. Voor de zekerheid nam ik met mijn advocaat contact op met de vraag of het problemen kon geven als wij van deze aanbieding gebruik maakten. “Geen enkele !” Als er in die periode, wat hij niet verwachtte, een rechtzitting zou plaats vinden dan zou dat toch minstens zes weken van tevoren bekend worden. Voldoende tijd om bericht van verhindering te sturen. Geen reden om bang te zijn met het boeken van deze vakantie in mijn persoonlijke belangen benadeeld te worden. Twee weken weg van alle sores. Hierover hoefden wij niet lang na te denken. “Vergeet niet dat je de ARBO-UNIE West- en Midden-Brabant om toestemming moet vragen om naar het buitenland te mogen,” merkte mijn dochter op. “Oh dat zal geen probleem zijn.” De bedrijfsarts wist inderdaad geen reden om te weigeren. “Je zult wél toestemming aan de gemeente moeten vragen !” Als je op voet van oorlog met de gemeente staat, is dat onmogelijk ! Buiten het opsturen van het ‘Kerstpakket’ – 2 VVV bonnen van f. 25,00 – met de beste wensen voor het nieuwe jaar had ik als ‘zieke’ ambtenaar gedurende ruim een half jaar taal noch teken van de gemeente Roosendaal ontvangen. Daarom leek het mij het beste om mijn advocaat schriftelijk de toestemming voor deze korte reis te laten vragen. Ofschoon ik niet begreep waarom, als de bedrijfsarts zijn toestemming had verleend, aan de gemeente apart toestemming gevraagd moest worden. “Jij hebt toch goede contacten met de adviseur arbeidsaspekten, dan hoef je toch geen overbodige advocaatkosten te gaan maken,” zei de bedrijfsarts geïrriteerd. “En toch doe ik het onder geen voorwaarde,” antwoordde ik eveneens niet al te vriendelijk. Na een paar dagen lag een brief van de ARBO-UNIE West- en Midden-Brabant op de deurmat. Met vermelding dat de bedrijfsarts en – namens de gemeente – de adviseur arbeidsaspekten geen bezwaar hadden tegen een vakantie van 14 t/m 28 april 2000. Als was het een ‘kleinood,’ stopte ik de brief zorgvuldig in mijn dossier. Met drie ordners al een omvangrijk geheel. Maar hoe dan ook, dit was ook weer geregeld.

Deze vakantie was als leesvoer het boek van Marjet van Zuijlen – Retour Nijmegen-Den Haag – meegegaan. Geboeid heb ik het in een ruk uitgelezen. Als een feest van herkenning met de beschrijvingen van de stad Nijmegen. De sfeer rondom plein 1944 en de Sint Annastraat waardoor ik tijdens twee ‘Vierdaagsen’ naar de finish ‘gewandeld’ was. Maar ook de geur van het PvdA-circus in schouwburg de Vereeniging tijdens de WAO-crisis. En al haar eigenaardige trekjes rondom kandidaatstelling, verkiezingscampagnes en werkbezoeken. Het gezond verstand zei dat prioriteiten gesteld moesten worden. Mijn hoogste prioriteit lag nu bij het arbeidsconflict met de gemeente Roosendaal. Als dit tot een goed einde gebracht zou zijn, kon ik mijn gezichtsveld weer verbreden. Met een lichte afgunst las ik dat de uitgever druk op haar uitoefende om met het manuscript voortgang te maken. En er zou ook geen Rob, Jan, Magreet, Ad, Rick, Sharon., Martin, Adrie, Jeltje of die andere Rob op een bijzondere wijze mijn boek lezen. Mijn boek zal alleen door die ene Theo en voor de rest door functionarissen wel of niet fronsend en met belangstelling – als een verhaal – gelezen kunnen worden. Door de ene persoon met de ontdekking niet en voor de andere er minder slecht of slechter dan gehoopt in voor te komen

Goed uitgerust terug van vakantie kwam al filosoferend de gedachte in me op om de mogelijkheid te onderzoek op 55 jarige leeftijd met flexibel pensioen fbu. te gaan. Bij een wachtgeldregeling mocht je zonder korting 30 % bijverdienen. Maar bleef al die jaren dan wel met de verplichting zitten om maandelijks bij je werkgever een briefje in te leveren. De gemeente had me hiermee tijdens mijn ontslagperiode tien maanden ‘gepest.’ Door steeds op dit briefje te wachten alvorens een opdracht tot betaling van het salaris te geven. Op een gegeven moment ontstond de situatie dat ik met mijn salarisuitbetaling een maand achterliep. Door deze bureaucratische gedragslijn had ik weerzin gekregen tegen dit ongewisse, of en wanneer het salaris wel zou komen. Bij voorschot zou op de betaaldag die daarvoor landelijk bepaald was betaald kúnnen worden. Én zonodig kon de volgende maand eventuele bijverdiensten verrekend worden Aan deze wijze van betalen hield ik een ‘unheimlich Big Brother-gevoel’ aan over. Ik hoopte dit niet meer mee te hoeven maken. Dan toch maar eens onderzoeken of flexibel pensioen met een aanvulling van gemeentewege een oplossing kon bieden. Ik belde de advieslijn van het APB om raad. Een vriendelijke dame vroeg mijn klantnummer. “Mijn gegevens geven aan dat u op 31-12-1998 bij het ABP uitgeschreven bent en er geen premie meer is betaald.” Dit was te gek voor woorden. Van mijn uitkering en nadien van mijn salaris was maandelijks een bijdrage voor het ABP afgehouden. In oktober 1999 had ik een specificatie ontvangen over de duizenden guldens korting die afgehouden waren vanwege het herstel van de volledige dienstbetrekking. Door het niet afdragen van deze premie was een pensioenbreuk ontstaan. Wat nu weer te doen ? “Als je het overzicht van het ABP ontvangen hebt, zal ik me beraden over welke actie we hierop moeten ondernemen,” antwoordde mijn advocaat op het verontruste telefoontje. “Maar dat dit een onrechtmatige daad is, kan ik je nu al reeds zeggen.” Als die ‘juffrouw’ van het ABP gelijk had, betekende dat een bewuste beëindiging van de opbouw van mijn pensioen. Ook in een wachtgeldperiode worden pensioenrechten opgebouwd. De hiervoor bedoelde premies waren steeds van mijn uitkering, respectievelijk salaris ingehouden maar – naar nu scheen – nooit bij het ABP afgedragen. En de gemeente maar in zijn verweerschrift stellen dat zij niet schuldplichtig was omdat alles gerepareerd en betaald was. Als je al niet ziek was, zou je het er inmiddels wel van worden. Uit het overzicht van het ABP bleek dat, hoewel bij de uitbetaling voor 100 % van mijn salaris ingehouden, over een periode van 14 maanden niets aan het ABP afgedragen was. Voor mijn advocaat weer werk aan de winkel.

Uit voornoemde producties blijkt dat de gemeente Roosendaal tot op heden heeft geweigerd de voor pensioen bestemde en ingehouden premie over het tijdvak 1999 tot heden aan het ABP af te dragen.

De heer Arts is hierdoor in de opbouw van zijn pensioen gekort. Het moge duidelijk zijn dat de heer Arts met de uiterst onzorgvuldige handelswijze jegens hem ook nog pensioenschade is berokkend. Van herstel van het dienstverband van Arts kan geenszins sprake zijn.

Met conclusie: tot persitit !

Utrecht,
Gemachtigde, …

Na ruim 1 maand antwoordde de gemeente – via de lange band aan de Arrondissementsrechtbank te Breda – van deze brief kennisgenomen te hebben ‘Er was geen sprake van een weigering. Maar, een dergelijke correctie dient handmatig te geschieden op speciaal daartoe aan te vragen formulieren. De verwerking ervan zal enige tijd in beslag nemen ’ De inhouding van mijn salaris was in een mum van tijd te regelen. Maar, met de afdracht aan het ABP gingen maanden gemoeid.
Met een gezond wantrouwen volgde ik alle verrichtingen van de gemeente Roosendaal.
Op 11-3-2000 kopte BN/De Stem ‘Gemeente overweegt cassatie.’

‘De gemeente Roosendaal legt zich niet zomaar neer bij de uitspraak van het gerechtshof in Den Bosch.’ ‘’t Is niet te geloven maar ze doen het,’ zegt de raadsman. ‘Je zou denken: de kwestie speelt al zo lang en alle gerechtsorganen hebben al gezegd dat de gemeente Roosendaal fout zit. Handel het nou gewoon netjes af. Maar nee, via de Hoge Raad proberen ze toch weer deze uitspraak van tafel te krijgen. Weinig verheffend.’

Het langslepende meningsverschil draaide om de afstand tussen de nieuwbouw van kantoren en bestaande woningen. Die zou te gering zijn waardoor het woongenot was aangetast. De gemeente had in 1989 mede om die reden onterecht een bouwvergunning afgegeven. Om die fout te herstellen moest de gemeente Roosendaal het van het Hof goedmaken met de klagende omwonenden door ze een financiële tegemoetkoming te geven. Raadsman van de omwonenden dacht dat een dikke honderdduizend gulden best reëel zou zijn voor een schade die zijn cliënten ondervonden. Een van de omwonenden zag het instellen van cassatie als ‘tijdrekken’ en ‘de burger onnodig op kosten jagen.’ Bovendien zat de gemeente er al helemaal naast met de opmerking dat er al eerder over een minnelijke schikking zou zijn gesproken, zei hij. ‘Er was in die elf jaar dat deze zaak nu speelde, nog nooit een bod gedaan om de kwestie in der minne te schikken.’

Na enige weken probeerde ik te achterhalen of de gemeente nu wel of niet in cassatie gegaan was. Het lukte niet via de afdeling voorlichting achter de stand van zaken te komen. In contact met de pers vertelde ik, niet door de ‘muur’ van transparantie en openbaarheid heen te komen en vroeg om assistentie. Als ‘autoriteit,’ op het gebied van waarheidsvinding zouden zij ongetwijfeld verder komen. Voor het schrijven van mijn boek was het ook belangrijk hoe de afloop was. Gelet op de grote geheimzinnigheid, moest ik wel aannemen dat er iets bijzonders aan zat te komen, of iets om van te leren. En ja hoor, een paar dagen later kopte de krant.

‘Toch overleg over geschil Stationsstraat.’

‘De gemeente Roosendaal ziet voorlopig af van het instellen van cassatie tegen de beslissing van het gerechtshof in Den Bosch in de ruzie met omwonenden aan de Dr. Lemmenstraat/Stationsstraat.
Dat betekent dat de gemeente op korte termijn rond de tafel gaat zitten om over schadevergoeding te praten, precies zoals het Hof besliste.’

Als de President van de rechtbank mij wederom in het gelijk zou stellen, was het niet ondenkbeeldig dat mij ook nog een lange lijdensweg te wachten stond. Ik nam me heilig voor me hier niet door te laten intimideren en de dingen maar af te wachten. Anderzijds begon ik me wel zorgen te maken over mijn verdediger met zijn angst zich op ‘glad ijs te begeven.’ Het feit dat de gemeente de langste adem had en zoals uit bovenstaand voorbeeld bleek uit een bodemloze put kon putten, maakte er mij niet geruster op.

Inmiddels vond de door de gemeente opgedragen second opinion plaats. De vraag, of ik mij in staat achtte nog werk te verrichten, dacht ik met ja te kunnen beantwoorden. Maar de vraag of nog bij de gemeente Roosendaal gewerkt zou kunnen worden, lag een stuk moeilijker. ‘Theoretisch wel, maar praktisch niet,” voorzichtig ’n antwoord formulerend.
De aanvankelijk éénmalig geplande sessie werden er twee. De tweede was nodig omdat de specialist de zaak wel erg complex vond. En eerlijk is braaf, de persoon Wim Arts ook. Hij sprak er zijn be- en verwondering over uit dat na alles wat hij gehoord had, ik nog zo stevig in mijn schoenen stond. En om mijn recht te halen, tot het gaatje ging.
Na een paar weken volgde een afspraak met de bedrijfsarts om de uitslag van de second opinion op te halen. Hij zei met een probleem te zitten en vond de regel ‘is bij gemeente Roosendaal contextueel arbeidsongeschikt’ erg cryptisch, onduidelijk en onvolledig. Voor mij was deze zin glas helder en voor hem ongetwijfeld ook. Want bij lezing van het totale rapport – wat ik langs juridische weg moest afdwingen – kon hier geen twijfel meer over bestaan. “Ik zou daar maar niet zo luchtig over doen. Dit kan leiden tot onttrekking van ziektegeld en het overgaan op een bijstandsuitkering,” zo antwoordde de bedrijfarts bits. Ik vroeg hem om een kopie van de bevindingen van de second opinion. Dit kon niet, de gemeente was de opdrachtgever voor de second opinion en daar moest toestemming voor een kopie aangevraagd worden. Dat was nou de dank voor de vrijwillige medewerking aan een dergelijk onderzoek ! “Als mijn advocaat het nodig vindt, zal hij zelf wel een kopie opvragen,” antwoordde ik, gaf een hand en ging naar huis. Uit het opgevraagde rapport zou later blijken dat er geen psychiatrische of welke andere ziekte of gebrek was. Louter en alleen een arbeidsconflict. Nog maar goed en wel thuis kwam een telefoontje van de bedrijfsarts. Hij had contact opgenomen – met wie vertelde hij niet – en zou per omgaande schriftelijk de gemaakte afspraak sturen. Ik was me niet bewust iets afgesproken te hebben. De volgende dag ontving ik, het nagenoeg niet ingevulde, maar wel ondertekende, gedeelte van het formulier voor de werknemer. Alleen onder het kopje opmerkingen stonden twee regels geschreven.

Geen sprake van ziekte en/of gebrek.
Situationeel arbeidsongeschikt.

Mijn eerste advocaat – na de vakbondsperiode – had enige weken nadat hij uit het ziekenhuis ontslagen was, contact opgenomen om te informeren hoe het mij verging. Hij vertelde te zitten wachten op een oproep om gedotterd te kunnen worden. En voelde zich al bijna geheel de ‘oude’ en na dottering zou hij weer helemaal beter zijn. Als er zich ooit nog iets voor zou doen dan mocht ik – geheel vrijblijvend – altijd bellen. Dat door overmacht zijn advocatenbureau mij had moeten laten gaan, was jammer. Tijdens overpeinzingen herinnerde ik me dit laatste gesprek, omdat ik vertrouwen verloor in de juridische aanpak en een niet weg te drukken gevoel kreeg van in een situatie van ‘David tegen Goliath’ te belanden. Dit kat- en muis-spel zouden wij op de duur gaan verliezen. Per slot van rekening had mijn huidige advocaat zich al eens op het Stadskantoor laten ontbieden. Terwijl hij dacht zaken te kunnen doen, bleek zijn komst alléén maar tot doel gehad te hebben om hem over onze plannen uit te horen. En die uitspraak over glad ijs zat me ook behoorlijk dwars.

“Wim, als je wilt kunnen we bij mij thuis met de benen op tafel en een kan koffie de stand van zaken eens doornemen.” In herinnering kwam de uitnodiging aan de adviseur arbeidsaspekten om ook eens met de benen op tafel een gesprek aan te gaan. Dit gesprek had ons geen millimeter tot een oplossing gebracht, maar in een gesprek met Theo had ik meer vertrouwen. Hij was in dit arbeidsconflict de enige die reeds na korte tijd voorstelde om te tutoyeren en elkaar bij de voornaam te noemen. “Ik vind dat achter iedere zaak een mens zit en daarmee wil onze beroepsgroep nog wel eens in de fout gaan. Bij vele collegae worden cliënten vaak nummers,” zo had hij reeds bij onze eerste ontmoeting duidelijk gemaakt. Met zijn persoonlijke benadering was mijn vertrouwen in hem al bijna niet meer kapot te krijgen. Op 1 mei 2000 – jawel ! – exact op de dag af 30 jaar in dienst van de gemeente Roosendaal vond ons gesprek ‘met de benen op tafel’ om half acht bij hem thuis in Utrecht plaats. “Mijn advies zou zijn om die beroepschriften die voor september bij de rechtbank op de rol staan gewoon door te laten gaan. Maar tegelijkertijd kun je op een tweede spoor gaan rijden. Namelijk – gelet de nog verder verstoorde arbeidsverhoudingen – zelf opnieuw om een eervol ontslag vragen. Denk daar maar eens rustig over na en neem geen overhaast besluit.” Maar nog voor ik in de auto terug naar huis stapte, was mijn besluit al gevallen. Direct na thuiskomst zette ik mijn computer aan en begon een brief aan mijn al bijna ‘oude’ jonge advocaat te schrijven.

Geachte heer, om mij moverende redenen – zonder het achterste van je tong te hoeven laten zien, een mooi en makkelijk stukje tekst dat ik uit de eerdere correspondentie van hém geleerd had – heb ik besloten mijn dossier aan het bureau Advocaten Ambtenarenrecht Arbeidsrecht te Nieuwegein terug over te dragen. Voor het door u verrichte werk wil ik u hierbij hartelijk danken, alsmede voor de zorgvuldige overdracht van het dossier dank ik u bij voorbaat.

Bijna per kerende post arriveerde een schrijven met ‘dank voor het in mij gestelde vertrouwen’ en een rekening. Na betaling zou het dossier overgedragen worden. Het teruggaan naar mijn oorspronkelijke advocaat was zonder problemen verlopen. ‘Zo zie je maar weer, een mens lijdt het meest voor wat hij vreest en nooit komen zal.’
In concept arriveerde na een paar dagen een brief van Theo mijn nieuwe/oude advocaat om te verzenden aan de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal. Hierin werd – voor de tweede keer – verzocht om een eervol ontslag met een redelijke ontslaguitkering en wel om redenen van een verstoorde arbeidsverhouding. Met in de tweede alinea een duidelijke tekst.

Nadrukkelijk wordt dit ontslagverzoek enkel gedaan onder de absolute voorwaarde dat aan het ontslag een redelijke ontslaguitkering wordt verbonden.

De heer Arts is met de gemeente reeds jarenlang in verschillende procedures gewikkeld die, ondanks voor de heer Arts positieve uitspraken, toch steeds een negatief resultaat voor de heer Arts te zien geven.

De functie van de Secretaris Straatnamen- en Huisnummerscommissie was voorlopig gewaardeerd op schaal 11 doch puur om redenen tegen de persoon van de heer Arts inmiddels voorlopig geherwaardeerd in schaal 5. De heer Arts acht de herwaardering onzorgvuldig en in strijd met het beginsel van fair-play.

De gehele situatie brengt aan de heer Arts naast materiële schade aan de lichamelijke en geestelijke gezondheid toe. Een belangrijk aspect hierin is dat door handelen van de gemeente aan de heer Arts alle toekomst- en carrièreperspectieven ontnomen zijn.

De arbeidsrelatie tussen de gemeente en de heer Arts is zodanig dat terugkeer van de heer Arts bij de gemeente niet meer mogelijk is.

Naar mening van de heer Arts kan een redelijke ontslaguitkering bestaan uit:
1. Eervol ontslag ex artikel 8:8 Car/UWO;
2. Gegarandeerd wachtgeld;
3. Aanvulling van de wachtgeldpercentages;
4. Herstel pensioenverlies;
5. Smartengeld;
6. Volledige vergoeding van de kosten van juridische bijstand.

De heer Arts ziet uw besluit op bovenstaand verzoek graag tegemoet in de vorm van een voor bezwaar/beroep vatbare beslissing.
Namens de heer Arts spreek ik de bereidheid uit om over het bovenstaande met u te overleggen.

Het concept had mijn volledige instemming. Wel informeerde ik waarom deze brief expliciet ook aan de gemeenteraad van Roosendaal gestuurd werd. “Omdat bij een verstoorde arbeidsrelatie alleen de gemeenteraad tot een ontslag kan besluiten en dit niet aan het college gemandateerd kan worden.” Verder vroeg ik waarom hij de brief met zijn achternaam en voorletters, zonder de titel van mr. ondertekende. Was dit valse bescheidenheid ? “In het briefhoofd staat toch de titel mr. vermeld, daarnaast heb ik meer titels maar je hoeft daar niet mee te koop te lopen. De inhoud van een brief wordt daar toch niet beter door.” Daar had hij gelijk in. Maar in mijn werk als ambtenaar had ik het wel anders meegemaakt. Voor mijn baas moest je een door hem te versturen memo beginnen met beste, (voornaam) en afsluiten met drs. ing.( voornaam en achternaam). Toen ik hem erop wees dat dit onnatuurlijk was en er pijn van in mijn ogen kreeg, mocht per gratie Gods zijn titulatuur weggelaten worden. Ik heb me wel eens afgevraagd: ergerde ik me terecht aan het te pas en te onpas gebruiken van titulatuur in de ambtelijke wereld of was het een vorm van ‘penisnijd ?’ Theo bewees met het ondertekenen van de brief zonder titel, dat een titel geen gezag uitstraalt maar dat je deze op een andere wijze moet verwerven.

Op het moment dat de brief nog maar net op het Stadskantoor aangekomen kon zijn, ontving ik een uitnodiging voor de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Coöperatieve Rabobank Roosendaal u.a. Deze vergadering zou afgesloten worden met een receptie vanwege het honderdjarig bestaan van de bank in Roosendaal en het afscheid van de voorzitter. Op de agenda stond de burgemeester ook als spreker aangekondigd. Dit mocht toch geen reden zijn om voor het eerst sinds jaren verstek te laten gaan. Opgelaten betrad ik de foyer van de schouwburg. De directeur van de Rabobank kwam als éénpersoons ontvangstcomité, met een joviaal en vriendelijk lachend gezicht, schudde mijn hand en heette me hartelijk welkom. Lopend richting garderobe, onderweg een kopje koffie van een dienblad nemend en een eveneens vroegtijdig ontslagen oud-collega hoofd grondzaken feliciterend met zijn daags voor koninginnedag ontvangen koninklijke onderscheiding, zocht ik een rustig plekje op vanwaar ik het hele gezelschap kon overzien. De directeur ‘particulieren’ Rabobank Roosendaal kwam op me af, gaf een hand en vroeg of ik het nog druk had. “Sorry, maar u moet me even helpen, waar kent u mij van,” vroeg ik niet begrijpend waarom hij zo plotseling naar mij toe kwam. “Van de Algemene Vergadering van vorig jaar toen u mij voor de ANBO aanschoot.” Ja, dat was waar. Ik had in de functie van bestuurslid geïnformeerd of er niets te doen was aan de hoge onkosten die door de Rabobank voor het verrichten van bankzaken bij verenigingen in rekening gebracht werden. “Nee, voor de ANBO ben ik, buiten het maandelijks bezorgen van een twintigtal ledenkranten in mijn directe omgeving niet meer actief.” Opnieuw realiseerde ik me al meer dan een jaar maatschappelijk en politiek ‘dood’ te zijn en intussen met het begrip depressiviteit kennis gemaakt te hebben. Dit uitte zich ondermeer doordat ik ’s morgens, na de krant gelezen te hebben terug naar bed ging. Het lange machteloos wachten op de dingen die zouden komen, hadden mij er niet vrolijker op gemaakt. Maar gelukkig, met het onderkennen van een probleem is het meestal voor de helft opgelost. Ik probeerde het als het spelen van een kaartspelletje te zien. De kaarten kun je wel op een andere plaats steken. Maar, met deze kaarten zal de partij gespeeld moeten worden en de medespelers bepalen in grote mate het tempo waarmee gespeeld wordt. Ongemerkt had ik me tóch laten isoleren, door alleen met het ontslag en mijn boek bezig te zijn. Dit tegen de uitdrukkelijke adviezen voor ‘rouwverwerking’ van de ARBO-adviseur in.
Mijmerend mijn kopje koffie opdrinkend zag ik de lange bank langs de glanswand aan de andere zijde van de foyer. Twee jaar geleden bij de viering van het honderdjarig bestaan van de landelijke Rabobank, hadden mijn baas en zijn nieuwe vriendin daar gezeten. Bij die gelegenheid was mijn vrouw ook meegegaan omdat na de Algemene Vergadering in de grote zaal van de schouwburg Marcel van Dam met een op Roosendaal toegespitste versie zijn ‘achterkant van het gelijk’ presenteerde. Op de vraag wat de uitstraling van Roosendaal was, kon de zaal niet verder komen dan vast te stellen dat het een ‘spoorstad’ was. En dit dankte Roosendaal voornamelijk aan het feit op de intercity en internationale spoorlijn Amsterdam-Parijs het laatste station voor de grens met douanefaciliteiten te zijn. Anno 2000 kan daar nog aan toegevoegd worden dat de stad beschikt over een voetbalclub – RBC Roosendaal – met eredivisievoetbal in de KPN-Telecomcompetitie maar daar inmiddels alweer uit verdwenen is. De vice-partijvoorzitter en verantwoordelijk wethouder van het CDA liet zich door Marcel van Dam verleiden tot het maken van een ‘uitglijder’. Zij zei dat de uitstraling van Roosendaal als koopcentrum voor de regio vergroot zou worden met het opknappen van de ‘Nieuwe Markt.’ Hiervoor zou voor 1 januari 2000 de eerste schop de grond ingaan. Intussen bijna twee jaar en enige plannenmakers verder is aan dit ‘Oost-Duits’ uitziende plein nog niets veranderd.
Van ongeveer dezelfde plaats met een kopje koffie, als waar ik nu stond, had ik destijds mijn baas met zijn vriendin in het oog gekregen. “Kom laten we ze even goedendag gaan zeggen.” Alleen tijdens de receptie van onze zilveren bruiloft had mijn vrouw kort kennis met hem gemaakt en daar zat op dat moment al weer bijna vijf jaar tussen. Verrast vroeg hij in welke hoedanigheid wij hier waren. “Omdat wij als lid van de Rabobank Roosendaal net de Algemene Vergadering bijgewoond hebben en zodoende ook uitgenodigd zijn om het afsluitende deel van deze avond bij te wonen,” antwoordde ik niet zonder trots. “Jullie vinden het toch niet erg als wij zittend onze koffie verder opdrinken,” zei hij min of meer verontschuldigend nadat zijn vriendin en hij staande mijn vrouw en ik zijn vriendin een hand gegeven hadden. “Och, ga gerust zitten, ik heb graag eens de gelegenheid gehad om op jou neer te kunnen kijken,” grapte ik lachend, maar geschrokken van mijn ad rem reageren. Cynisch, maar zeker niet zo bedoeld. Geen houding wetend, naar woorden zoekend, keek hij zijn vriendin vragend aan. “Wat moet je nou daarop zeggen ?” Een collega à niveau – senior adviseur financieel beleid – kwam aanlopen, drong zich tussen ons vieren en nam ons samenzijn over.
Uit mijn mijmeringen opgeschrikt door een medelid van de Rabobank Roosendaal die mij tijdens het passeren aangestoten had, was ik weer terug in de foyer van mei 2000. “Mag ik u een sigaartje aanbieden,” vroeg mijn nieuwe buurman zijn kopje koffie wegzettend. “Gelukkig, iemand die ook rookt, nu hoef ik me minder schuldig te voelen en wordt het makkelijker voor mij om ook te roken,” ging hij verder. Na zijn vraag of ik ook uit Roosendaal kwam en waar ik werkte, had het om een praatje verlegen medelid een vergader- en gesprekpartner. De gemeenteraad fractievoorzitter van het CDA kwam met uitgestoken hand naar de tot voor kort voor mij onbekende persoon. Half met zijn rug naar mij gedraaid, nam hij ons gesprek over. “Ik zei net nog tegen mijnheer, als Peper vanaf het begin wat ruimhartiger over zijn declaratiegedrag geweest was, zou er nooit zo’n drama zijn ontstaan. Per slot van rekening heeft die man toch veel voor de stad Rotterdam gedaan.” Met deze twee zinnen en naar mij kijkend had hij mij als gesprekpartner teruggehaald. Hoe is uw naam vroeg de CDA-fractievoorzitter. “Wim Arts en ik heb me even afgevraagd of ik hier wel thuishoor ? ” “Waarom, vanwege een arbeidsconflict met de gemeente mag je toch gerust op een feestelijke bijeenkomst van de Rabobank aanwezig zijn ! ” Hiermee gaf hij impliciet aan van de zaak op de hoogte te zijn. Wellicht had de CDA-fractievoorzitter de nog geen week geleden verstuurde brief van mijn advocaat ook al gelezen en was er in ‘het torentjesoverleg’ over gesproken. Het leek mij niet verstandig over mijn zaak veel te zeggen of te vragen en ik wilde hem ook niet in verlegenheid brengen, zeker niet nu hij intussen al weer een nieuwe gesprekspartner gevonden. Eveneens een CDA-raadslid en wethouder uit een naburig dorp. Flarden van het gesprek waaiden, zonder dat ik het wilde, over, met trefwoorden als aanbestedingsbeleid, rijksrechercheonderzoek en Valkenswaard. Wat graag had ik aan dit gesprek deelgenomen, zeker toen ze over het Roosendaalse begonnen, misschien maar gelukkig ook werd ik hiertoe niet uitgenodigd. Na korte tijd had hij zich verder van mij verwijderd – zoals dat bij recepties al pratend gebeurd – en nam de CDA-fractievoorzitter enige meters van mij vandaan afscheid. Zijn duim omhoogstekend, roepend, bijna schreeuwend “mijnheer Arts, succes !” Zou de beslissing gevallen zijn en de collegepartijen in een geheime bijeenkomst besloten hebben deze zaak niet in de openbaarheid te brengen door de brief gericht aan de gemeenteraad niet op de lijst van ingekomen stukken op de agenda van de raadsvergadering van juni te plaatsen ? Zou de burgemeester de zaak ‘onder de pet’ willen houden ?? Of maakte dit weghalen van de lijst van ingekomen post voor de gemeenteraadsvergadering onderdeel van een te voeren strategie, waarbij onder het gras nog allerlei adders schuilgingen ? Theo’s vierde brief aan de gemeenteraad zou later als eerste op de lijst van ingekomen stukken vermeld worden zo had ik nauwkeurig speurend vastgesteld. Over transparantie van het gemeentebestuur gesproken ! Theo gebood mij rustig te blijven. Met zijn uitgestippelde tactiek zou hij wel een doel voor ogen hebben. In de laatste regel van de brieven was steeds een opening geboden en aangegeven over de zaak in gesprek te willen komen. Maar door de geheimhouding van de correspondentie had de burgemeester – voor mij onverklaarbaar en volgens het reglement van orde ontoelaatbaar – het college in een kwetsbare positie gemanoeuvreerd. Wij hielden de sterke troefkaart van een rechtszaak in handen. En zonder een bevredigend resultaat van de onderhandelingen over een ontslagregeling zou deze gewoon doorgaan tot en met hoger beroep bij de Raad van Beroep in Utrecht dat stond voor mij nu al vast.

Weer terug in de zaal kwam, tegen het einde van de bijeenkomst, de vice-partijvoorzitter van het CDA stilletjes de zaal binnen en streek op de eerste stoel van mijn rij, zo ongemerkt mogelijk neer. Na enige tijd kruisten onze blikken. Stijf, strak en beleefd kreeg ik een ‘koninklijk’ knikje wat door mij op bijna dezelfde wijze teruggeven werd. Me realiserend dat er door mijn zenuwen niet eens een vriendelijk lachje van af kon. Hoewel dat toch op zijn plaats geweest zou zijn, omdat er toch een gevoel van ‘heer en meester’ over me zou moeten zijn. Na afloop, in de rij wachtend voor het feliciteren en afscheid nemen van de inmiddels geridderde voorzitter van de Rabobank Roosendaal zag ik in mijn ooghoek de burgemeester en hij mij. Eigenlijk had ik naar hem toe moeten gaan om een praatje te maken over het weer. Of zou ik hem hebben willen wijzen op een gedeelte uit het CDA-verkiezingsprogramma ? ‘Ieder mens telt en de overheid ziet toe dat ieder recht wordt gedaan en ieder tot zijn recht kan komen.’ Het was het zelf gelezen te hebben, anders zou ik gedacht hebben dat het een stukje bijbeltekst was. In de rij staand om de scheidende voorzitter een hand te schudden, hoorde ik achter me enige jonge dames van voorin of half de twintig zich voorbereiden op de wijze waarop er gefeliciteerd en afscheid genomen zou gaan worden. “Hij moet niet denken dat ik hem kus.” Lachend draaide ik me om en zei dat dít nou voor mij geen probleem vormde. Ik was naar woorden aan het zoeken waarmee je als ‘anoniem’ lid afscheid van een zojuist geridderd voorzitter neemt. Aan de beurt gekomen, feliciteerde ik hem met zijn koninklijke onderscheiding, wenste hem voor de toekomst het beste en vooral een goede gezondheid toe. Door deze laatste toevoeging geroerd, legde hij zijn vrije linkerhand op mijn schouder als waren we vrienden en geen onbekenden. “Mijnheer, inderdaad, er gaat niets boven een goede gezondheid, dank u wel.” Ik kon me niet aan de indruk onttrekken een gevoelige snaar geraakt te hebben en de gedachte – zoals eerder die avond met een vergaderbuurvrouw besproken – dat hier na negen en twintig jaar voorzitterschap niet geheel ‘vrijwillig’ afstand gedaan werd, juist was. Op negenentwintig jarige leeftijd was hij als jongste voorzitter van de – destijds nog Boerenleenbank – Rabobank aangetreden. En dan maar tegen een ander zeggen dat er niets boven een goede gezondheid gaat. ‘Wim kijk naar jezelf,’ me uit de foyer richting garderobe terugtrekkend. De directeur wees mij achteropkomend op het prachtige, smakelijke en ongetwijfeld lekkere koud buffet dat stond te wachten. Maar mijn honger en dorst waren over en ik ging spoorslags huiswaarts.

De volgende dag nam ik met Theo contact op. Hij had niets gehoord en de pers, door mij naar mijn advocaat verwezen, had ook nog geen contact opgenomen. Wel was er van de adviseur arbeidsaspecten een bevestiging van de ontvangst van het verzoek om de ontslagregeling binnengekomen. Ik ontdekte dat haar functiebenaming aangepast was. ‘Arbeidsaspekten’ werd nu, zoals het hoort, ‘arbeidsaspecten.’
Ik verwacht u, in verband met de aanstaande zomervakanties, eerst in de maand augustus te kunnen antwoorden. De ‘ratrace’, eten of gegeten worden, was nu echt begonnen. Juridisch was er niet veel te beginnen. Drie maanden voor het nemen van een besluit was een algemeen acceptabele termijn. En als wij op 3 oktober, zoals Theo telefonisch door de griffie van de rechtbank bericht was, naar de rechtbank zouden moeten – zonder een bevredigend resultaat – konden wij ons beroepen op het feit in mei nog een hand om tot een oplossing te komen, uitgestoken te hebben. Gelukkig waren de rechters hier wel gevoelig voor en zaten ze niet om rechtszaken verlegen. Er heerste radiostilte. “Zo gauw ik iets hoor, geef ik het jou door, daar kun je op rekenen. Jij blijft in je stoel zitten, ik neem jou aan mijn hand mee en jij onderneemt niets meer,” gebood Theo. Vanuit mijn stoel niets ondernemend draaide de wereld toch door, zo bleek uit een krantenbericht enige dagen later.

Raad wil bescherming voor ‘klokkenluiders’.

Gemeenteambtenaren die misstanden op het stadskantoor aankaarten moeten beter beschermd worden. Dat vindt een belangrijk deel van de gemeenteraad. De burgemeester voelt er weinig voor om vooraf speciale maatregelen te nemen om dergelijke ‘klokkenluiders’ te beschermen en anonimiteit te waarborgen. ‘Onze organisatie is open genoeg om problemen te signaleren voordat dergelijke ‘klokkenluiders’ noodzakelijk zijn’.

‘Dat moet uitgerekend hij zeggen !’ Als je noodgedwongen ‘persoonlijk’ een beroep op hem deed, gaf hij niet thuis. Blij met de gedachte nog drie weken naar Frankrijk met vakantie te kunnen gaan, werd ’t bericht voor kennisgeving aangenomen. Als francofiel voelde ik me weer even als een vis in het water op de camping aan La Dordogne. En ontdekte dat het repertoire van de liedjes ’s avonds – met accordeon aan de bar – uitgebreid was. Naast, ‘Achter die hoge bergen ….ligt het láááánd van Maas en Waal en ’t is weer voorbij die mooie zomer ….. ná, ná, ná, náá, ná, náá, náá, ná, … ’ klonk voor het eerst op de camping, ‘Wij houden van Oranje en zowaar het Wilhelmus even spontaan als tijdens de voetbalwedstrijd Nederland – Tsjechië.’ Zalig en ver genoeg weg om weer even alles te vergeten en de tijd van het wachten te bekorten en de mogelijkheid verkleinen om opnieuw in een depressie te vervallen. Misschien wel erg kortzichtig omdat het grote gevaar vooral school in de tijd nadat een regeling getroffen was en het moment aanbrak om vanuit het niets weer een nieuwe invulling aan mijn leven te geven. Als leesvoer had ik nu onder andere het praktisch handboek voor iedereen die met ontslag te maken krijgt, ‘Ontslag van afvloeiingsregeling tot zelfvertrouwen.’ Veel wijzer werd je daar niet van. Mijn situatie was zo uniek dat, buiten het advies om aan je zelfvertrouwen te gaan werken, hierover maar weinig stond vermeld. Aan de mogelijkheid van het schrijven van een volgend boek was al gedacht. “Dat wordt dan zeker een boek met als titel ‘retour Markt 1’, een boek over je gemeenteraadlidmaatschap,” vroeg een kennis mij. Geen gek idee dacht ik. En wellicht weer iets gemakkelijker te schrijven met een meer journalistieke inslag. Het vak van schrijver sprak me wel aan. Ter oriëntatie had ik reeds contact met TekstNet opgenomen. Een in 1993 opgerichte branchevereniging voor tekstschrijvers, redacteuren, docenten en adviseurs in tekst en taal in Nederland en Vlaanderen. De verenigingsleden zijn freelancers en ondernemers in het taal- en tekstwerk. Zij schrijven en redigeren in opdracht artikelen, handleidingen, brochures, rapporten e.d. De vereniging TekstNet wil van het tekstschrijven – trainen en redigeren – een professionele bedrijfstak maken. Als aspirantlid had ik me aangemeld want een mens moet toch wat doen om op zijn toekomst voorbereid te zijn.

Dat de USZO hier ook mee bezig was bleek uit haar brief. Uw aanvraag voor een WAO-uitkering hebben wij in goede staat ontvangen… Wij streven ernaar u uiterlijk 3 november 2000 te laten weten of u een WAO-uitkering kunt krijgen. Ik wilde geen WAO-uitkering !!! Dat de bedrijfsarts – ter voorkoming van een schadeclaim voor de gemeente – het WAO-traject had gestart, was totaal iets anders. Gelukkig stond precies een maand voor 3 november op 3 oktober onze rechtzaak op de rol. Over de WAO hoefde ik gelukkig niet wakker te liggen. Theo was het met mij eens dat, na ruim drie maanden wachten, de gemeente onderhand wel een besluit over de ontslagaanvraag genomen kon hebben. Hij stelde voor hierover aan de raad, het college van de gemeente Roosendaal en de Arrondissementsrechtbank Breda brieven te schrijven. Aan de raad en het college schreef hij ondermeer.

Inmiddels zijn ruim drie maanden verstreken zonder dat ter zake een beslissing is genomen. Ik acht een redelijke besluittermijn hiermede verstreken en teken bij deze dan ook formeel bezwaar aan tegen uw weigering te beslissen.

Zijn brief aan de president van de arrondissementsrechtbank Breda eindigde na vermelding van het ingediende bezwaar bij raad en college tegen de fictieve weigering op het verzoek – tot ontslag – te beslissen met de volzinnen.

Gezien het bovenstaande leg ik u het verzoek voor om de zitting van 3 oktober 2000 mede of zelfs vooral te gebruiken voor een comparitie van partijen waarin gestreefd kan worden naar een schikking.

Ik verzoek u mij te berichten of dit mogelijk is en zo ja of u nog nadere informatie behoeft.

En nu maar afwachten of de burgemeester voor de tweede keer de aan de raad geschreven brief ‘onder de pet’ wilde houden. Dit leek niet helemaal het geval. Per post arriveerde een brief met conceptraadsvoorstel op mijn adres. Een afschrift ging per fax aan Theo. Mijn dochter – eveneens gemeenteambtenaar bij een andere gemeente – om commentaar gevraagd, antwoordde eigentijds en duidelijk; ‘bullshit !’ Voor mij was het ook onbegrijpelijk dat 6 pagina’s ‘gezever’ met hele en halve waarheden als een professioneel raadsvoorstel richting gemeenteraad zouden gaan. Terwijl, zoals in de begeleidende brief stond, voor dit product extern advies was gevraagd. Theo vroeg om een reactie en zei blij te zijn dat er waarschijnlijk voor de rechtzitting een raadsbesluit zou zijn. Per e-mail antwoordde ik hem.
Richting pers was intussen ‘gelekt.’ Ik stuurde de journalist ‘met geen commentaar’ naar het advocatenbureau. Theo informeerde de journalist uitgebreid over de gebeurtenissen die zoal plaats gevonden hadden. Onder de kop ‘Ambtenaar wil nu zelf ontslag’ had de journalist over een periode van bijna vier jaar de feiten in grote lijnen vermeld. Met als slot, Volgens zijn advocaat is hij murw gemaakt door de handelwijze van de gemeente.

Na een paar dagen kwam van Theo de brief, het conceptraadsvoorstel met aantekeningen en zijn reactie in concept retour. Hier hoefde niet lang over nagedacht te worden en berichtte telefonisch mijn akkoord. Omwille van een goede en duidelijke leesbaarheid voor de lezer zijn door mij de genummerde opmerkingen van Theo bij de tekst van het conceptraadsvoorstel tussengevoegd.

Roosendaal, 12 september 2000

Geachte heer Arts,

Door tussenkomst van uw raadsman, de heer mr. Th. A. Velo ontvingen wij bij brief d.d. 25 mei 2000 een verzoek tot het verlenen van eervol ontslag aan u, tezamen met een redelijke ontslaguitkering, een en ander met toepassing van artikel 8:8 CAR/UWO (Abeidsvoorwaardenregeling gemeente Roosendaal, verder te noemen AVR). De grondslag voor het ontslag zou dan een onherstelbare arbeidsverhouding moeten zijn.

Het feitenoverzicht dat door uw raadsman is verstrekt laten wij geheel voor zijn rekening. In onze visie speelt een aantal aspecten in uw wijze van functioneren na de gemeentelijke herindeling een rol die ertoe hebben geleid dat u aan de functie van medewerker begraafplaatsen door u in onvoldoende mate inhoud heeft gegeven en die vervolgens tot het besluiten van ons college hebben geleid die u met succes heeft aangevochten.

a 1) De stelling dat de heer Arts onvoldoende invulling gegeven heeft aan de functie van medewerker begraafplaatsen is onjuist. Enerzijds heeft de heer Arts deze functie niet of nauwelijks vervuld en anderzijds zijn de beoordelingen over deze periode terecht vernietigd, hetgeen de onjuistheid van uw stelling bewijst.

Wat daar overigens van zij, wij zijn nog onverkort van mening dat wij u, na de intrekking van het besluit u met ingang van 1 januari 1999 ontslag te verlenen, in alle opzichten schadeloos hebben gesteld, als mede dat wij u in de gelegenheid hebben gesteld een functie te hervatten die voor u passend is te achten.

a 2) U hebt de heer Arts aangetast in zijn goede naam en faam door eerst negatieve beoordelingen op te maken en vervolgens zelfs tot ontslag menen te mogen besluiten. Het enkel, overigens zeer terecht, herstellen van de rechtspositie van de heer Arts is absoluut onvoldoende als schadeloosstelling.
De stelling dat u de heer Arts in de gelegenheid hebt gesteld een andere passende functie te aanvaarden, is welhaast ridicuul en is een slechte poging u zelf vrij te spreken van onrechtmatig en onzorgvuldig gedrag.

Het is niet gekomen tot werkhervatting van u in de functie administratief-technisch medewerker beheer als gevolg van uw arbeidsongeschiktheid die situatief bepaald is.
Bij brief d.d. 17 juli 2000 heeft de bedrijfsarts ons bericht dat u op en na 1 november 1999 niet in staat bent te achten de genoemde functie bij de gemeente Roosendaal te vervullen, noch dat u daartoe op termijn in staat geacht moet worden. De bedrijfsarts acht u inmiddels echter wel in staat om zonder beperkingen, anders dan voortkomend uit uw opleiding en werkervaring werkzaamheden bij een andere werkgever te gaan verrichten. Van enige ziekte of gebrek is volgens de bedrijfsarts thans geen sprake meer bij u.

a 3) De werkhervatting in de functie van administratief-technisch medewerker beheer heeft niet kunnen plaats vinden door het intreden van een situatieve arbeidsongeschiktheid die enkel en uitsluitend het gevolg is van uw onrechtmatig en onzorgvuldig handelen.

Zowel het verzoek van uw raadsman d.d. 25 mei 2000 als het advies van de bedrijfsarts d.d. 17 juli 2000 zijn voor ons college aanleiding geweest tot nader beraad in te winnen van een extern juridisch advies. Als resultaat daarvan berichten wij u thans dat wij het voornemen hebben gevormd een ontslagprocedure ex artikel 8:8, AVR op te starten, waarbij wij aan de raad zullen voorstellen ten behoeve van een aan u te verlenen ontslag de volgende ontslaggrond vast te stellen:
“het ontstaan van een impasse in de arbeidsrelatie als gevolg van een blijvende arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van een passende functie, welke ongeschiktheid niet objectiveerbaar medisch is bepaald.”
Tevens zullen wij aan de Raad voorstellen bij wijze van ontslagregeling een wachtgelduitkering overeenkomstig Hoofdstuk 10, AVR toe te kennen.

a 4) De door u voorgestane ontslaggrond bestaat niet.
Een ontslag op andere gronden berust op een onverenigbaarheid van karakters. Een ruime interpretatie en toepassing van deze ontslaggrond is volgens de Centrale Raad van Beroep niet toegestaan.
U keert oorzaak en gevolg om. Er is geen impasse ontstaan door de ingetreden situatieve arbeidsongeschiktheid, maar de situatieve arbeidsongeschiktheid is ontstaan door uw onrechtmatig en onzorgvuldig handelen.

a 5) Een ontslaguitkering slechts bestaande uit wachtgeld is absoluut onvoldoende en zal door de heer Arts in rechte worden aangevochten.

Het conceptraadsvoorstel zoals wij voornemens zijn aan de Raad ter besluitvorming voor te leggen, zenden wij u bijgaand toe. In dit voorstel zijn de overwegingen opgenomen waarop een en ander is gebaseerd. Alvorens wij het voorstel definitief aan de Raad aanbieden, bieden wij u de gelegenheid uw zienswijze dienaangaande kenbaar te maken. Tevens kunt u uw zienswijze kenbaar maken met betrekking tot het voornemen van ons college u, met toepassing van de ontslaggrond zoals door de Raad zal worden vastgesteld, met ingang van 31 december 2000 eervol ontslag te verlenen.

Wij bieden u tot 26 september 2000 de gelegenheid uw zienswijze schriftelijk bij ons college kenbaar te maken. Indien u prijs stelt op een mondelinge behandeling van uw zienswijze, gelieve vóór19 september 2000 daartoe een afspraak te maken met het secretariaat van ons college.

Afschrift van deze brief met bijlage zenden wij tevens aan uw raadsman, de heer mr. TH. A Velo.

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,

De secretaris, De burgemeester,

Onderwerp: ontslagprocedure ex artikel 8:8 AVR, W.A.M. Arts

Aan de raad van de gemeente Roosendaal.

Geachte raad,

Bij brief d.d. 25 mei 2000 heeft de heer mr. Th. A. Velo, advocaat te Nieuwegein, zich namens de heer W.A.M. Arts, ambtenaar in dienst van deze gemeente, tot uw Raad en ons college gewend met het verzoek de aanstelling van de heer Arts te beëindigen met toepassing van artikel 8:8 CAR/UWO in verband met een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. De heer Arts wenst in dat verband een – naar zijn maatstaven gemeten – redelijk ontslaguitkering te ontvangen, onder meer bestaande uit een garantie van de huidige wachtgeldregeling; verhoogde uitkeringspercentages, aanvulling van zijn pensioen, smartengeld en volledige vergoeding van kosten van rechtsbijstand.

Ons college geeft u in verband met het vorengenoemde verzoek het volgende in overweging, waarbij in de eerste plaats een opsomming van de relevante feiten wordt verstrekt.

Feiten
De heer Arts, hierna te noemen betrokkene is met ingang van 1 januari 1997 in het kader van de reorganisatie vanwege de gemeentelijke herindeling geplaatst in een geheel nieuwe functie. Het betrof de functie van medewerker begraafplaatsen bij de afdeling Beheer van de sector Stadsontwikkeling en –beheer (SOB). De functie was indicatief gewaardeerd op schaal 8. Dit schaalniveau kwam overeen met het schaalniveau van de functie van projectopzichter, welke functie betrokkene tot 1 januari 1997 heeft vervuld.
Tegen de benoeming in deze functie heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

b 1) De functie van medewerker begraafplaatsen beheer is niet door de heer Arts vervuld.

Vanaf 2 april 1997 is aan betrokkene een nieuwe taak opgedragen naast zijn functie van medewerker begraafplaatsen, te weten het secretariaat van de commissie straatnaamgeving en huisnummering. Van deze taak is gesteld dat de belasting voor deze functie maximaal 1,5 dag per week (0,3 fte) zal kunnen bedragen.

b 2) De heer Arts was fulltime bezig met de functie van secretaris commissie straatnaamgeving en huisnummering. Nimmer is vastgesteld dat de belasting voor deze functie 0,3 fte bedraagt.

Op 9 november 1997 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden in het kader van de beoordelingsronde die verband hield met de reorganisatie. Aan beoordelingsgesprek zijn twee gesprekken met betrokkene voorafgegaan, 13 juni 1997 en 12 september 1997, waarin kritiek op aspecten van het functioneren van betrokkene is geuit. In de beoordeling is uitgesproken dat de functie niet passend werd geacht en dat betrokkene onvoldoende (score: 1) functioneerde.

b 3) De hier bedoelde beoordeling is onjuist gebleken en derhalve teruggetrokken en vernietigd.
Het is dan ook thans ongepast en onzorgvuldig deze vernietigde beoordeling weer ten tonele te voeren.

De uitkomst van deze beoordeling is aan betrokkene bekend gemaakt bij brief d.d. 18 december 1997. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar aangetekend. Sedert de indiening van het bezwaarschrift bij brief d.d. 19 december 1997, heeft betrokkene geen werkzaamheden meer verricht in de functie van medewerker begraafplaatsenbeheer, doch heeft hij zich bij uitsluiting beziggehouden met de deelfunctie secretaris straatnaamgeving en huisnummering.

b 4) Tegen de beoordeling is bezwaar gemaakt maar u hebt onterecht gemeend het voor de heer Arts positieve advies van de Commissie voor de bezwaarschriften in ambtenarenzaken te moeten negeren.

Het bezwaarschrift van betrokkene tegen de beoordeling is op 6 maart 1998 behandeld. Bij advies van gelijke datum adviseerde de Commissie voor de bezwaarschriften in ambtenarenzaken het bezwaar gegrond te verklaren, vanwege de omstandigheid dat betrokkene is beoordeeld op een functie die hij feitelijk niet heeft vervuld. De beoordeling zou op grond daarvan een voldoende feitelijke grondslag missen. De commissie adviseerde voorts de beoordeling op te schorten tot 1 januari 1999.

Bij besluit d.d. 9 juni 1998 heeft ons college besloten het advies van de commissie te passeren omdat de commissie geen rekening heeft gehouden met de opzet van de beoordelingsronde. Het bezwaarschrift van betrokkene is ongegrond verklaard, waarbij overigens door het college is overwogen dat, nu duidelijk is dat de functie medewerker begraafplaatsenbeheer niet passend is voor betrokkene, een oordeel omtrent de geschiktheid van betrokkene voor die functie achterwege kan blijven.

b 5) Tegen de beoordeling is bezwaar gemaakt maar u hebt onterecht gemeend het voor de heer Arts positieve advies van de Commissie voor de bezwaarschriften in ambtenarenzaken te moeten negeren.

Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep aangetekend bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 19 mei 1999 in deze kwestie uitspraak gedaan en het beroep van betrokkene gegrond verklaard, waarbij is overwogen dat aan het besluit een voldoende feitelijke grondslag ontbreekt.

Inmiddels was echter met ingang van 1 januari 1999 aan betrokkene ontslag verleend, met toepassing van de bepalingen van het Sociaal Statuut inzake de mogelijkheid van ontslagverlening wegens reorganisatie (opheffing functie), indien binnen een jaar na benoeming de functie niet passend blijkt te zijn.

b 6) Ook het ontslag is onterecht gebleken en toont wederom een staaltje van onrechtmatig en onzorgvuldig handelen naar de heer Arts.

Het voortraject leidend tot dit ontslag, is gestart op 23 januari 1998. Op deze datum heeft in het kader van een herplaatsingsonderzoek voor betrokkene een eerste gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene, de directeur Stadsontwikkeling en –beheer, de heer F.W. Boos en mevrouw I.C.W. Overduin, adviseur arbeidsaspecten.
Aangezien de straatnaamgevings- en huisnummeringstaak die betrokkene verrichtte geen full-time functie was, is aan betrokkene gevraagd zich te bezinnen op andere taken die hij zou kunnen verrichten en is tevens onderzoek uitgevoerd naar de daadwerkelijke formatieve omvang van de functie van secretaris commissie straatnaamgeving en huisnummering. Bovendien is een proefgradering van deze functie uitgevoerd. het functionele niveau werd bepaald op schaal 5; de formatie-omvang op 265 uur (op jaarbasis).

b 7) De eerdere indicatieve waardering van de functie voor de secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering was schaal 11. Het lijkt er veel op dat de eerdere indicatieve waardering is verlaagd slechts om redenen van het vervullen van de functie door de heer Arts.

In een tweetal gesprekken in het voorjaar van 1998 is met betrokkene gesproken over zijn toekomst en is getracht in samenspraak met betrokkene te komen tot een aanvulling van zijn werkzaamheden. Betrokkene stelde zich overigens op het standpunt dat hij een volledige dagtaak had aan zijn secretariaatswerkzaamheden, zodat er wat hem betreft ook geen aanvullende werkzaamheden gezocht hoefden te worden.

Uit diverse notities van de hand van betrokkenes leidinggevende, de heer T. Hakkert, bleek dat zijn functioneren als secretaris niet aan de te stellen eisen voldeed en dat er regelmatig klachten waren van burgers omtrent de wijze van communiceren van betrokkene; bovendien is gebleken dat betrokkene bij herhaling brieven heeft ondertekend, zonder daartoe over een ondertekeningsmandaat te beschikken. De notities van de heer Hakkert, gericht aan betrokkene, zijn van 30 en 31 maart 1998 en 9 april 1998.

b 8) Het functioneren van de heer Arts was voldoende en is als voldoende beoordeeld. Uw mening wordt weersproken door het gestelde in b 11) waarin wordt gesteld dat de heer Arts voldoende functioneerde.
Het opnemen van deze passage lijkt op stemmingmakerij jegens de heer Arts met als doel een mindere ontslagregeling te moeten toekennen.

Om het herplaatsingsonderzoek gerichter te kunnen uitvoeren heeft in mei 1998 een psychologisch onderzoek van betrokkene plaatsgevonden(een sterkte-zwakte-analyse). Uit de resultaten van deze test bleek dat betrokkene op een MBO. denk- en werkniveau functioneert en het beste tot zijn recht zou komen in een praktische en concrete functie op administratief gebied met een solistische positionering en zonder veel afwisseling in werkzaamheden.

b 9) De testresultaten gaven te zien dat de heer Arts een denk- en werkvermogen heeft op HBO-niveau en niet zoals gesteld op MBO.-niveau.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het psychologisch onderzoek is aan betrokkene medegedeeld dat er binnen de gemeentelijke organisatie geen functies voorhanden waren die aan de beperkingen van betrokkene tegemoet kunnen komen. Hij heeft het advies gekregen om zich te laten inschrijven bij het mobiliteits bureau “Wissels”. Betrokkene heeft echter afgezien van een intake bij “Wissels”, omdat hij daarvoor een sollicitatieformulier diende in te vullen. De consulente van dit bureau heeft bij navraag verklaard dat betrokkene bij het kennismakingsgesprek in juni 1998 een uiterst ongemotiveerde indruk maakte en meedeelde dat hij niet bemiddeld wenste te worden. Om die redenen heeft dit bureau dan ook afgezien van bemiddeling van betrokkene.

b 10) Het is uiterst onwaarschijnlijk dat er geen andere passende functies binnen de gemeente voor handen zijn geweest. De gemeente maakt zich er wel makkelijk van af door voor haar (herplaatsings)inspanningsplicht) een extern outplacementbureau in te schakelen.
De intake bij dit bureau, waaronder het sollicitatieformulier, was zo simpel en basaal en gaf geen enkele verwachting voor een positieve bijdrage.
Voor dit herplaatsingsonderzoek heeft geen enkel contact met de heer Arts plaats gevonden. Tenminste had toch wel een intakegesprek en een belangstellingsregistratie verwacht mogen worden.

Op 9 juli 1998 heeft een functioneringsgesprek met betrokkene plaatsgevonden. Onderwerp van dit gesprek was met name de door betrokkene verrichte werkzaamheden als secretaris van genoemde commissie. Geoordeeld is dat deze werkzaamheden krap voldoende worden opgepikt door betrokkene en dat betrokkene nogal krampachtig opereert in zijn dagelijkse functioneren c.q. in de contacten met zijn leidinggevende.

b 11) Zie de tegenspraak met B8

Bij brief d.d. 24 september 1998 heeft ons college aan betrokkene medegedeeld dat:
– geconstateerd is dat de functie medewerker begraafplaatsenbeheer voor betrokkene niet passend te achten is;
– betrokkene bij gebreke van een passende of geschikte functie bovenformatief is gesteld:
– is onderzocht of er een andere passende of geschikte functie binnen de organisatie aanwezig was, mede gelet op de uitkomsten van een sterkte-zwakte-analyse;
– de functie van secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering voor betrokkene een passende, noch geschikte functie is, mede gelet op het niveau van deze functie en het huidige salarisniveau van betrokkene;
– betrokkene het advies om zich bij het mobiliteitsbureau in te laten schrijven heeft afgewezen, als gevolg waarvan het college zich, mede op het eindigen van de periode van bovenformatieve plaatsing per 1 januari 1999, genoodzaakt ziet om betrokkene met ingang van die datum ontslag te verlenen.

Bij brief d.d. 1 december 1998 heeft de heer J.C.M. van de Voorde (CFO) als gemachtigde namens betrokkene een korte reactie gegeven op de brief d.d. 24 september 1998, met name tegen de achtergrond van het feit dat de formulering in die brief aanleiding geeft te veronderstellen dat het een definitief besluit betreft.

Ons college heeft bij besluit d.d. 16 december 1998 aan betrokkene met ingang van 1 januari 1999 eervol ontslag verleend, met toepassing van (onder meer) artikel 8:4:1, zesde lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Roosendaal (AVR).

Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend, welk bezwaarschrift op 27 mei 1999 door de adviescommissie bezwaarschriften is behandeld.

Bij advies d.d. 22 juni 1999 heeft de adviescommissie geadviseerd het bezwaarschrift van betrokkene gegrond te verklaren. Ons college heeft dit advies overgenomen en heeft, onder gegrondverklaring van het bezwaarschrift van betrokkene, besloten het dienstverband met betrokkene te herstellen en een andere functie te zoeken voor betrokkene. Aan de intrekking van het ontslagbesluit was tevens gekoppeld het volledige herstel van de rechtspositie van betrokkene in de staat als ware hij vanaf 1 januari 1999 nog ambtenaar in dienst van de gemeente Roosendaal.

Dit herplaatsingsonderzoek heeft geleid tot het aanbieden van de functie van administratief-technisch medewerker beheer bij de afdeling Beheer van de sector Stadsontwikkeling en –beheer met ingang van 1 november 1999. Deze functie is aan betrokkene aangeboden bij brief d.d. 26 oktober 1999. Met het aanbieden van deze functie is tevens het verzoek van de toenmalige raadsman van betrokkene tot het bieden van een passende ontslagregeling aan betrokkene, afgewezen. Ons college was van oordeel dat aan betrokkene een passende functie kon worden aangeboden, die in redelijkheid door hem kon worden aanvaard. Het vervullen van deze functie had geen consequenties voor de rechtspositie van betrokkene.

b 12) Bedoelde functie is aan de heer Arts aangeboden nadat hij zich ziek had gemeld om reden van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, hetgeen door de bedrijfsarts ondersteund is geworden.

Betrokkene heeft zich vóór 1 november 1999 ziek gemeld. Een gesprek in verband met de werkhervatting van betrokkene is om reden van ziekmelding van betrokkene niet doorgegaan. Betrokkene heeft vervolgens wegens een situatief bepaalde arbeidsongeschiktheid geen werkzaamheden verricht in de hem aangeboden functie.

Ons college heeft bij schrijven d.d. 29 november 1999 aan de bedrijfsarts verzocht aan te willen geven in welke mate betrokkene nog belast kan worden met de werkzaamheden binnen de functie administratief technisch medewerker beheer of enige andere functie binnen de gemeente Roosendaal. Bij brief d.d. 17 juli 2000 heeft de bedrijfarts bericht dat betrokkene op en na 1 november 1999 niet in staat is te achten de genoemde functie bij de gemeente Roosendaal te vervullen, noch dat hij daartoe op termijn in staat geacht moet worden. De bedrijfsarts acht betrokkene inmiddels echter wel in staat om zonder beperkingen, anders dan voortkomend uit zijn opleiding en werkervaring bij een andere werkgever te gaan verrichten. Van enige ziekte of gebrek is volgens de bedrijfsarts thans geen sprake meer bij betrokkene.

Overwegingen

Op basis van het vorenstaande feitencomplex en dan met name de laatstgenoemde ontwikkeling heeft ons college overwogen dat een impasse is ontstaan, die geen uitzicht op een oplossing meer biedt.

Nadat betrokkene door eigen toedoen geen invulling heeft gegeven aan zijn functie medewerker begraafplaatsen, is in 1998 aanvankelijk gezocht naar mogelijkheden om te komen tot een adequate aanvulling van zijn takenpakket dat nog slechts bestond uit een secretariaat welke taak formatief 0,3 fte bedroeg. Pogingen om tot een aanvulling met passende werkzaamheden te komen zijn niet geslaagd.

b 13) De heer Arts heeft niet door eigen toedoen geen invulling gegeven aan de functie van medewerker begraafplaatsenbeheer. De woorden eigen toedoen suggereren een welbewust en verwijtbaar handelen door de heer Arts hetgeen zeker niet het geval is geweest.

De stap naar een ontslag van betrokkene met ingang van 1 januari 1999 is achteraf bezien, te voortvarend geweest. Ons college heeft dit erkend door de intrekking van het ontslagbesluit en de ongedaanmaking van de gevolgen ervan.

b 14) Een onjuist ontslag als te voortvarend betitelen mag voorwaar een gotspe worden genoemd. Beseft de gemeente niet dat ontslag de zwaarst mogelijk ingreep is in het functionele maar vooral persoonlijke leven van een ambtenaar ?

Opgemerkt zij echter dat ons college nog onverkort van mening is dat destijds op goede gronden is gezocht naar een andere functie voor betrokkene, aangezien de functie secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering qua (bezoldigings)niveau niet als passend aan te merken was en niet als een volledige functie kon worden beschouwd.

b 15) De functie van secretaris voor de commissie van straatnaamgeving en huisnummering was wel degelijk passend voor de heer Arts. Functiebeschrijving en functiewaardering zijn nooit (formeel) vastgesteld.

Bovendien bestond kritiek op de wijze van uitoefening van die functie door betrokkene.

b 16) Kritiek bestaat op ieders functioneren. Uit b 11) blijkt dat de heer Arts de functie op voldoende wijze vervulde.

In het kader van het herstel van de rechtspositie van betrokkene heeft ons college vervolgens een hernieuwd herplaatsingsonderzoek ten behoeve van betrokkene verricht, hetgeen heeft geresulteerd in het aanbieden van de functie van administratief technisch medewerker beheer, een functie die met ingang van 1 november 1999 was vastgesteld en die, gelet op de in het psychologisch rapport vermelde beperkingen van betrokkene, als passend kan worden aangemerkt. Ons college heeft gemeend langs die weg een passende oplossing voor de ontstane situatie te hebben aangeboden, waarin het dienstverband van betrokkene in volle omvang werd hersteld.

Betrokkene wenste echter een door hem als passend aan te merken ontslagregeling te ontvangen, met daarin een ruime component van schadevergoeding. Voor een dergelijke regeling zag ons college destijds geen aanleiding, gezien de mogelijkheid van tewerkstelling van betrokkene in een passende functie.

b 17) Wederom de merkwaardige opvatting dat het aanbieden van een andere passende functie alle onrechtmatigheid in het verleden op voldoende wijze compenseert.

Als gevolg van dit aanbod van een andere functie, hetgeen niet in overeenstemming was met de eigen wensen en verlangens van betrokkene, heeft betrokkene een arbeidsconflict ervaren, die zich in een situatief bepaalde arbeidsongeschiktheid van betrokkene heeft geopenbaard.

b 18) De heer Arts heeft geen arbeidsconflict geconstateerd door het aanbieden van een andere functie maar door de onrechtmatige en onzorgvuldige behandeling en de onredelijke weigering dit te compenseren.

Door middel van de brief van de bedrijfsarts d.d. 17 juli 2000 is duidelijk geworden dat de aard van de ziekte van betrokkene op 1 november 1999 situatief was bepaald, maar dat betrokkene inmiddels niet meer in staat moet worden geacht een functie bij de gemeente Roosendaal te kunnen vervullen. Betrokkene is echter niet meer ziek te achten en kan wel werk aanvaarden bij een andere werkgever, overigens met inachtneming van de bij betrokkene levende beperkingen.

Naar de mening van ons college is hiermee een impasse ontstaan in de arbeidsrelatie: er is een passende functie voor betrokkene beschikbaar, die hij echter niet kan vervullen vanwege het door betrokkene ervaren arbeidsconflict met zijn werkgever. de aard van de arbeidsgeschiktheid brengt met zich mee dat een WAO-traject uitgesloten moet worden geacht: er zijn geen medisch objectiveerbare ziekteverschijnselen aanwezig bij betrokkene. In beginsel kan betrokkene derhalve arbeid verrichten, zij het niet (meer) bij de gemeente Roosendaal.

b 19) Er is geen sprake van een impasse. Er is wel sprake van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding door de onrechtmatige en onzorgvuldige behandeling van de heer Arts.

In het licht van het vorenstaande is het verzoek van de raadsman van betrokkene d.d. 25 mei 2000 verklaarbaar. De uitgangspunten waarop de heer mr. Velo zich baseert, worden echter door ons college bepaald niet gedeeld. Ons college heeft de stellige overtuiging dat aan betrokkene volop de gelegenheid is geboden om te werken aan een herstel van de arbeidsrelatie, van welke gelegenheid betrokkene echter geen gebruik heeft gemaakt.

b 20) De visie dat de heer Arts geen gebruik heeft gemaakt (lees willen maken) van de gelegenheid tot herstel van de arbeidsrelatie is onjuist en een verdraaiing van feiten.

Gezien het feit dat een mogelijkheid van werkhervatting van betrokkene in een passende functie aanwezig is, ziet ons college ook geen aanleiding in te gaan op de onderdelen van een ontslaguitkering, zoals betrokkene die wenst. Voorafgaand aan het indienen van dit voorstel is nog een poging ondernomen om in overleg met de raadsman van betrokkene te komen tot een matiging van de gestelde voorwaarden voor een ontslaguitkeringsregeling, maar tot een dergelijke matiging bleek betrokkene niet bereid.

b 21) De argumentatie dat er een passende functie aanwezig is en om die reden geen aanleiding is voor een betere ontslagregeling is onjuist en onvoldoende en geeft het voorstel, en daarmede het op het voorstel te nemen besluit, per definitie een onvoldoende draagkrachtige motivering.

De ontstane impasse biedt echter geen zicht meer op een vruchtbaar herstel van de arbeidsverhouding met betrokkene. In dat licht bezien is een eenzijdige ontslagverlening, met gebruikmaking van artikel 8:8, AVR, waarbij uw Raad een ontslaggrond formuleert in afwijking van de “vaste” ontslaggronden, onvermijdelijk. Het thans voorliggend voorstel strekt tot het formuleren van een dergelijke ontslaggrond. De door betrokkene aangegeven ontslaggrond “onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie” geeft naar de mening van ons college onvoldoende weer dat aan deze zijde geen belemmering aanwezig is om betrokkene weer toe te laten tot het arbeidsproces. Het heeft onze voorkeur een ontslaggrond te formuleren die meer aansluit bij de constatering dat de situatief bepaalde arbeidsongeschiktheid van betrokkene een impasse in de verhoudingen veroorzaakt, als gevolg waarvan een vruchtbare samenwerking niet meer tot de mogelijkheden behoort.

b 22) In de stelling dat aan de zijde van de gemeente er geen belemmering aanwezig is om de heer Arts weer toe te laten tot het arbeidsproces, wordt gemakshalve en vooral in een misplaatste poging de handen in onschuld te wassen volstrekt voorbij gegaan aan de historie en de gepleegde onrechtmatigheden en onzorgvuldigheden.

Gelet op het feit dat voor betrokkene in beginsel een passende functie beschikbaar is en hij met het aanvaarden van een dergelijke functie geen schade behoeft te leiden in carrière- en toekomstperspectieven, ziet ons college geen aanleiding aan uw Raad voor te stellen aan het ontslag op de door uw Raad te formuleren grond een andere ontslaguitkeringsregeling te verbinden dan een wachtgeld overeenkomstig hoofdstuk 10 AVR.

Alvorens dit voorstel bij uw Raad is ingediend, heeft betrokkene gelegenheid gehad zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken. Betrokkene heeft daartoe op …… zijn zienswijze gegeven…

Voorgesteld wordt het bijgevoegde conceptraadsvoorstel te bekrachtigen, inhoudende het formuleren van een ontslaggrond met toepassing van artikel 8:8 AVR ten behoeve van een aan de heer W.A.M. Arts te verlenen ontslag, en te bepalen dat bij wijze van ontslaguitkeringsregeling aan het ontslag een recht op wachtgeld overeenkomstig Hoofdstuk 10 AVR wordt toegekend.

Burgemeester en wethouders van Roosendaal,

De secretaris, De burgemeester,

Drie dagen later kwam vanuit een heel andere hoek post met zowaar een excuus. Niet van het gemeentebestuur maar van de griffier van de arrondissementsrecht te Breda. Nu werd duidelijk waarom er geen oproep voor de zitting van de rechtbank ontvangen was.

Uw verzoek, vermeld in uw brief van 5 september 2000 aan de rechtbank, om op 3 oktober 2000 in het kader van een comparitie van partijen de mogelijkheid van een schikking te bezien kan reeds niet worden ingewilligd, aangezien het niet gelukt is de voorliggende beroepen voor deze datum op zitting te plannen, zoals in onze brief van 3 augustus 2000 in het vooruitzicht was gesteld. Tot mijn spijt heb ik moeten constateren dat u hierover niet eerder bent bericht, waarvoor mijn excuses.

Omtrent de datum waarop de beroepen door de rechtbank ter zitting zullen worden behandeld ontvangt u binnen twee weken nader bericht.

Hoogachtend,

de griffier.

Theo had al te kennen gegeven dat er geen rechtszitting zou komen. Zou komen ? Wist hij iets wat ‘geheim’ moest blijven. Een en ander maal had hij verzekerd dat – ook niet in het geheim – met de gemeente over een mogelijke schikking gesproken had. Slechts tweemaal had hij met die ‘Miep’- hoe was haar naam ? – van de gemeente contact gehad. En dan nog maar kort en niet inhoudelijk over twee organisatorische aangelegenheden. Het boven b 21) gestelde, Voorafgaand aan het indienen van dit voorstel is nog een poging ondernomen om in overleg met de raadsman van betrokkene te komen tot een matiging van de gestelde voorwaarden, was absoluut onjuist. Als ik dat perse wilde, zou hij hierover wel een briefje richting raad en het college sturen. Niet om er een hobby van te maken, maar het was toch té gek voor woorden dat van gemeentewege gelogen werd en dat voor zoete koek te slikken. Zoals de advocaten van en voor de gemeente hier een handje van hadden en hiermee meer dan eens hun hand overspeelden. Anderen hadden er al meer opgewezen ‘dat ze soms liegen of het gedrukt staat,’ of dat verkondigd werd dat ‘een leugentje om bestwil geoorloofd was.’ Waar bleef het uitgangspunt van ‘betrouwbare overheid.’ Loyaal aan mijn werkgever wenste ik dat vaak niet te geloven. Maar nu was de maat vol. Theo componeerde aan raad en college een aanvullend briefje.

Telefonisch heb ik de mededeling gekregen dat de gemeente voornemens was een ontslagbesluit te nemen alsmede een besluit over een “kale” wachtgeldregeling.
Op mijn vraag of hier nog over te praten viel, werd ontkennend geantwoord en aangegeven dat een overleg geen zin had.

Nogmaals ontken ik ten stelligste dat met mij hierover overleg heeft plaatsgevonden.

Ondanks het bovenstaande is mijn bereidheid tot overleg nog steeds aanwezig.

Hoogachtend,

Th. A. Velo ’

Gerustgesteld dat al het mogelijke wat gedaan moest worden ook gedaan was, probeerde ik me weer maatschappelijk en politiek bezig te houden. Hiervoor had ook Theo groen licht gegeven. Richting pers ‘mondje dicht !’ Voor het overige, borst vooruit en in gedachte géén ‘looser-gevoel’ De tegenpartij zat ‘raadsbreed’ door eigen toedoen met de gebakken peren. Binnen de Roosendaalse politiek begon men te zich realiseren dat er grote problemen op komst waren. Met een motie van afkeuring voor de wethouder/vice-partijvoorzitter vanwege het mislopen van een half miljoen aan baatbelasting, de wethouder van de Roosendaalse lijst met een overschrijding van meer dan een miljoen voor de realisering van het clubhuis voor het Roosendaalse verenigingsleven, kwam nu ook de burgemeester/portefeuillehouder personeelszaken en organisatie onder vuur te liggen. In de regionale krant had de columnist in zijn analyse, ‘Stadserf 1 is de laatste tijd flink van slag’, het treffend verwoord.

Over ambtenaren gesproken: de hoogsten onder hen speelden na de herindeling in 1997 zelf bestuurdertje, zo bleek deze week voor de rechtbank. Ze beloonden medewerkers binnen hun sector die in hun ogen erg hun best gedaan hadden met een periodiek, een salarisverhoging. Op zich best modern. Ware niet dat dit een bevoegdheid van B. en W. is. En die wisten van niks. Dit is echter nog geen vrijbrief voor de topambtenaren, die zelf meer verdienen dan de wethouders, om op dit gebied de macht naar zich toe te trekken. Het schijnt verleden tijd te zijn maar de burgemeester/portefeuillehouder Personeelszaken heeft wel wat uit te leggen.
Overigens: de gemeente heeft met het personeelsbeleid toch bepaald geen gelukkige hand. We hebben het dan niet over het gebrek aan menskracht, want daarmee heeft iedere werkgever tegenwoordig wel te kampen. Wat meer te denken geeft is de wijze waarop de gemeente het arbeidscontract met haar onwelgevallige ambtenaren opzegt. Daar komt net iets te vaak de rechtbank aan te pas om te spreken van een zorgvuldige afwikkeling, zoals in de kwestie rond oud-directeur Welzijn H. van der Meer en recenter oud SOB-medewerker Arts en de ( in mijn verhaal participerende P & O-adviseur dit ter verduidelijking aan de lezer) medewerkster Personeelszaken die zichzelf zou hebben willen bevorderen.

Politiek Roosendaal vroeg zich af waarom de gemeenteraad over het ontslag van een ‘klein’ ambtenaartje een besluit moest nemen en het college van B. en W. dit niet kon afhandelen. Omdat in artikel 8:8 van de CAR/UWO het aldus is bepaald, antwoordde ik mijn politieke vrienden. En als je over een goede advocaat beschikt komt dit naar boven.

Artikel 8:8
1 Op voordracht van burgemeester en wethouders kan de raad bepalen dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij zijn besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.
2 In geval van ontslag van dit artikel treft de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van de raad, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Deze uitkering kan meer bedragen dan welke hij krachtens hoofdstuk 10 geniet.

Er lag al maanden een brief aan raad en college waarin Theo de bereidheid uitsprak om te overleggen. Maar als tegen de weigering een besluit te nemen formeel bezwaar aangetekend moet worden, kan zeker van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding gesproken worden. En omdat deze niet als een grond tot ontslag in een van de artikelen is opgenomen, zal de gemeenteraad van Roosendaal een besluit moeten nemen, legde ik onomwonden uit.

Na lange tijd terug bij bestuur en fractie van de PvdA overviel het gevoel nooit weg geweest te zijn. Aan de bijeenkomst in het fractiehuis zou een lid van de Tweede Kamer deelnemen. Via zijn ‘mobieltje’ werd hij naar een nabijgelegen parkeerterrein gedirigeerd. Ik bood aan hem van de parkeerplaats op te halen. In het halfduister was het fractiehuis op de Bloemenmarkt moeilijk te vinden en het was de afdeling PvdA Roosendaal – als goed gastheer – haar eer te na de bezoeker uit Den Haag onnodig een zoektocht te laten beginnen. In de regen onder een paraplu van de parkeerplaats naar de vergaderruimte verslagdoend van de actuele situatie viel het begrip ‘Berufsverbot’. Daar riekt het wel naar. Maar het lag complexer waarom ik ‘geofferd’ was en nauwelijks te bevatten, laat staan uit te leggen. Hoewel, na de oprichting van een Roosendaalse afdeling van de S.D.A.P. in 1908, later overgaand in de PvdA, de ‘rooie’ werknemers aanzienlijk meer problemen over hun politieke keuzen met hun werknemers ondervonden dan hun ‘roomse’ collega’s met hun keuzes bij Rooms gelieerde groeperingen.

Ook maatschappelijk probeerde ik voor de ANBO met een bezoek aan het provinciehuis de draad op te pakken. Met de bijeenkomst “Brabant tussen ontgroening en vergrijzing” startte de provincie een breed debat over de gevolgen van de demografische ontwikkelingen voor Brabant. Deze veranderingen hebben verstrekkende gevolgen voor de arbeidsmarkt, de zorg, de woningbouw, recreatie, vervoer en andere facetten van de samenleving. De CdK in hoogsteigen persoon had zich een uurtje vrijgemaakt om de belangrijke bijeenkomst te openen. Het probleem van vergrijzing sloeg niet zichtbaar op hem als persoon. Sinds ons laatste samenzijn in de statenzaal meende ik hooguit een nauwelijks waarneembare haarverdunning of verkaling waar te nemen. Voor het overige bleef hij dezelfde innemende en vriendelijke persoon. In het interview had ik, op aangeven van de vaksbondsbestuurder vanuit zijn vorige functie als burgemeester van Etten-Leur, over een aimabel persoon geschreven. Telefonisch had de CdK gevraagd wie die vakbondsbestuurder was, waar ik in het interview naar verwees. Diplomatiek wist ik het antwoord op deze vraag te omzeilen. Per slot van rekening kon je nooit weten of de verhouding tussen beiden intussen gewijzigd zou zijn en hoef je niet alles door te vertellen. Zo had ik in het afscheidsinterview van de burgemeester van Roosendaal – ten tijde van Lubbers II met VVD – geschreven, gehoord te hebben dat hij wel iets zag in een nieuwe regering tussen CDA-PvdA met Kok. Zou de CdK een goed bemiddelaar voor het oplossen van het conflict met de gemeente Roosendaal kunnen zijn ? Als autoriteit ongetwijfeld. Maar bij het afgaan van het rijtje door mij geïnterviewde personen kwamen er wellicht betere en meer voor de hand liggende personen – als mediator – in aanmerking. In haar algemene beschouwingen op de begrotingsvoorstellen voor 2001 had de PvdA-fractie geadviseerd hiertoe over te gaan evenals tijdens de voorbereiding van de voorjaarsnota ruim een half jaar later in de commissie voor algemene en bestuurlijke zaken. Hiermee zou de gemeente veel geld, energie en gezichtsverlies kunnen besparen. Na de verloren rechtszaak aangespannen door de directeur Welzijn stond ze op het punt bij de adviseur-P & O ook definitief het onderspit te delven. En de ‘affaire’ Arts schoot ook niet op.

Mijn volgende maatschappelijke activiteit was het bijwonen in schouwburg De Kring van de voorlichtingsbijeenkomst over de te nemen maatregelen voor het goederenspoor tussen Roosendaal en Antwerpen. De komende jaren wordt een sterke groei van het goederenvervoer per spoor verwacht van Rotterdam via Roosendaal naar Antwerpen. Dit noopt tot het aanleggen van een ‘Betuwespoorlijn’ in zuidelijke richting. Bij de voorlichting lagen een aantal varianten van een mogelijk te volgen tracé over huidig spoor dwars door de stad Roosendaal of om de stad door het buitengebied. De variant van ondertunneling van het spoor door de stad was in de voorliggende plannen – Verbinding Roosendaal Antwerpen (Vera) – van de Rijkswaterstaat niet opgenomen. De gemeente was te laat met deze oplossing op de proppen gekomen. Op de tekentafel lagen reeds 3 varianten uitgewerkt. Voor de inspraak zou deze mogelijkheid nog uitgewerkt worden. Duidelijk was dat deze nieuwe variant hoge kosten met zich meebracht en technisch nagenoeg onuitvoerbaar was. Bij vier tegen elkaar gelegen sporen langs lintbebouwing in het centrum en kruising met ‘open water’ kun je moeilijk voor lange tijd deze sporen – met de lijn Amsterdam-Parijs v.v. – buiten werking stellen. Opgemerkt werd, dat gedurende de benodigde tijd bussen ingezet konden worden. Dé NS oplossing. Een van de toehoorders vertelde in Roosendaal te komen wonen met de overtuiging beneden de Moerdijk rust te vinden. Die zou ze nu in Roosendaal gaan missen bij het per etmaal voorbijrazen van 113 goederentreinen met een lengte tussen de 300 en 700 m. Ze beëindigde het uitspreken van haar ongenoegen met, “Denk svp niet alleen aan geld en aan economie, hou ook eens rekening met mensen.”
Het gemeentebestuur was niet van zins het plan spoorondertunneling dwars door de stad op te geven. Op de voorlichtingavond verklaarde de VVD wethouder dat de gemeenteraad – democratische afspiegeling van Roosendaal – in meerderheid deze plannen steunde. De CDA wethouder/vice-partijvoorzitter verklaarde door minister Netelenbos voor het blok gezet te zijn, en dit terwijl half West-Brabant protesteerde en minister Netelenbos nog bij haar collega Pronk om advies vroeg. en haar keuze maanden uitstelde. Door het gemeentebestuur van Roosendaal voelde ik mij met haar keuze van ondertunneling dwars door het centrum voor paal gezet. Gelukkig werd Roosendaal ‘wakker’. Dit bood mij de gelegenheid via de ingezonden rubriek ‘Lezersbrieven’ de volgende brief naar de krant te schrijven.

Spoorplan
Wat links tot rechts ‘politiek Roosendaal’ niet geregeld kon krijgen, moest door een maatschappelijke organisatie – stichting in oprichting “Vera uit Roosendaal” – afgedwongen worden. Een duidelijk voorbeeld voor het rapport Staatscommissie Dualisme en lokale democratie van de commissie-Elzinga.

‘Maatschappelijke ontwikkelingen hebben het monopolie van de representatieve democratie dat van oudsher gedragen wordt door politieke partijen doorbroken. Nieuwe, directere vormen van participatie en beïnvloeding moeten worden geïntegreerd in het representatieve stelsel.’

Steun en petje af voor “Vera weg uit Roosendaal”.

Op tv zongen ‘Spijkers en Lebbes’ vanwege het 750 jarig bestaan van de VARA: “Iemand moet ons allemaal laten schaterlachen, als het even kan zo lang totdat je huilen moet, iemand moet het doen, iemand moet het blijven doen.” Het schaterlachen was me al lang vergaan. Maar hoe op de zojuist ontvangen brief van de USZO te reageren, was ook niet duidelijk. Zoals wij u in onze vorige brief vertelden, starten wij met een onderzoek naar uw gezondheid. Onze verzekeringarts wil u daarvoor graag thuis bezoeken. Iedereen kent de verhalen over verzekeringsartsen die nauwelijks tijd hebben om mensen voor een WAO-uitkering te keuren. Nu gaf mijn ‘ziekte’ geen aanleiding om te veronderstellen dat het onmogelijk was om voor een keuring naar USZO Breda te reizen. Misschien had de USZO de reclameslogan van een omroepvereniging – ‘Veronica komt deze zomer naar u toe’ – overgenomen en besloten om tot huisbezoek over te gaan. Een andere interpretatie voor deze voorkeursbehandeling kon ik hieraan niet geven en wachtte in spanning de komst van de verzekeringsarts af. Op het in de brief vermelde tijdstip – 12.30 uur – arriveerde de keuringsarts. Hij bleek drie straten van mij vandaan te wonen. En vond het onzin beiden naar Breda – 25 km. – te reizen om elkaar daar te ontmoeten. Hiermee was de reden van zijn huisbezoek verklaard. Op mijn vraag wat hij nu eigenlijk kwam doen, kwam het klip en klare antwoord, “het toneelstukje spelen dat opgevoerd moet worden.” Verongelijkt, over de zinsnede van de gemeente in haar concept raadsvoorstel: De aard van de arbeidsongeschiktheid brengt met zich mee dat een WAO-traject uitgesloten moet worden geacht, zei hij dat de gemeente hiermee een rol in het toneelstukje op zich genomen had. In dit toneelstukje had de gemeente geen rol. Dát was nu uitgerekend zijn rol om dit vast te stellen. Hij maakte duidelijk, wat ik overigens al lang wist en nooit gewild had niet voor een WAO-uitkering in aanmerking te komen. Blij was hij te horen dat mijn advocaat in brieven van 25 mei, 5 en 21 september steeds de bereidheid tot overleg uitgesproken had. En dat stelselmatig geweigerd werd om op deze uitnodiging te reageren. Niet dat hij blij was met de consistente weigering om in overleg te treden. Met de gemeente had hij reeds gesproken, maar dit was hem nooit verteld en zei, “dat het goed was om de andere kant van de medaille (?) eens te horen.” Na ruim een half uur kwam aan het opvoeren van het toneelstukje een einde en vertrok hij. Over enige weken zou ik een definitief besluit over de WAO ontvangen. Mijn belangstelling ging meer uit naar een uitnodiging van de Rechtbank. Op mijn verzoek schreef Theo – twee weken na de oorspronkelijk geplande datum van de zitting – weer een briefje, temeer daar de secretaris van de griffier telefonisch – bij navraag over de aanleiding tot comparitie van partijen – daags voor de geplande zitting beloofd had er voor te zullen zorgen dat binnen veertien dagen nader bericht over een nieuwe zittingsdatum zou volgen. En ik vond dat de Rechtbank er nu ook wel een ‘rotzooitje’ van begon te maken. Het moest hen toch ook duidelijk zijn dat er maar één goede oplossing was. ‘Partijen in een hok opsluiten totdat witte rook te voorschijn kwam !!’

Geachte President,

Hierbij verzoek ik u namens de heer Arts mij te informeren omtrent de stand van zaken in uw behandeling van dit dossier en met name de datum van een mondelinge behandeling.
Daarnaast zal ik het op prijs stellen indien u mij kunt berichten of het verzoek om een comparitie van partijen inzake het ontslag van de heer Arts door u wordt ingewilligd.

De redenen van dit schrijven zijn gelegen in het feit dat de heer Arts geestelijk onder zware druk staat door de spanningen die deze langslepende kwestie voor hem met zich meebrengt.

In afwachting van uw berichten verblijf ik met de meeste hoogachting,

Th. A. Velo

Na een week niets gehoord te hebben, ging ik de griffie bellen. “Nee, er was nog niks bekend, ” aangesprokene zou de secretaris van de griffier tot spoed manen. Ik nam me voor iedere week op vrijdag te blijven bellen. De secretaresse van Theo informeerde ik over mijn telefoontje. “Als hij hierom boos wordt, is dat jammer maar hij moet het wel weten !” Aangezien ik hier niets meer over hoorde, nam ik aan dat Theo er geen onoverkomelijke problemen mee had. Soms moet je mensen geen indringende vraag stellen, waar ze vanuit hun functie slechts één antwoord op kunnen geven, maar vanuit hun hart een ander antwoord zouden willen geven.

Voor de commissie straatnaamgeving stond een vergadering gepland waarbij in Wouw straatnamen gegeven moesten worden. Met de voorbereidingen was ik twee jaar geleden reeds begonnen. Het bevreemdde mij dat deze straatnaamgeving niet al lang was afgewikkeld. De heemkundekring ‘de Vierschaer’ uit Wouw was boos omdat haar niet om advies werd gevraagd. Destijds had ik de toezegging afgegeven dat dit wel zou gebeuren als de tijd daar was. De agenda en de vergaderstukken zouden in het kantoor op de Markt – mijn oude werkplek – ter inzage liggen. Nu had ik weinig zin om daar de stukken te gaan inzien mét de mogelijkheid mijn ‘oude’ baas te treffen. Daarom belde ik een van mijn collega’s met de vraag om de stukken op te sturen. Dit lag te gevoelig, “dan bel ik de wethouder en vraag hem mij de stukken toe te laten sturen,” antwoordde ik vol begrip voor de precaire situatie. “Hééé Wim hoe is het,” startte de wethouder ons telefoongesprek. Met onze verhouding was niks mis stelde ik verheugd vast. Hij zat wellicht ook te wachten op het moment dat door de ‘affaire Arts’ een of meerdere personen finaal onderuit zouden gaan. Voor mij nog altijd de joviale Bourgondiër zoals ik hem steeds gekend had. Maar na mijn vraag om toezending van de vergaderstukken nam hij gas terug. Ik kon toch ‘rustig’ bij de balie de stukken gaan inzien. En tegelijkertijd van de gelegenheid gebruik maken om iedereen met een bezoek en een groet te verrassen. Van wethouder als aanspreektitel naar zijn voornaam overschakelend, probeerde ik hem uit te leggen dat dit nou nèt niet kon. Als ambtenaar – alleen op zijn kamer – gebeurde het dat spontaan van wethouder naar voornaam overgeschakeld werd, waarbij hij non-verbaal aangaf zich hierbij op zijn gemak voelde. Dit gaf een extra band. Als vanouds schakelde ik zodoende weer op het gebruik van zijn voornaam over. “Gommert, ge kunt van mij toch niet verlangen dat ik naar het kantoor ga waar men mij van het ene op het andere moment – zonder pardon – van de derde etage de Markt opgesmeten heeft.” Daar kon hij wel begrip voor opbrengen. Anderzijds moest ik inzien dat hij voor mij geen uitzondering kon maken door mij de stukken thuis te laten sturen. Al keuvelend namen we de gerezen problematiek omtrent de situatie van de straatnaamgeving in Wouw door. Hij stelde vast dat er eigenlijk geen problemen waren. Alles was sterk opgeklopt en daar kon ik mee instemmen. Mede als gevolg van mijn rechtszaak en het ontbreken van een functiebeschrijving en een functiewaardering was het gemeentebestuur niet in staat geweest een nieuwe secretaris voor de commissie straatnaamgeving en huisnummering te benoemen. Vragend naar de bekende weg vroeg ik, wie als nieuwe secretaris van de commissie was benoemd. Het afdelingshoofd/teamleider (schaal 14) had per brief aan het college van B. en W. laten weten, voorlopig deze functie waar te nemen totdat er een ander benoemd zou zijn. “Niemand,” antwoordde hij. “Die functie doe ik er bij.” Ik stelde vast dat hij nu wethouder/voorzitter/secretaris was. “Ja, maar ik neem wel de secretaresse/notuliste mee.” Hiermee was niets gewijzigd. Ook bij vorige vergaderingen had zij door haar inzet bijgedragen tot een goed verloop en verslaglegging van de vergadering. Door het – gedurende de hele maand – met vakantie zijn van de ‘tijdelijk’ secretaris moest hij – vanwege het spoedeisende karakter van de vergadering – het zonder hem in deze vergadering stellen. “Samen zullen we dit varkentje wel wassen, ” zei hij ontspannen naar het einde van ons telefoongesprek toewerkend. “Ik hoop dat we elkaar in de raadszaal – als raadslid – nog eens kunnen ontmoeten,” antwoordde ik behulpzaam het gesprek afrondend. “Ja dat hoop ik ook en dat méén ik.” Dat hij meende wat hij zei, geloofde ik direct. Nu maar hopen dat voor mij hierbij niet, ‘de wens de vader van de gedachte was.’

Een wethouder in Roosendaal wordt – regel 46 van BBRA bij een inwoneraantal van 60.000 tot 100.000 – indicatief betaald naar Roosendaalse salarisschaal 14. Bij de functiewaarderingsronde waren 5 functies op hetzelfde salarisniveau schaal 14 als die van de wethouder, 3 met een salarisschaal daarboven, 2 met twee salarisschalen en 1 met 3 salarisschalen hoger gewaardeerd. Indien ik met dezelfde kromme pen, als waarmee het conceptraadsvoorstel geschreven was, zou schrijven, dan zou de proefgradering voor de secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering tussen schaal 11 en 14 kunnen uitkomen. Ondeugend zou, door verschillende brillen kijkend en naar wat ik links en rechts hoorde, vastgesteld kunnen worden dat er geen besluit genomen werd omdat de zaak nog ‘onder de rechter’ was, en mij munitie geboden werd om gericht te gaan schieten. Maar toch gaf het te denken dat de gemeente er nog steeds niet in geslaagd was één ambtenaar te vinden om in ‘mijn’ functie te benoemen. Naar ik begrepen had, verrichtte naast de wethouder, het afdelingshoofd/teamleider nog meerdere oud-collega’s gedeelten van mijn werkzaamheden. Was dit nou iets om te schaterlachen of om te huilen ?? Ik bleek na ruim twee jaar onvervangbaar te zijn.

Een week nadat de rechtbank gebeld was, begonnen mijn vingers te jeuken om – zoals voorgenomen – wéér te bellen. Theo had niet gereageerd. Die zou er stilzwijgend wel mee instemmen. Althans, dat was maar te hopen. Deze keer kreeg ik een andere persoon dan de week daarvoor aan de lijn. Een snelle blik op het computerscherm leerde dat er nog niets op de rol stond. Ik zei dat een van de collega’s mij de vorige week beloofd had de secretaris van de griffier tot spoed te manen. “Oh !, wacht even , ik zal eens verder informeren…. Het toestel is in gesprek, hebt u nog een momentje ? ” Als het moest de hele dag. Verschrikt constateerde ik met de secretaris van de griffier doorverbonden te zijn. Bekomen van de schrik hernam ik me en informeerde wanneer mijn zaak nu éindelijk op de rol kwam. “Weet uw advocaat dat u belt ? ” luidde het antwoord met een wedervraag. “Nee, maar die bel ik zodadelijk om hem hiervan op de hoogte te stellen.” Per slot van rekening was ik achttien geweest, in staat om zelf beslissingen te nemen en over mijn daden verantwoording af te leggen op de plaats waar dat gewenst werd. “Ja, maar met die brief van 25 mei – vraag om comparitie van partijen – is de zaak wel vertroebeld.” ‘Hoezo ???’ Als de President van een rechtbank een uitspraak doet, moet deze toch uitgevoerd worden ? En na drie jaar lijkt het mij bijna onmogelijk nog een goede personeelbeoordeling te maken. Hier wenste de secretaris niet op in te gaan. “Weet u al wanneer er een besluit over het ontslag genomen wordt. Dan kan ik hier met mijn verdere activiteiten rekening mee houden en dit tegelijkertijd meenemen, ” vervolgde ze. In mijn oor klonk ze ‘ijzig’, dat beloofde niet veel goeds. Zeker toen ze oncollegiaal opmerkte dat die brief met de zittingsdatum via een collega – in haar vakantieperiode – was verzonden. En als zij niet met vakantie was geweest deze aankondiging zeker niet zó was uitgegaan. “Nee, een besluit over het ontslag had ik nog niet ontvangen. Wel had ik in de wandelgangen gehoord dat voorafgaand aan de Algemene Beschouwingen in een besloten raadsvergadering hierover een besluit genomen zou worden.” De secretaris vervolgde met de mededeling, “dat ze mijn advocaat ging bellen en het telefoongesprek wenste te beëindigen. ” Zeker ook bang zich op glad ijs te begeven ! Een andere verklaring kon ik aan het abrupte einde van ons gesprek niet geven.

“Bonjour monsieur le docteur.” “Bonjour monsieur Theo, ça va ?” ‘Gelukkig !!, ’ die was in ieder geval niet boos. Hij vertelde een ‘plezierig’ gesprek met de secretaris van de griffier gehad te hebben. Zo gauw hij iets over de beslissing van het ontslag wist, moest hij dit telefonisch met de griffie kortsluiten. Zij zouden dan per omgaande met de gemeente contact opnemen. “Mag ik hieruit opmaken dat de gemeente onder druk gezet zal worden om rond de tafel te gaan zitten. ” “Dat denk ik wel , ” antwoordde Theo. Om verder te gaan met, “maar ik zal dan allereerst duidelijk vragen waarover gesproken kan gaan worden als op een uitnodiging van meer dan een half jaar geleden alsnog ingegaan wordt.” Ik begreep ook wel dat het geen zin had om voor een ‘kale’ wachtgeldregeling bij elkaar te komen. Tot een reis met gesprek ‘ins Blaue hinein’, zoals mijn ‘jong advocaatje,’ zou Theo zich niet laten verleiden. Na een paar dagen belde Theo opnieuw. De secretaris van de griffier had naar de gemeente gebeld. Aan de adviseur arbeidsaspecten was gevraagd waarom de gemeente weigerde op het verzoek tot overleg in te gaan. “Omdat de burgemeester halsstarrig ieder gesprek weigert,” aldus de adviseur arbeidsaspecten. Geadviseerd werd, de burgemeester op zijn halsstarrige weigering terug te laten komen. Twee dagen later zou de rechtbank naar de gemeente bellen en aan de hand van de definitieve opstelling van de burgemeester vervolgstappen zetten. “Het gaat de goede kant op,” zei Theo. Inderdaad, door wat o.a. de politiek – een half jaar – nagelaten had te doen, moest door ingrijpen van de rechtbank deze zaak alsnog uit het slop getrokken worden. ‘Dit zou onze onderhandelingspositie als uitgangspunt zeker versterken !’ Gerust gesteld met deze gedachte zette ik – een paar dagen later – vol spanning de radio aan, om de raadsvergadering te volgen. Misschien dat in het ‘openbare gedeelte’ nog iets over de vele ontslagen en de onzorgvuldigheden gezegd zou worden en kwam mijn zaak ook nog direct of indirect in beeld. Zoals het soms moeilijker is ergens niet dan wel te zijn, was het voor mij moeilijk om niet naar deze raadsvergadering te gaan. Graag had ik – aanwezig op de publieke tribune in de raadszaal – getuige willen zijn van de onmacht en opgelatenheid van verschillende personen. De CDA-wethouder/vice partijvoorzitter ging behendig en volwassen met de motie van afkeuring om. Door het boetekleed aan te trekken, de ‘sorrypolitiek’ te belijden, haar politieke verantwoordelijkheid in totaliteit op zich te nemen, maakte de motie geen schijn van kans en was overbodig. De wethouder met het tekort aan financiën voor het verenigingenverzamelgebouw kreeg uitstel van executie. Het was duidelijk dat, als zij in een volgende raadsvergadering met haar aanvullende plannen zou komen, een motie van wantrouwen aan haar broek zou krijgen. Zo ver is het niet gekomen. Na voorlezing van een verklaring heeft ze, zoals ze zei, voor altijd de gemeenteraad verlaten. Echter niet voordat ze het voltallige college en gemeenteraad oncollegiaal gedrag had verweten. De CDA-sportwethouder had een commissievergadering in het geniep op band opgenomen. Zo had Roosendaal zijn eigen ‘Watergate’. De burgemeester, verantwoordelijk voor personeel en organisatie liet weten geen behoefte aan de gevraagde mediator te hebben, zeker gelet op het slechts relatief klein aantal personen. Klopt, maar die wel veel geld, energie en gezichtsverlies kosten. De wijzingen door de commissie ‘Elzinga’ geopperd, waarmee het voor het gemeentebestuur tot de mogelijkheden ging behoren ook enquêtes te organiseren gaven hoop. Voor een volgende raadsperiode had ik in ieder geval een goed onderwerp. Een enquête naar de ‘onnodig’ miljoenen verslindende ontslagen. Omdat ik uit het radioverslag van de turbulent verlopen raadsvergadering niet veel wijzer werd, probeerde ik de volgende morgen de adviseur arbeidsaspecten te bellen. “Ze is met verlof en komt na het weekend weer terug.” Zo lang kon ik niet wachten, “geef mij haar baas dan maar of anders de gemeentesecretaris.” Dit bleek moeilijk, maar ik kon de adviseur arbeidsaspecten ook thuis bellen ! “Dát zeker niet, ik wil hier normaal als een burger van de gemeente Roosendaal geholpen worden.” Hen wordt toch ook niet geadviseerd ambtenaren thuis in hun vrije tijd te bellen en vroeg aan haar als er niemand anders was om dit te behandelen de adviseur arbeidsaspecten dan maar te bellen om te vragen hoe het met mijn ontslag afgelopen was. Even later belde de adviseur arbeidsaspecten en vertelde – half tien – dat ze wakker gebeld was. “Sorry, maar dat kon ik niet weten.” De raad had een ontslaggrond vastgesteld en het college belast met de uitwerking. Daarbij was intussen aan de advocaat van de gemeente opgedragen om met mijn advocaat in overleg te treden. Als een speer belde ik Theo om hem van dit laatste nieuws op de hoogte te stellen. De interventie van de rechtbank had de burgemeester op zijn besluit – halsstarrige weigering tot overleg – terug laten komen. Na amper een uur belde Theo met de mededeling, door de advocaat van de gemeente gebeld te zijn met het verzoek om in overleg te treden. “Ik heb gevraagd in een raamwerk aan te geven wat hij te bieden heeft en voor het overige hebben we een afspraak op mijn kantoor in Nieuwegein. Hij kan beter van den Bosch naar hier komen, dat is voor jouw in ieder geval goedkoper. Volgende week moeten wij onze koppen bij elkaar steken om de ontstane situatie te bespreken.” Opgelucht ging ik het weekend in.

Na tóch een onrustig weekend, pakte ik de draad weer op. Allereerst met het maken van een afspraak met Theo en het verzoek bij de gemeente om een verslag over het verloop van de raadsvergadering op te vragen. In het bijzonder was ik benieuwd naar het definitieve raadsvoorstel. Wat zou er met de door ons gegeven reactie gebeurd zijn ? Daarna schreef ik een brief aan de griffier van de rechtbank om een kopie van de uitspraak inzake de door de P & O-adviseur aangespannen rechtzaak tegen haar ontslag. En eindigde met een telefonisch verzoek om het ‘Reglement van Orde’ van de gemeenteraad Roosendaal. Ik wilde lezen wat er over ‘geheime’ brieven en raadsvergaderingen bepaald was. Nou, niets dus ! ‘De ingekomen stukken worden met een omschrijving van de inhoud vermeld op een tevoren aan de raadsleden toe te zenden lijst, waarop is aangegeven het voorstel van burgemeester en wethouders met betrekking tot hun afdoening.’ Over het niet plaatsen op de lijst van ingekomen stukken stond niets vermeld. Wel, ‘dat ingekomen stukken, omtrent wier inhoud ingevolge artikel 25, eerste dan wel tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, onder berusting van de gemeentesecretaris behoren die de leden van de raad de inzage verleent.’ Het leek me onwaarschijnlijk dat iemand mij onder het hoofdstuk ‘staatsgevaarlijk’ – zoals geprobeerd met Willem Oltmans – kon rangschikken. Conclusie; de brieven van 25 mei, 5 en 21 september hadden ‘gewoon’ op de lijst van ingekomen stukken geplaatst moeten worden. Oftewel, de meerderheid van de Raad van Roosendaal was verantwoordelijk voor het ‘onder de pet houden’ van deze brieven. Door zich te onttrekken aan de wettelijk verplichte openbaarheid ontnam zij eenieder de mogelijkheid van het bestaan van de brieven kennis te nemen. En moest ik verder mijn rol in beginsel ‘vertrouwelijk’ en lijdzaam op me nemen. Uitvoering en controle van democratische spelregels is voor mensen die ook de moed hebben hun nek uit te steken. Wellicht hadden ze gehoopt dat ik ‘als een olifant door de porseleinkast zou gaan.’ Maar om het werk van Theo en hiermee eigen belangen niet te schaden, deed ik dat niet. Het werd toch al met het uur complexer. Uit het verslag van het ‘geheime’ raadsbesluit bleek dat – met unaniem tegenstemmen van de oppositie – besloten was tot ontslag met de minimaal daarbij behorende ontslaguitkering zonder vergoeding van gemaakte onkosten, pensioenreparatie en smartengeld. Dit alles ging vergezeld met een reactie van B. en W. op de opmerkingen zoals door Theo ingediend. Waarbij als unicum vermeld mag worden dat het college startte met toegeven van een ‘zwart op wit gedrukte’ leugen. (v.D. onjuiste mededeling die bedoeld is om te misleiden)

‘De schriftelijke zienswijze leidt ons tot de volgende reactie.

In de eerste plaats merken wij op dat de aanvullende reactie d.d. 21 september 2000 geen correcte weergave vormt van de gebeurtenissen. De passage in de voorlaatste alinea op bladzijde 5 bevat ten onrechte een verwijzing naar gevoerd overleg: aan de raadsman van betrokkene is inderdaad de enkele mededeling gedaan dat dezerzijds slechts geopteerd wordt voor een ontslag van de heer Arts, waarvan slechts een “kale” wachtgeld regeling zou worden verbonden en dat nader overleg met het oogmerk tot een ruimere regeling te komen, niet zinvol werd geacht.

Bestudering van de schriftelijke zienswijze van de heer mr. Velo d.d. 19 september 2000 heeft ons college niet tot een andere visie op de gepresenteerde feiten gebracht. Wij kunnen de weergave van de feiten van de heer mr. Velo, noch de door hem vermelde nuanceringen tot de onze maken. Onverkort zijn wij van mening dat de heer Arts aan de hem vervulde functie van medewerker begraafplaatsenbeheer onvoldoende invulling heeft gegeven. De vernietiging van de beoordeling die is uitgebracht, vloeide voort uit een formeel aspect; aan de feiten die aan de beoordeling ten grondslag lagen is als gevolg daarvan niets gewijzigd. Ook het functioneren van de heer Arts als secretaris van de commissie straatnaamgeving en huisnummering is bepaald niet onbesproken geweest. Het lijkt ons weinig zinvol een discussie aan te gaan over de vraag of ons college zichzelf tegenspreekt als het in de ene alinea opmerkt dat het functioneren niet aan de te stellen eisen voldeed en in een andere dat het functioneren krap voldoende was. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat het functioneren van betrokkene als niet ‘voldoende’ is aangemerkt.

Wij handhaven onverkort de stelling dat de heer Arts schadeloos is gesteld na de intrekking van het ontslagbesluit: de rechtsgevolgen die aan dat ontslag waren verbonden zijn door ons college integraal teruggedraaid en de heer Arts is weer in de positie gebracht als ware hij ambtenaar van de gemeente Roosendaal gebleven. Vervolgens is aan de heer Arts een andere functie aangeboden, die voor hem passend is te achten. Dat de heer Arts meent te kunnen stellen dat hij in zijn goede naam en faam is aangetast, is zijn goed recht, maar die opvatting kan ons college niet delen. Uit de onderliggende stukken kan worden opgemaakt, dat de negatieve oordelen omtrent het functioneren van de heer Arts niet uit de lucht zijn gegrepen.
De mogelijkheid om hem opnieuw in een passende functie werkzaam te laten zijn was, anders dan de raadsman van de heer Arts bij herhaling meent te moeten stellen, een reële mogelijkheid, waarmee ook het laatste gedeelte van het herstel van de rechtspositie van de heer Arts zou zijn gerealiseerd.

De pogingen om de heer Arts te herplaatsen hebben zich ook uitgestrekt buiten het gezagsbereik van deze organisatie, teneinde de heer Arts meer kansen op succes te bieden. De kwalificatie die de raadsman van de heer Arts hieraan meent te kunnen verbinden wordt geheel voor zijn rekening gelaten. Overigens is wel degelijk uit de test gebleken dat het werk- en denkniveau van de heer Arts op een MBO-niveau moet worden gesitueerd. Het betoog van de raadsman van de heer Arts biedt voor ons college geen aanleiding uw Raad op een andere wijze te adviseren dan in het voorliggende voorstel. Een mogelijkheid om nog tot een vruchtbaar herstel van de arbeidsverhouding te komen is niet aanwezig, gelet op de situatieve arbeidsongeschiktheid van de heer Arts. De door ons college voorgestelde ontslaggrond is overigens zeer wel door uw Raad vast te stellen. De raadsman van de heer Arts verkondigt een onjuiste visie, daar waar hij stelt dat een ontslag ex artikel 8 : 8 AVR uitsluitend betrekking zou hebben op onverenigbaarheid van karakters. Als die visie juist zou zijn (hetgeen nadrukkelijk niet het geval is) dan zou de ontslaggrond ook wel opgenomen in het gesloten stelsel van ontslaggronden van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten (CAR). Evenbedoeld artikel 8 : 8 biedt nu juist de mogelijkheid aan uw Raad, met gebruikmaking van de verordenende bevoegdheid, een ontslaggrond vast te stellen die afwijkt van de ‘vaste’ ontslaggronden en die recht doet aan de specifieke omstandigheden van het geval. De door ons college voorgestelde ontslaggrond voldoet naar onze overtuiging aan de daaraan te stelen eisen.

Voorgesteld wordt dan ook bijgevoegd conceptraadsbesluit te bekrachtigen, inhoudende het formuleren van een ontslaggrond met toepassing van artikel 8 : 8 AVR, ten behoeve van een aan de heer W.A.M. Arts te verlenen ontslag, en te bepalen dat bij wijze van ontslaguitkeringsregeling aan het ontslag een recht op wachtgeld overeenkomstig Hoofdstuk 10 AVR wordt toegekend.

Burgemeester en wethouders van Roosendaal,

Aan de oppositie van de gemeenteraad schreef ik een bedankbrief.

Aan de gemeenteraadsfracties
PvdA, Progressief overleg Roosendaal/GroenLinks en SP

Roosendal, 17 november 2000

Geachte dames en heren,

Uit de stukken van de geheime raadsvergadering, ontvangen van mijn advocaat, stel ik het volgende vast.

Er wordt met het ‘geval Arts’ spastisch omgegaan. Het heeft de schijn dat ik een staatsgevaarlijk individu à la Oltmans ben.

Aan het verlangen om op de zaak nader in te gaan, wil ik weerstand bieden. Mijn advocaat zal hiervoor de benodigde stappen ondernemen.

Voor uw unanieme steun, door tegen het raadsvoorstel te stemmen, wil ik hierbij mijn dank uitspreken.

Nogmaals met hartelijke dank en vriendelijke groet,

Wim Arts

In de contouren op schrift van het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie, zoals door Theo voor het starten van de onderhandelingen gevraagd, d.d. een week na het ontslag stond o.a., “De heer Arts wordt benoemd als ambtenaar in algemene dienst, met vrijstelling van de verplichting arbeid te verrichten voor de gemeente Roosendaal. tegen een “kale” wachtgeld vergoeding, met de verplichting om op 61 jarige leeftijd van de mogelijkheid om met flexibel pensioen gebruik te maken.” Binnen een week iemand ontslaan en vervolgens een voorstel doen om de persoon als ambtenaar in algemene dienst te benoemen, gelooft toch niemand die het niet zelf gelezen heeft. Een move om koste wat kost de mogelijkheid uit te sluiten op korte termijn – vóór mijn pensioengerechtigde leeftijd – gemeenteraadslid te worden. Terwijl ik – vanuit mijn periode van ambteloos burger – als eerste opvolger op de kandidatenlijst van de PvdA voor de gemeenteraad stond. Bij het ‘onder de tram komen’ van een PvdA raadslidmaatschap zou ik raadslid van de gemeente Roosendaal moeten c.q. mogen worden. Door het gemeentebestuur werd voorgesteld in te grijpen in een democratisch proces. Nog een ander opmerkelijk feit kwam uit deze brief naar voren. Mijn – inmiddels twee jaar ouder – ‘jong advocaatje’ was in dienst getreden bij het advocatenbureau dat de gemeente Roosendaal ingehuurd had. Op de rechtzitting moest de advocaat namens de gemeente beroepschriften van een confrère – mijn ‘jong advocaatje’ – gaan aanvechten. Was dit belangenverstrengeling ? Was hiermee dit advocatenbureau besmet ? Was dit dé reden voor de burgemeester om halsstarrig te weigeren in overleg te treden ? Allemaal interessante maar onbeantwoordbare vragen. Op dit moment waren belangrijkere zaken aan de orde. In overleg met Theo werd ons ‘verlanglijstje’ opgesteld. Met als uitgangspunt dat het ‘rechtbankrisico’ bestendig moest zijn. Niet overvragen maar voorkomen dat, bij niet honoreren door de tegenpartij, het door een rechter als onredelijk afgeschoten kon worden. Hoofdpunt van ons lijstje was; een gegarandeerd (vrij van bijverdienen) en verhoogd wachtgeldpercentage tot 65 jarige leeftijd. Onder het voortbrengen van geluiden als van een brombeer werd het lijstje door de advocaat van de gemeente in ontvangst genomen. Theo vroeg om binnen twee weken schriftelijk te antwoorden, om, onze knopen tellend, de reactie richting rechtbank vast te stellen. Van de door de P & O-adviseur tegen haar ontslag aangespannen rechtzaak kon men op de griffie alleen mededelen dat de uitspraak zes weken uitgesteld was. Geen partij zijnde, werd mij de reden dan ook niet gegeven. Deze kon aan advocaat of betrokkene gevraagd worden. De P & O-adviseur vertelde mij dat zij de reden ook niet wist. Na afgesproken te hebben de volgende week verder te praten, belde ze de eerste dag van die week. Haar advocaat had verboden nog in contact te treden. Onmiskenbaar een spreekverbod. Jammer, dat hiermee de mogelijkheid ontnomen werd aan herstel van onze – op een dieptepunt – verbroken relatie te gaan werken.
De onderhandelingen tussen de advocaten om uit mijn arbeidsconflict te komen, verliepen in een woord samen te vatten, slecht. Als je onderhandelt en je vertelt leugens, dan verlies je gezag. Een van de voorstellen van de advocaat van de gemeente vermeldde de passage. “De heer Arts zou alleen dan bereid zijn de ambities voor een gemeenteraadszetel in de koelkast te zetten, indien de regeling erin voorziet dat zijn bezoldiging zonder korting wordt doorbetaald, tot op het moment dat hij gebruik maakt van de FPU-regeling.” Ik kon er op wachten. Waar bemoeit die man zich mee. Roosendaalse kiezers zouden zich hier wel over uitspreken. Theo had alleen maar toegezegd ‘te zullen vragen onder welke voorwaarden ik eventueel bereid was mijn politieke bezigheden op te geven.’ Na ruim een maand van onderhandelen kon alleen maar tot onze spijt geconcludeerd worden, dat partijen er niet in geslaagd waren een minnelijke regeling te treffen. En de rechtbank verzoeken, ‘de beroepen zo spoedig mogelijk op zitting te doen behandelen.’ Nu was het moment aangebroken om zelf de pers te zoeken. Door mij werd een persbericht opgesteld. Het geheel begon de vormen van een uitputtingsslag aan te nemen en aan juridische kosten was ik intussen meer dan f. 20.000,00 kwijt. Nu zou ik opnieuw naar de bank moeten. Voor het uitgeven van dit boek waren al afspraken gemaakt. Financiering van de juridische kosten konden er wel bij. ‘Wie niet waagt, ervaart weinig tegenwind.’ Een wandtegeltekstje wat er – bij mijn weten – nog niet is. Of zoals de Engelsen zo mooi zeggen, ‘no guts, no glorie.’ Mijn ondergrens voor genoegdoening stond vast. Tegen de ontslagen directeur van het werkvoorzieningschap – met de CDA-sportwethouder als voorzitter – was voor het verkrijgen van een rechtvaardiger ontslagregeling bij de Raad van Beroep een kort geding aangespannen, nadat hij bij een lagere rechtbank – vanwege het niet accepteren van een “kale” wachtgeldregeling – in het gelijk was gesteld. Zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, werd de directeur – eis hoger percentage uitkering – schriftelijk in het gelijk gesteld. Dit gaf de burger moed. Als na de ontslagen directeur Welzijn de adviseur- P & O rechtvaardig behandeld zou worden, moest dit voor mij ook opgaan.

De arrondissementsrechtbank te Breda zorgde voor een opsteker. In een pakketje van 9 A4-tjes – straf van ongevraagd ontslag aan de P & O-adviseur – vernietigde de meervoudige kamer het bestreden besluit en droeg het gemeentebestuur op een nieuw besluit te nemen. Daarmee was het dienstverband formeel hersteld, volledige doorbetaling van het salaris geregeld en de zaak terug bij af. Het verwijt; ten onrechte creëren van een mandaatregeling voor toekenning van extra periodieken door de sectordirecteur – i.p.v. door B. en W. – werd niet overgenomen. Hiermee gaf de meervoudige kamer aan niet te oordelen over persoonlijke maar over juridische zaken. Dat hier ook persoonlijke afrekeningen aan de orde waren bleek uit de inschakeling van het Gerechtelijk Laboratorium en de batterij ambtenaren die richting rechtszaak gestuurd was. Te weten, de sectordirecteur, drie afdelingshoofden, een senior- en ‘gewone’ medewerkster van de gemeente Roosendaal. Met een afdelingshoofd die uit zijn rol van getuige à charge naar à decharge viel.

‘Tot slot heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het initiatief tot het toekennen van een extra periodieke verhoging aan eiseres niet van haarzelf maar van het afdelingshoofd is uitgegaan, zoals deze getuige uitdrukkelijk ter zitting heeft verklaard, omdat hij vond dat zij die beloning verdiende vanwege haar bovengemiddelde prestaties gedurende een lange periode, ondanks reorganisatieperikelen en de afwezigheid van ondersteuning door een P & O medewerker.’

Na het verstrijken van de periode om in beroep te gaan – 6 weken – informeerde ik bij de griffie of er tegen de uitspraak beroep was aangetekend. Nooit weg om te weten of dat mijn zaak diende. Op mijn verzoek werd kribbig gereageerd. “Er moest maar bij de behandelend advocaat geïnformeerd worden !” Aan de Orde der Advocaten stelde ik schriftelijk mijn vraag bestaande uit twee onderdelen.

Behoort de informatie inzake het wel of niet instellen van hoger beroep tot de openbare gegevens en moet dit dan door de Arrondissementsrechtbank en niet door de behandelend advocaat ter hand worden gesteld ?

Na eerst te vragen waarom ik dit wilde weten, werd telefonisch door de wnd. adjunct-secretaris geprobeerd me af te schepen door het opblazen van stofwolken met kreten van burgerlijk procesrecht, civiele- en strafzaken, privacy en rolzittingen. Tussendoor een compliment weggevend over de juiste formulering en correcte vraagstelling, met de veronderstelling hierbij door derden geassisteerd te zijn, kon ik haar trots en in alle bescheidenheid vertellen dat dit niet zo was. “Mevrouw, als je ruim twee jaar met deze zaak bezig bent, wordt het bijna een hobby en leer je dat. Autodidactisch heet dat. Overigens, in mijn boek zult u ook in een enkele regel voorkomen en dat de gemeente hoger beroep heeft aangetekend, heb ik inmiddels uit de wandelgangen vernomen.” Voor antwoord op mijn vraag – los van personen – adviseerde ze bij de KUB een wetenschappelijk medewerker te raadplegen. Zo gezegd, zo gedaan. Na enige tijd kwam een telefoontje. Het bleek dat ze daar wel iets beters te doen hadden. Verder dan nieuwsgierig informeren of de Deken van de Orde voordien uit Arnhem kwam en een verwijzing naar een andere vakgroep kwam ik niet. Met dank zei ik dat het voor mij nu een zaak was, ‘van over en sluiten.’ Intussen sjokte de trein door.

Om aan het verhaal een nog hoger jongensboekgehalte mee te geven, belde op vrijdag vier dagen voor de geplande mondelinge behandeling – 16 maart – van de beroepschriften de secretaris van de griffier met de mededeling dat de zaak verdaagd was. Navraag leerde dat het een bericht van de President was. Een reden werd niet gegeven. Als mogelijke datum werd 12 april genoemd. Als de nieuw geplande datum werkelijkheid werd, zat ik in de problemen. Zoals precies een jaar eerder hadden we opnieuw een twee in een – twee weken en slechts één betalen – vliegreis naar Kreta geboekt. Bij de bibliotheek had ik wederom een boek van een partijgenoot als leesvoer opgehaald. ‘Uit de hel, in de hel,’ dagboek van de gevluchte journalist Izet Kalkan uit Sarajevo. In onze e-mailerij schreef hij. “Bedankt voor je manuscript, ik ben erin begonnen. Het lijkt erop dat jij, zonder oorlog, ook heel wat zwaars hebt meegemaakt.” Zonder oorlog, toch oorlog !, mooier had het niet gezegd kunnen worden. Benieuwd, in wat voor hel hij gezeten had.

Maar wanneer ik dat kon lezen zou bepaald worden door de definitieve datum waarop mijn zaak behandeld werd. “Ik heb het dossier doorgeworsteld, maar het is erg complex,” zei de secretaris van de griffier. Op mijn vraag hoe hard de nieuw geplande datum was en of mijn vakantie er voor aangepast moest worden, zei ze, dat ik dat voorlopig zeker niet moest doen. Echter, de week aansluitend aan Pasen ging ze zelf een weekje weg, “als ik dat goed vond, vroeg ze met een lichte humor in haar stem !” Toch niet die ‘ijzige’ tante zoals eerder in mijn boek beschreven, waarin ze vraagt of mijn advocaat wél wist dat ik met haar telefoneerde. Met ‘sterkte’ en een prettig weekend afsluitend, zei ze maandag voor nadere toelichting met Theo telefonisch contact op te nemen. Verder dan dat de President ziek was, reikte de mededeling van Theo niet. Hoe was dat ook al weer, als minister-president Dries van Agt voor een moeilijke klus zat meldde hij zich dan ook niet plotseling ziek ? Een partijgenoot burgemeester kreeg voor een sollicitatiebezoek bij CdK Hans Wiegel een datum door waarop hij met zijn ambtenaren op ‘schoolreisje’ moest. Gelet op de strikte geheimhouding van het sollicitatiebezoek zei Hans Wiegel, “meld je ziek. ” Een ziekmelding schijnt een acceptabele reden te zijn om je ergens – kort te voren – onder uit te werken. Het bevreemdde mij zeer dat er geen plaatsvervanger voor de zieke President was. Gedateerd 19 maart 2001 bracht de post op de geplande dag van de zitting een brief.

Geachte heer,
Hierbij deel ik u mede dat de behandeling van het beroep ter terechtzitting van dinsdag 20 maart 2001 tot een nader te bepalen datum is uitgesteld.
Uw oproeping is hiermee vervallen.
Hoogachtend
griffier.

Mijn e-mail naar Theo luidde: de wens is de vader van de gedachte, maar mocht er toch nog onderhandeld gaan worden, dan aandacht voor het volgende. Onderhandelingen tussen vakbonden en gemeente hebben de volgende afspraak opgeleverd. Indien een ambtenaar na de reorganisatie een functie met een hogere salarisschaal krijgt en hij op het maximum van zijn uitloopschaal betaald wordt, vindt de salarisinschaling plaats in de nieuwe uitloopschaal. Hiermee werd voorkomen dat een ambtenaar die reeds een wachtperiode van zes jaar tussen functie- en uitloopschaal er op had zitten deze periode voor een tweede keer voor zijn kiezen zou krijgen. In mijn geval zou dit resulteren in een inpassing in salarisschaal 12.
Op een van de laatste dagen van onze korte vakantie op Kreta kon ik het niet laten om Theo via mijn ‘mobieltje’ te bellen. De griffier van de rechtbank had bericht dat de planning voor de rechtzitting nu 31 mei werd. Dan zou in één zitting het beroep tegen de “kale” wachtgelduitkering meegenomen kunnen worden. Gelukkig, dat was te overzien. “Ik bel je volgende week na thuiskomst ” De lezer houdt het niet voor mogelijk. Nu ging de gemeente zich weer ziekelijk gedragen. Ze vroeg om uitstel. De adviseur arbeidsaspecten zou 31 mei met vakantie zijn. Theo was des duivels. “Wat heb ik met die ambtenaar personeelszaken te maken !” Ik heb met het gemeentebestuur een arbeidsconflict op te lossen en namens hen ben ik in overleg met een advocaatcollega geweest en niet met de eerste de beste personeelsambtenaar. Maar ja, als de President hier zijn oren naar laat hangen doe je er weinig aan. Meer dan een protest kun je niet afgeven. De nieuwe datum werd nu 14 augustus. Dan maar eerst opnieuw naar Frankrijk voor een korte vakantie. Weet u het nog dat de eerste zittingsdatum 3 oktober vorig jaar gepland was ? Bijna een jaar verder met een hoop papier vervuild, de belastingbetaler onnodig op kosten gejaagd en nog géén steek verder. Door toedoen van de gemeente was het dossier over het beroep tegen het ontslag met de “kale” wachtgelduitkering niet compleet. Omdat de stukken en een verweerschrift van de gemeente niet binnen waren konden deze beroepen niet op de rol geplaatst worden. De rechtbank liet een rappel uitgaan welke aan duidelijkheid niets te wensen overliet. Als het al de bedoeling van het gemeentebestuur was de rechtzaak wederom uitgesteld te krijgen dan kreeg ze nu toch wél de deksel op haar neus. De brief vermeldde duidelijk, “De rechtbank gaat in ieder geval door met de behandeling van bovenstaande zaak.”
Voor het weekend rolde de pleitnota in concept binnen met de vraag of ik nog eventueel een aanvulling of opmerking had. Na lezing mailde ik direct deze niet te hebben.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK BREDA
SECTOR BESTUURSRECHT

PLEITNOTA

Inzake W.A.M. Arts/Gemeente Roosendaal

Mondelinge behandeling 14 augustus 2001

Van mr. Th.A. Velo

Geachte president,

In mijn pleitnota wil ik allereerst ingaan op de kwestie rond de beoordeling en wel de weigering van de gemeente om ter zake een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Daarna wil ik ingaan op de kwestie van de functiewaardering en hiervoor is opgeroepen de heer Konings als getuige. Deze kwestie is niet alleen van belang voor de huidige bezoldiging van de heer Arts maar voor de toekomst van veel groter belang omdat de heer Arts inmiddels is ontslagen op “andere gronden” en het een groot verschil maakt of zijn wachtgeld gebaseerd is op schaal 9 of (deels) op schaal 11.
Tot slot zal ik melding maken van het inmiddels aan de heer Arts verleende ontslag zonder daar uiteraard op dit moment inhoudelijk op in te gaan.

DE BEOORDELING

1. Een kort historisch overzicht:
18 december 1997 de bestreden beoordeling
9 juni 1998 het bezwaar wordt in contrair ongegrond verklaard
12 juni 1998 beroep wordt ingesteld
19 mei 1999 het beroep wordt gegrond verklaard
22 juli 1999 de gemeente gaat niet in hoger beroep

2. Vervolgens weigert de gemeente een nieuw besluit op bezwaar te nemen en hierdoor blijft het primaire besluit, namelijk de vaststelling van een negatieve beoordeling in stand.
Ergo; deze negatieve beoordeling bestaat nog steeds en derhalve heeft de heer Arts nog steeds een belang bij een nieuw besluit op bezwaar; immers is deze negatieve beoordeling nog steeds in het personeelsdossier van de heer Arts en wordt zelfs in de ontslagkwestie nog geconfronteerd met een negatieve opvatting van verweerder over zijn functioneren.

3. De heer Arts weet niet waarom de gemeente weigert een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4. Wij zien dus achtereenvolgens een negeren van het advies van de bezwarenadviescommissie om de beoordeling te laten vervallen en vervolgens een uitspraak van uw rechtbank die door de gemeente straal genegeerd wordt.

5. De heer Arts verzoekt u dan ook de gemeente op te dragen binnen 14 dagen een nieuw besluit op bezwaar te nemen op straffe van een dwangsom ten gunste van de heer Arts van fl. 500,00 voor elke dag waarin de gemeente nalatig blijft een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Daarnaast verzoekt de heer Arts u de gemeente te veroordelen in de betaling van de volledige schade die de heer Arts door het onrechtmatig handelen van de gemeente heeft geleden en wel ten bedrage van fl. 2500,00 kosten juridische bijstand en griffierecht. De heer Arts is van mening dat de gemeente door te handelen zoals gedaan de heer Arts onnodig in extra juridische procedures heeft gedreven.

Tot slot verzoek ik u de gemeente te veroordelen tot betaling van fl. 1000,00 als immateriële schadevergoeding.

DE FUNCTIEWAARDERING

1. De heer Arts heeft vanaf begin 1997 de functie van secretaris Commissie Straatnaamgeving vervuld.

2. In het licht van de samenvoeging van gemeenten Roosendaal en Wouw per 1 januari 1997 en het ontstaan van de nieuwe gemeente Roosendaal moesten de functies in de nieuwe organisatie opnieuw beschreven en gewaardeerd worden, zo ook de functie van secretaris Commissie Staatnaamgeving.

3. De functie werd voorlopig gewaardeerd in schaal 11.

4. Bij repliek van 3 februari 2000 heeft mr. Fasotte gereageerd op het verweerschrift en aan de rechtbank productie 10 overlegd en wel een gespreksverslag opgemaakt door de personeelsfunctionaris, mevrouw Overduin.
Uit dit gespreksverslag blijkt duidelijk dat de heer Konings, de functionaris die in het kader van de gemeentelijke herindeling alle functies in de nieuwe organisatie (voorlopig) heeft gewaardeerd, bij wijze van voorlopige waardering de functiewaardering van de functie van secretaris Commissie Staatnaamgeving vast heeft gesteld op schaal 11.

Bij schrijven van 23 juli 2001 heb ik u twee gespreksverslagen van 19 maart 1998 overlegd; de eerste met een indicatieve waardering op schaal 11 en de tweede met een waardering in schaal 5.

Alleen al de enorme wijziging in de functieschaal, van schaal 11 naar schaal 5, maakt deze handeling zeer en zeer ongeloofwaardig en geeft overduidelijk aan dat de wijziging van de functieschaal enkel en alleen te maken had met de persoon van de heer Arts.

Men kan zich nog voorstellen dat een indicatieve waardering uiteindelijk één of hooguit twee schalen lager uitkomt, maar zes (6) schalen lager is onvoorstelbaar en gaat nog eens het manipulatieve handelen van verweerder aan.

5. Uit de gespreksslagen genoemd onder 4 blijkt ook dat de gemeente een merkwaardige redenatie volgt en wel omdat de waardering niet aansluit bij de functieschaal van de heer Arts, de waardering van de functie secretaris Commissie Staatnaamgeving in schaal 11 onjuist is.
Een zeer merkwaardige redenering die op de man c.q. op de persoon van de heer Arts wordt gespeeld, en als onzorgvuldig en onrechtmatig te beoordelen is.
Een functiewaardering dient immers te worden opgemaakt op basis van de inhoud, zwaarte en niveau van de functie en dit los van de persoon die de functie vervult.

6. Ook mondeling heeft de heer Arts te horen gekregen dat de functie indicatief gewaardeerd was op schaal 11.

7. De heer Sinke, toenmalig voorzitter van de gemeentelijke functiewaarderingscommissie, heeft de heer Arts meegedeeld dat het juridisch niet houdbaar was om schaal 11 aan de heer Arts te onthouden.

8. De heer Arts verzoekt u dan ook de gemeente Roosendaal op te dragen binnen 14 dagen de heer Arts met ingang van 1 april 1997 te bevorderen naar schaal 11 en aan hem het daarbij behorende salaris na te betalen vermeerderd met de wettelijke rente; een en ander op straffe van een dwangsom van fl. 500,00 voor elke dag dat de gemeente in gebreke blijft.

Ook hier verzoekt de heer Arts u de gemeente te veroordelen tot schadevergoeding bestaande uit de volledige kosten van juridische bijstand ten bedrage van fl. 2500,00 en griffierecht.

HET ONTSLAG

De heer Arts is inmiddels ontslagen op een wel zeer merkwaardige ontslaggrond en het bezwaar tegen dit ontslag is ongegrond verklaard. Beroep (nummer 01/1162+1163) is reeds bij uw rechtbank ingediend.

Uiteraard behoeft dit ontslag thans geen nadere behandeling maar ik wil wel stellen dat de merkwaardige en onzorgvuldige handelwijze van verweerder jegens de heer Arts in de zaken omtrent de beoordeling en de functiewaardering in grote mate hebben bijgedragen in het ontstaan van een verstoorde arbeidsverhouding.

Op een warme dinsdagmiddag betraden mijn vrouw en ik het gerechtsgebouw. De sectordirecteur vergezeld van de adviseur arbeidsaspecten waren reeds gearriveerd Bij het binnenkijken van de wachtruimte zag ik ze zitten. Joviaal hun handen opstekend begroetten ze mij. Half negerend en knikkend draaide ik me weer snel om. In deze oorlogssituatie oordeelde ik het beter maar weer spoorslags te vertrekken en voor de klapdeuren de komst van Theo af te wachten. Onze getuige – het oud-hoofd personeelszaken – probeerde ik zo neutraal mogelijk te verwelkomen en stelde hem mijn vrouw voor. Van oud-collega’s had ik gehoord dat hij voor de rechtzitting op de kamer van de adviseur arbeidsaspecten en de sectordirecteur gesignaleerd was. Mij bleef niets anders over dan te veronderstellen dat zij vooroverleg hadden gehad. Hoewel hij tegen Theo en mij verklaard had, dat de indicatieve salarisschaal 11 voor zover het geheugen hem toe liet, juist was en anders maar hooguit een of twee schalen lager kon zijn en het opschrijven van salarisschaal 5 met zijn naam als onrechtmatig was te bestempelen, ging hij nu uit een heel ander vaatje tappen. Inderdaad een andere schaal kon weleens juist zijn. Snel besloten Theo en ik hem niet meer als getuige op te roepen om te voorkomen met nog meer problemen geconfronteerd te worden. Buiten de zaal moest hij netjes zijn beurt afwachten. De rechter vroeg ons wat nou de werkelijke problemen van de negatieve personeelsbeoordeling waren. Hoewel de gemeente de personeelsbeoordeling dan wel formeel vernietigd had, refereerde ze er jaren later in de voorstellen van de raadsvergaderingen van 2 november 2000 en 5 juni 2001 er nog steeds aan Met andere woorden, ik liep nog steeds met het negatief etiket op mijn voorhoofd van onvoldoende functioneren terwijl op andere plaatsen stond dat ik op een voldoende wijze gefunctioneerd had. Derhalve wilden wij dat er formeel een verbod kwam naar iedere verwijzing van onvoldoende functioneren. Er hing een gespannen sfeer in de rechtbank waarbij partijen als op eieren liepen, want zowel de gemeente als wij wilden geen slechte uitgangspositie voor de zitting als het er echt om ging. Namelijk over de verhoging van het wachtgeld, pensioenpremie afdracht, immateriële schade e.d. Na een goed half uur sloot de rechter de zitting en beloofde over zes weken een uitspraak te doen en dan nog twee weken nodig te hebben voor het op papier zetten. Bij het verlaten van de rechtzaal beet ik de sectordirecteur, het oud-hoofd personeelszaken en de adviseur arbeidsaspecten (met rechtvaardigheid hoog in hun vaandel) toe, vanavond deel I van mijn boek af te ronden en dan maar direct met deel II te starten. Het in concept opgestelde ‘laatste woord borg ik weer in mijn map op’ omdat de situatie het op dat moment niet toeliet dit uit te spreken.

Geachte President,

Bij de vorige rechtszaak werd ik overvallen met het krijgen van het laatste woord.

Toen stamelde ik me ‘parlementair’ uitdrukkend gestoord te hebben aan de opmerkingen van de tegenpartij die op gespannen voet met de waarheid stonden. Anders gezegd, de waarheid geweld aandeden. Waarbij ik mijn toenmalige advocate vragend aankeek en zij dit afmaakte met de opmerking “mijn cliënt bedoelt dat hij het vér onder de maat vindt.”

Zonder hulp van mijn huidige advocaat wil ik opmerken verschillende gebeurtenissen in aanloop en tijdens deze rechtzitting van verweerderszijde wederom vér onder de maat te vinden.

Als u mij toestaat wil ik nog aanvullend het volgende opmerken.

Verweerder vraagt voor de geplande zittingsdatum van 31 mei uitstel wegens het met vakantie zijn van een van haar medewerkers.

Ik meen te mogen stellen dat het geen pas heeft als de rechtbank in een rappel op 25 juli wederom een verzoek aan verweerder moet sturen waarin zij om stukken en verweerschrift vraagt. En deze stukken en verweerschrift dan pas vorige week maandag – 6 augustus – verstuurt.

In haar rappel van 25 juli moet de rechtbank vermelden “De rechtbank gaat in ieder geval door met de behandeling van bovenvermelde zaak.”

Dit alles heeft tot gevolg dat wij op dit moment weer niet alle zaken kunnen afdoen.

Hierbij en na uw uitspraak van 19 mei 1999 probeert verweerder zich aan het recht te onttrekken.

Ik hoop dat u mij toestaat u te vragen om een uitspraak, waarbij rekening houdend met de voorgeschiedenis, het verweerder niet mogelijk gemaakt wordt zich op een makkelijke wijze aan het uitvoeren van recht te onttrekken.

Ik dank u voor het verlenen van het laatste woord.

Vooralsnog eindigt hier mijn verhaal over een bijna eenendertigjarig ambtenaarschap bij de gemeente Roosendaal !!!!!!!!
Voor de lezer verwacht ik voor dìt boek weinig toegevoegde waarde.
Mogelijk volgt: ‘Beide partijen zijn tot overeenstemming gekomen.’ Dat hiervoor eerst nog langs de centrale Raad voor Beroep in Utrecht gegaan moet worden, lijkt me niet redelijk te verwachten. Maar je kunt nooit weten. Met de verkiezingsstrijd voor de boeg houd ik dit niet voor waarschijnlijk. Ofschoon de secretaris van de griffier voorspelde dat het wel eens een gebed zonder eind kon worden. Inderdaad, op personeelsgebied kun je van de gemeente Roosendaal alles verwachten. Voor de definitieve uitslag kunnen geïnteresseerden van de Wet Openbaarheid van Bestuur gebruik maken. Of, als er voldoende reden toe is, zal deel II van ‘Zonder oorlog, toch oorlog ! ’ verschijnen, anderzijds wil ik u het volgende niet onthouden.

Vanwege toegepaste research in de beginfase van mijn manuscript met een voormalig collega – inmiddels gemeentesecretaris – contact opnemend, werd enthousiast gereageerd. “Goed zo, zal zeker in goede aarde vallen. Daar is eigenlijk best behoefte aan. Het is fantastisch als daar eens wat over geschreven wordt en het besef gaat ontstaan, dat je niet zomaar alles met iedereen kunt uithalen. Ik heb respect voor je als je dat kunt, je klinkt niet erg down en ik wil je hierbij succes wensen !” Na het gereedkomen van mijn eerste concept probeerde ik nogmaals contact op te nemen. Maar er werd ‘niet thuis’ gegeven. Na een tweetal pogingen met opgaaf van het onderwerp en de belofte, door de secretaresse na er met haar baas over gesproken te hebben, teruggebeld te zullen worden, ondernam ik nog een poging. Op het privé-adres sprak ik het antwoordapparaat in, hiermee de gelegenheid scheppend niet vanaf de werkplek – onder kantoortijd – hierop te hoeven reageren. Zou ik dan toch een gevoelig onderwerp te pakken hebben, waarvoor menigeen bang is zijn vingers aan te branden ? Een boek toejuichen, oké ! Maar vervolgens wel graag een ver-van-mijn-bed-show ! De oud-gemeentesecretaris – inmiddels griffier bij Nederlands jongste provincie – gaf een soortgelijke reactie. In eerste instantie complimenten voor het onderzoekswerk. Het zou voor mij en betrokkenen pijnlijk zijn als er saillante onjuistheden verteld werden. “Chapeau,” voor deze werkwijze. Hij beëindigde echter de contacten met een telefoontje van zijn secretaresse waarin hij liet mededelen in geen énkel contact meer met een ontslagen werknemer van de gemeente Roosendaal te willen treden. Ook van de ontslagen sectordirecteur Welzijn kreeg ik een vreemde reactie. Eerst vertelde haar man dat hij de burgemeester gevraagd had om er in een kort gesprek uit te komen. Nieuwe werkgevers stonden in de rij, dus dat was het probleem niet. Het ontslag moest gewoon netjes geregeld worden. De burgemeester weigerde rond de tafel te gaan zitten en antwoordde: “stuur maar een advocaat !” “Een stelletje amateurs zijn het !” en de toon waarop hij dit zei verraadde de boosheid die opnieuw bovenkwam. “Op zich nog niet zo heel erg als het maar goedwillende zijn,” antwoordde ik. Na een paar dagen belde de ontslagen sectordirecteur en verbood mij om haar als persoon of functionaris ook maar met één letter in het boek voor te laten komen. Ze voegde er aan toe, het telefoongesprek per aangetekend schrijven te zullen vastleggen. Mijn aanbod om het manuscript in te zien, werd in de wind geslagen. Ik merkte op; “een grote discrepantie met haar man te bespeuren. Hij adviseerde, met ‘Vrij Nederland’ contact op te nemen om publiciteit te genereren.” Nu stond mij niets anders te doen, dan over de begrippen persvrijheid en vrijheid van meningsuiting juridisch advies in te winnen. ‘Zo lang mijn insteek niet het opzettelijk beledigen van personen, maar het vertellen van een waar verhaal was, liep ik weinig gevaar.’ Bij de keus wie het eerste exemplaar van dit boek aan te bieden gingen mijn gedachten uit naar partijgenoot Marjet van Zuijlen waarvan ik haar boek intussen alweer een jaar geleden gelezen had. Zij adviseerde een lokale bestuurder op te zoeken. Dan maar naar de CDA-wethouder/vice-partijvoorzitter/voorzitter kandidaatstelling TK 2002. “Hoe kom je bij mij ?,” antwoordde ze niet vereerd, verwonderd en in het nauw gedreven. “Omdat als jij dat doet, ik tegelijkertijd landelijke publiciteit genereer. Dat is nooit weg voor de verkoop van het boek.” Als ik het al zou willen doen, zal ik dit in het CDA- partijbestuur moeten melden en daarnaast, “ik voel er niets voor !” Neen, het manuscript wil ik niet inzien. Ga maar naar de burgemeester die is tenslotte portefeuillehouder personeelszaken en hiervoor politiek verantwoordelijk. Daar had ze gelijk in. Kon ik zomaar contact met de burgemeester opnemen ? Na een week met deze vraag rondgelopen te hebben, besloot ik hem te bellen. Door de telefoon hoorde ik hem denken en zuchten. “Maar dan zal ik het manuscript toch eerst moeten inzien voordat ik hierover een besluit neem.” Bingo! Dat is vandaag de dag niet zo moeilijk. “Als u mij uw e-mailadres geeft, hebt u het manuscript over 5 vijf minuten.” Na vier dagen belde hij terug. Gelet op de inhoud vond hij zichzelf nou niet in aanmerking komen om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. Daar had ik begrip voor en dankte hem hartelijk voor zijn antwoord en het willen bekijken van het manuscript. Het siert de mens zelf terug te bellen. Voor hetzelfde geld had hij een van zijn secretaresses dit kunnen opdragen. Op de radio hoorde ik de partijvoorzitter van het CDA in discussie met de voorzitter van de SP. Marnix van Rij verweet Jan Marijnissen een partijvoorzitter uit het ‘Haagse circuit’ te zijn. “Nee, dan ik, ik ben een echte ‘lokalo’ !” Dát zal de oud-wethouder van Wassenaar dan nog eerst moeten waarmaken. Ik stuurde hem het manuscript met het verzoek hem het eerste exemplaar aan te mogen bieden. De vice-partijvoorzitter ontraadde hem dit ten stelligste. Na een aanvankelijke weigering het manuscript in te zien, bleek ze dit via een omweg toch gedaan te hebben. Punt 1 was ik ontslagen en daarnaast stond er minder fraais over de gemeentebestuurders in het manuscript, meldde ze haar voorzitter. Aan de vice-partijvoorzitter heb ik geë-maild, het erg simpel te vinden alleen mijn ontslag ‘sec’ te melden en nog geen initiatieven tegen dat ‘minder fraais’ gezien te hebben. Desondanks hoopte ik haar volgend jaar als gemeentebestuurder van Roosendaal in de raadszaal te mogen ontmoeten. En van de ‘krachtige’ ministerabel CDA-partijvoorzitter die in verschillende tv programma’s van B. en W. en Buitenhof, een professionele en sympathieke indruk op mij maakte, bleef voor mijn gevoel weinig over. Aangenomen mag worden dat hij zich niet zwakjes achter de vice-partijvoorzitter wil gaan verschuilen. En zijn opmerking in een antwoord aan mij dat zijn voorzitterschap maar een part-time functie is, snijdt ook heen hout.

6. Boeksluiting

In stilte, gedachteloos starend en ogen gericht op de boekenplanken boven mijn bureau ontstond de volgende vaststelling.

Dit boek is af, ik heb het niet uit en heb er geen open boek van kúnnen maken zonder mijn boekje te buiten te gaan. ‘Tsja’, en nu maar hopen dat ik mijn boekje al niet te buiten ben gegaan. De emotionele pijn heeft me nog niet helemaal losgelaten Wij hebben allemaal wel een wond die slechts heel langzaam heelt. Mijn wond van teleurstelling, verbittering, verraad en wantrouwen is – met achterlating van een grof litteken – bijna dicht. Een van herkomst, geest, tactiek, gehalte en mentaliteit ontluisterend verhaal. De uitwerking van een vooropgezet plan met een opeenstapeling van fouten, misverstanden, knulligheden, vereffeningen van oude rekeningen en verstoorde communicaties. Drie jaar voor verwerking hiervan zijn om. Wie weet ? Ik besluit op mijn fiets nog eens een rondje Roosendaal te doen. Weer terug thuis – de troost uit het verleden biedt hoop voor de toekomst – pak ik melancholisch koffiedrinkend van de boekenplank boven mijn bureau het mapje met verzamelde interviews. Ik word weer meegezogen en begin te bladeren en stuit op het enige interview voor het PvdA gewestblad waarbij in Brussel mijn vrouw aanwezig was.

“ Wie is die madam die daar in de gang op de bank zit ?
Uw vrouw ? Maar laat ze d‘r bij komen zitten. Allee ! ”

‘Peperiaans’, werd mijn vrouw door toedoen van de Belgische minister van het ene op het andere moment ‘functioneel’ gemaakt. Onze afspraak was om na het interview een middag en avondje ‘Brussel’ te doen. Hier hadden wij niet op gerekend. Als toehoorder, onder het genot van een ‘tas’ koffie volgde ze het interview. Waarbij de minister als hij de indruk had dat ik hem niet direct begreep of op onderdelen een andere mening had, mijn vrouw vragend om steun aankeek. Zij viel echter niet uit de haar totaal onverwacht toebedeelde rol van toehoorder en volgde aandachtig en zwijgend het vraaggesprek. Met een warm gevoel van herinnering begint het opnieuw lezen.

In gesprek met …..

Louis Tobback, minister van Binnenlandse Zaken in België.

Wanneer kwam u voor het eerst met het socialisme in aanraking ?
Ik veronderstel op 6- of 7-jarige leeftijd. Vrij jong dus. Mijn oom was militant en actief binnen de SP. Dat het socialisme opkwam voor de zwakkeren in de samenleving, leerde ik aldus op jonge leeftijd en ben hier als het ware mee opgegroeid. opgegroeid met het weten waarom het ging binnen het socialisme. Zelf ben ik actief geworden begin zestiger jaren.

Geboren en opgegroeid in een werkmanshuiske, wat moet ik me hierbij voorstellen ?
Ik ben in de Brusselsestraat in Leuven geboren, in een driekamerwoning met het toilet achter in de tuin. In het begin van de oorlog is deze woning gesloopt en zijn we in Leuven verhuisd. Hier woonden we met nog een ander familie, een zus van mijn moeder én mijn grootmoeder samen. Mijn vader was magazijnier in een grootwarenhuis te Leuven. Je voelt wel, zowel qua bewoning maar ook voor het overige, breed hadden we het niet.

Bent u als onderwijzer uw loopbaan begonnen ?
In Tienen heb ik mijn opleiding voor onderwijzer gevolgd, waarna ik gedurende een jaar als opvoeder op een internaat voor schipperskinderen ben gaan werken. Hierna heb ik de studie weer opgepakt en ben aan de vrije universiteit in Brussel Romaanse talen gaan studeren. Na mijn afstuderen, heb ik een twaalftal jaren Frans gedoceerd en was toen ook al reeds politiek actief.

Welke functies hebt u zoal binnen het politieke bedrijf vervuld ?
Nog voor mijn afstuderen aan de universiteit werd ik lid van het afdelingsbestuur van de SP te Leuven. In 1964 en ’65 ben ik in het leger geweest. Na mijn dienstijd werd ik in ’65 lid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De leden voor dit centrum worden via getrapte verkiezingen gekozen. Het centrum heeft tot doel het beheren van o.a. wees-, ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen. Onze grootste problemen hierbij waren het vinden van oplossingen voor de financiële tekorten. In 1970 werd ik gekozen in de gemeenteraad van Leuven en ben in 1971 1e Schepene – wat ze bij jullie wethouder noemen – geworden. In 1974 werd ik gekozen tot lid van de Kamer van Volksvertegenwoordiging. Fractievoorzitter van de SP ben ik in 1978 geworden. In 1988 ben ik in het laatste kabinet Martens minister van Binnenlandse Zaken geworden.

Macht en wantrouwen moeten door u eigenlijk in een adem genoemd worden. Vanwaar deze opmerking ?
Uit de tijd van de Verlichting hebben we dit al kunnen leren. Al wie een greintje macht uitoefent, ervaart een onuitstaanbare neiging tot misbruik van die macht. Hieruit is de theorie over de scheiding van rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht voorgekomen. De rechterlijke macht moet een onafhankelijke zijn. In het verlengde hiervan behoort het parlement de minister te controleren. Als je diep in mijn binnenste zou kunnen kijken, zou je ontdekken dat ik het beschikbare ook wel eens op een andere manier zou willen inzetten. Aan het Rekenhof moet ik rekenschap geven over het beheer van de mij toevertrouwde gelden. Ik spreek bij al deze zaken niet over wantrouwen, maar over gezond wantrouwen.

Binnen de democratie heeft niemand gelijk, onderschrijft u deze stelling ?
Er bestaat geen groot gelijk. Binnen de socialistische democratie maakt men bepaalde keuzen. Zo is conservatief ook een keuze. Bolkestein, van Mierlo, Lubbers en Kok hebben ieder het gelijk in de keuze die zij maken. Het siert de democratie dat niemand van deze vier het absolute gelijk heeft. De scheidsrechter hierbij is de kiezer. Hij of zij kan bepalen aan wiens zijde het gelijk ligt. Jammer genoeg maken veel mensen nog onvoldoende gebruik van dit recht – liever gezegd hun plicht – door niet te gaan stemmen.

Wat moet ik me bij een deelregering voorstellen ?
Ik praat liever over gewest-regeringen, te vergelijken met de Länder-regeringen in Duitsland. Zo hebben wij in België drie gewest-regeringen met een gelijkwaardigheid aan de nationale regering. Ze zijn soeverein voor wat betreft o.a. de terreinen van milieu, ruimtelijke ordening en sociale politiek. In België kennen we drie gewesten: het Vlaamse, Waalse en het hoofdstedelijk Brusselse. Daarnaast hebben we ook drie gemeenschappen: de Vlaamse, de Waalse en de Duitse. De gewesten beheren – grosso modo – de grondgebonden materies. De gemeenschappen zijn bevoegd voor gemeenschapsgebonden aangelegenheden, zoals onderwijs, cultuur en welzijn.

Is het huidige kabinet in België uit nood geboren ?
Men heeft dat wel willen zeggen. Dit kabinet is beslist in die zin geen noodkabinet. Wel is dit kabinet, zoals ieder kabinet uit nood – lees noodzaak – geboren. Was dit niet het geval, dan waren er geen verkiezingen nodig geweest en had het vorige kabinet gewoon kunnen voortbestaan. Er is dus meer overeenkomst dan verschil in de soort van regering tussen de huidige en de vorige. Zo heb ik geen verschil ervaren in het ministerschap bij de start van de nationale regering in 1988 of in maart 1992. Wel besef ik het belang van iedere dag van mijn ministerschap omdat iedere dag de laatste kan zijn. Om dit bewustzijn levendig te laten, schrijf ik iedere dag in mijn agenda de hoeveelste dag het van mijn ministerschap is. Zo is het vandaag mijn 126e dag in het kabinet Dehaene-Claes en mijn 1524e dag van mijn totale periode van minister zijn. Het komt er immers op aan iedere dag nuttig te gebruiken. Tot heden is dat nogal geslaagd.

Wat trekt u in het bijzonder in het ministerie van Binnenlandse Zaken ?
Bij de vorming van het huidige kabinet heb ik er ernstig rekening meegehouden niet op dit ministerie terug te komen. Binnen een coalitie is de keuze voor een bepaald ministerie dus maar zeer betrekkelijk. Wel heeft men in 1988 bij mijn start me gevraagd, hoe ik er in heb kunnen toestemmen om op het ministerie van Binnenlandse Zaken te belanden. Het betrof toen een relatief klein ministerie zonder rijkswacht of openbaar ambt. Bij de vorming van het huidige kabinet zijn die zaken en de vreemdelingen er aan toegevoegd. Het is een veel belangrijker departement geworden, met onderdelen die bij jullie onder het ministerie van Justitie, onder Hirsch-Balin en Kosto, vallen. Wat dit betreft schaart het ministerie van Binnenlandse Zaken zich in de rij van omliggende landen zoals Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en Portugal. Was mijn ministerie in 1988 nog niet groot in omvang, het huidige ministerie is qua grootte vergelijkbaar met dat van Ien Dales.

Waarin zouden België en Nederland in het ‘nieuwe Europa’ meer samen moeten gaan werken ?
Wel, ik denk als eerste nood zich schrap te zetten voor het nieuwe Europa. Het verdedigen van de Nederlandstalige eigen cultuur, ervaar ik als te defensief. Vele Nederlanders zijn bezorgd en zien het als een obsessie van de Vlamingen om in Nederland door te dringen, zonder dat men zich realiseert dat inclusief de Vlamingen er meer dan 20 miljoen Nederlandssprekende mensen zijn. Zij vormen een dichtbevolkt taalgebied met een hoeveelheid mensen die gelijk is aan vier maal het aantal Denen. Het ware beter als het werk van de Taalunie niet gezien werd als een weekend-bezigheid. Men zou in Den Haag moeten inzien dat ze met de Vlamingen buiten taal en cultuur – met het behoud van het wederzijds eigene – meer samen hebben. Als tweede dat wij een economische grootmacht vormen. Uniek is hierbij de ligging van onze havens. Zoals ik in Nijmegen en laatst in Heerlen betoogd heb: we moeten niet Nederland-België maar één Euregio zien. Waarbij de havens van Gent, Antwerpen en Rotterdam complementair, elkaar aanvullend, zijn. Zij kunnen alleen samen bloeien of samen ten onder gaan. Wat dat betreft herstelt zich dan weer de middeleeuwse situatie: een periode van bloei uit de Bourgondische tijd waarin deze havens een natuurlijke doorvoerhaven voor Duitsland vormden.

Baart het verminderde vertrouwen in de politiek u zorgen ?
Grote Zorgen. Gisteren nog werd ik, voorzover dat nog mogelijk is, diep geschokt. Er werd gediscussieerd over de dienstplicht. Deze kon wel afgeschaft worden, want men zag niet in wat er nog de moeite was om te verdedigen. De pers, ook in Nederland, draagt in grote mate bij tot deze samenleving van bedorven kinderen met een gecultiveerd ongenoegen. Hoe meer ze hebben, hoe meer malcontent ze zijn. Nu wil ik beslist geen lofzang houden over vroeger, maar men is nu toch vrijer en meer welvarend dan vroeger. Helaas moet ik momenteel vaak vaststellen dat veel kiezers erg bijziend zijn. Zij kijken in het bijzonder naar een enkel grassprietje, zonder naar het daarachter liggende bos te kijken. De zomer hebben we hier een sprekend voorbeeld van kunnen zien bij de acties van de Franse vrachtwagenchauffeurs. Je ontkomt dan niet aan de indruk dat hier sprake is van dom individualisme. Iedere solidariteit onder de arbeiders ontbreekt. Helaas moet je dit toeschrijven aan de huidige tijdgeest, waarbij je dan nog moet toevoegen dat de overheid overal de schuld van krijgt.

Waarin zou volgens u de SP nog veel energie moeten steken ?
De huidige taken tot een goed einde brengen en vooral niet in paniek geraken. Dit is absoluut noodzakelijk. Er tegelijkertijd aan gaan werken de vertrouwensrelatie te herstellen. Je kunt deze problematiek het best vergelijken met een gecompliceerde beenbreuk. Herstel duurt maanden of nog langer met de mogelijkheid van het ontstaan van reumatiek in hetzelfde been. Je er voor moet waken valse illusies te wekken dat hier wonderzalf voor is. Er is hier maar aan één ding nood: geduld. Ook de PvdA is bezig uit het dal te klimmen. Je kunt perfect gelijk hebben en niet krijgen, maar soms verandert dit rapper dan men denkt. Laten we maar onze keuzen en waarden hoog houden en geduld bewaren.

Van Hugo Claus mogen wij ‘Ollanders’ geen ‘Bels klappen,’ daar ergert hij zich verschrikkelijk aan. Toch moet gezegd worden bij het bezoek aan het ministerie in de Wetstraat het gevoel van een ‘plesante’ man ontmoet te hebben. Een goed verteller, wijs man, grote voorstander van meer toenadering tussen Vlaanderen en Nederland en huidig burgemeester van de stad Leuven.. Nog even bladerend en nieuwsgierig ophalend wat mijn hoogste baas, ‘de burgemeester,’ eigenlijk allemaal te vertellen had, lees ik verder.

In gesprek met …..

Michèl Marijnen

Burgemeester, wanneer kwam u voor het eerste met de PvdA in aanraking ?
Mijn politiek bewustzijn onstond op de middelbare school. De politiek in zijn algemeenheid had toen mijn belangstelling. Zo heb ik in ‘de nacht van Schmeltzer’ – het einde van het kabinet Cals – van het begin tot het einde op de publieke tribune van de Tweede Kamer meegemaakt. Dit is allemaal vanuit de zijlijn gebeurd. Feitelijk en inhoudelijk ben ik met de PvdA in 1979 in aanraking gekomen. Dit was met het aanvaarden van mijn eerste burgemeestersbenoeming in Haskerland. Eigenlijk boeit het bestuurlijke me meer dan het partij-politieke.

Bent u geboren en getogen in Den Haag of in ’s-Gravenhage ?
Als ik goed aanvoel wat met deze vraag bedoeld wordt, denk ik dat mijn antwoord in beide moet zijn. Zowel in politiek ’s-Gravenhage als in de stad Den Haag. Op 8, nee op 9 plaatsen heb ik in Den Haag gewoond. Ik heb de stad van links naar rechts doorkruist. Zo kun je gerust stellen dat ik Den Haag heb leren kennen. Niet zozeer politiek Den Haag , maar ik ken de Hagenaars en hun stad. Na mijn huwelijk ben ik in de binnenstad gaan wonen en direct actief geworden in de overleggroep ‘buurtschap Centrum 2005’. Te samen met winkeliers-, sport- en buurtverenigingen zijn we de Haagse binnenstad gaan promoten. Als voorzitter heb ik veel overleg met o.a. de gemeentelijke overheid gevoerd. Hierbij werd overlegd over de plannen tot reconstructie van de binnenstad, maar ook over de organisatie van verschillende festiviteiten, zoals het organiseren van de Haagse paardendagen, boeken- en antiekmarkt. Dit alles met veel muziek en optreden van diverse artiesten.

Waar bent u na uw studie gaan werken ?
Bij de rijksoverheid. Allereerst op het ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
nog net voor minister Vorrink en staatssecretaris Hendriks. Mijn studie was een rechtenstudie. Ik heb staatsrecht met als bijvak economie gestudeerd. Het is nooit mijn bedoeling geweest een vakjurist te worden om b.v. bij de rechtelijke macht te gaan werken. Het specialistische werk heeft me nooit zo getrokken, ik ben een uitgesproken generalist. Het werk op het ministerie bestond uit het coördineren van contacten met de UNEP bij de afdeling van de VN die zich wereldwijd met de milieu-problematiek is gaan bezighouden. Hierna ben ik bij het ministerie van Financiën gelijksoortig werk gaan doen. Maar nu dan bij de EEG toegespitst op het financiële. Mijn hoogste baas was in die tijd minister Duisenberg. Ik mocht hem begeleiden in de vergadering van de raad van ministers in de EEG. Schertsend noemde ik mijn werk destijds: ‘werken bij een papierverwerkende industrie.’ Dit in tegenstelling met het werk van een burgemeester. Hierbij heb je niet alleen met papieren en documenten te maken, maar vooral met mensen en dat trekt me meer.

Lid van de KVP bent u nooit geweest, was dit een bewuste keuze ?
Jazeker. Toen het rechtstreekse lidmaatschap van het CDA tot de mogelijkheden ging behoren, ben ik in 1977 direct lid van het CDA geworden. Ieder van de drie christelijke partijen vond ik te eng en te beperkt in zijn uitwerking. Het christen zijn biedt voldoende motivatie voor je politiek handelen. Alleen vanuit het katholieke, gereformeerde of hervormde geloof vind ik dit te beperkt. Ik voel me ook meer christen dan specifiek katholiek.

Burgemeester Schneider vergeleek zijn werk met dat van een olieboer. Spreekt die vergelijking u aan ?
Bij een olieboer moet ik allereerst denken aan iemand die iets aan de man brengt, iemand die iets probeert te verkopen. Maar als je zegt dat burgemeester Schneider bedoelde dat hij af en toe het olie-spuitje hanteerde, dan kan ik daarin wel meegaan. Als burgemeester moet je zorgen dat het gemeentebestuur geolied blijft lopen. Een ander aspect van mijn werk is de onafhankelijkheid. Als burgemeester moet je onafhankelijk en daardoor voor de burgers aan niemand onderworpen zijn. Zo houd je ook binnen het college van B. en W. meer vrijheid van handelen. Je moet waken voor essentiële zaken en waarden. Als de voornaamste zaken en waarden in acht genomen zijn, is het voor de burgemeester niet meer zo belangrijk wàt er besloten wordt. Dit is meer een zaak voor de gekozen vertegenwoordigers. Voor een burgemeester – voorzitter van de gemeenteraad – is belangrijker dàt er iets besloten wordt en dat deze besluitvorming zorgvuldig verloopt. Als nadeel van deze onafhankelijkheid ervaar ik de afstandelijkheid en het formeel zijn. Dit ligt niet zo in mijn natuur. Het is dan ook een grote kunst om precies de goede tussenweg te vinden. Bij besluitvorming, het in functie zijn en het vertegenwoordigen van de gemeente moet je formeel zijn. Maar ik geniet ook van de momenten dat het jasje uit kan en er ongestoord een pilsje gedronken kan worden.

Is het inderdaad waar, dat in Friesland tot zelfs in het provinciehuis over het ‘lek’ van Roosendaal gesproken werd ?
Of dat juist is, weet ik niet. Maar dat ìk het ‘lek’ vervelend gevonden heb, weet ik wel. Nog niet eens zozeer voor mezelf als wel voor de andere personen die niet benoemd zijn. Vergeet niet, dat mijn buurman in Heerenveen hierbij ook betrokken was. Ik ben een groot voorstander van openheid, maar dat neemt niet weg dat men zich aan afspraken moet houden. Als er geheimhouding afgesproken wordt, kan het toch niet zo zijn dat zo’n afspraak aan de laars gelapt wordt. Zo vind ik ook dat bij inspraak, als onderdeel van besluitvorming, duidelijke grenzen getrokken moeten worden. Inspraak mag niet ontaarden in vermenging van verantwoordelijkheden. Ik ben ruimhartig in openheid, maar dat neemt niet weg dat men zich aan afspraken moet houden. Zeker als bij raadsbesluit besloten wordt tot geheimhouding. Het gaat dan niet aan om halverwege de spelregels eenzijdig te veranderen. Dit heeft niets met ruimhartigheid te maken. Hierbij zijn duidelijk grenzen getrokken, die niet overschreden mogen worden.

Was uw vorige gemeente wat ze noemen een ‘rooie’ gemeente ?
Ja en nee. De PvdA maakte altijd deel uit van het college, hoewel ze niet de grootste fractie in de raad vormde. Het CDA had 8 en de PvdA had 7 gemeenteraadszetels. Skarsterlân was een typische grensgemeente, op de grens tussen oost en west Friesland. In het oostelijk deel van Friesland behoort de PvdA meestal tot de grootste fractie in de gemeenteraden. In het westelijke deel is dat meestal het CDA. Mijn vorige gemeente bevond zich daar precies tussenin met stabiele politieke verhoudingen.

Kunt u na deze korte tijd reeds vertellen, wat u in Roosendaal in het bijzonder is opgevallen ?
Dat de Roosendaalse bevolking buitengewoon hartelijk en warm is. Hiermee heeft het warme weer aan het begin van mijn ambtperiode niets te maken. Inmiddels hebben mijn vrouw en kinderen ook ervaren dat Roosendaal een plezierig leefklimaat heeft. Verder heb ik ontdekt dat er genoeg te doen valt. Er is veel dynamiek, dit houd je voortdurend bezig. Als je bijvoorbeeld ziet hoeveel uren met de TGV-gebeurtenissen gemoeid zijn, dan valt je in het bijzonder op dat er hard gewerkt wordt en je weinig rust gegund wordt. Dit geldt trouwens niet voor de burgemeester alleen. Mijn eerste indrukken zijn dat er voor de ontwikkelingen van de stad veel kansen liggen zowel in economisch als in andere opzichten. In de komende jaren zal er een visie ontwikkeld moeten worden voor Roosendaal in het spanningsveld van de driehoek Rotterdam-Antwerpen-Breda. Tegelijkertijd mag het je dan niet ontgaan dat deze ontwikkelingen vele bereidingen, m.n. voor het milieu, met zich meebrengen. Dit zelfde geldt ook voor Roosendaal als grensgemeente met het oog op Europa 1992. Als je ziet dat de samenwerking met de Nederlandse gemeenten binnen het gewestelijk verband goed is, moet je tegelijkertijd constateren dat de contacten met onze Belgische buurgemeente op een laag pitje staan. Wellicht brengen de cultuurverschillen dit ook wel met zich mee.

Waarin zou de PvdA in de komende tijd nog veel energie moeten steken ?
Ja……., een moeilijke vraag. Zo wie zo, als ik al de illusie zou hebben hier een goed antwoord te weten, dan past hier toch zeker enige terughoudendheid. Kijk, het kabinet Lubbers-Kok is met goede voornemens gestart. Als twee hoofdpunten kun je de sociale vernieuwing nemen. Alle neuzen staan de goede richting op, maar er zal nog veel tegenwind op steken. de partij moet leren leven met regeringsverantwoordelijkheid, ontdekken dat dit minder vrijheid met zich meebrengt. de wereld is weerbarstiger dan in verkiezingstijd lijkt. De maakbaarheid van de samenleving is anders dan vaak wordt gezien. Je kunt gerust stellen dat de hoofdlijnen van dit kabinetsbeleid (Lubbers-Kok) mij zeker aanspreken.

De overige 26 interviews zal ik misschien nog wel eens lezen. En hij of zij die ze wil lezen kan, zoals reeds eerder geschreven, ze op het gemeentearchief van Roosendaal of het Rijksarchief van Noord-Brabant in Den Bosch inzien. Nieuwsgierig mij verder in troost koesterend, pak ik de ordner met mijn bijdragen voor het personeelsblad ‘Intercom’ van de ‘oude’ gemeente Roosendaal en Nispen en de ‘nieuwe’ gemeente Roosendaal en begin vluchtig ooglezend en op momenten rustig lezend, met beelden van plaats en geluid door de oude nummers te lopen.

Creatief bezien

“Eindelijk was het dan zover. In de hoofdlijnen van beleid van 1990 was het instellen van een ideeënbus opgenomen. Na ruim 4 jaar was alles geregeld en kon de commissie starten. Om alles in goede banen te leiden is door B. en W. het reglement ‘interne ideeënbus’ vastgesteld. De eerste gedachte tot wijziging c.q. aanvulling van het reglement zijn reeds geopperd. Hetgeen eigen is aan het dynamisch functioneren. Maar op eventuele wijzigingen van het reglement hoeft niet gewacht te worden. Iedereen kan creatief aan de slag met het indienen van ideeën. Voor de goede orde, ideeën worden niet alleen beloond als ze ook daadwerkelijk uitgevoerd worden. Voor de commissie is het mogelijk een goed idee te belonen met een aanmoedigingspremie. Een aanmoedigingspremie kan worden toegekend indien het idee op dat moment nog niet kan worden uitgevoerd. Meestal zal het op het terrein van de dienstleiding liggen om een idee tot uitvoering te brengen. In de meeste gevallen zal het college hierover eerst een besluit moeten nemen. In een enkel geval zal zij hierover eerst advies aan het ‘georganiseerd’ overleg moeten vragen, zoals bij het idee om de vrije kermis-middag om te zetten in een vrije halve dag op de verjaardag van de ambtenaar. De commissie beoordeelt de ideeën in het bijzonder op originaliteit, bruikbaar- en uitvoerbaarheid. Over uiteindelijke uitvoering hoeft de indiener zich geen zorgen te maken. Kort samengevat zullen de ideeën de volgende uitgangspunten moeten hebben: verbetering van werkmethoden, originaliteit, dienstverlening, werksfeer en/of verbetering van de publieke taak van de gemeente. Tot op dit moment zijn er een 23-tal ideeën in de daarvoor bestemde bussen gedeponeerd. Zij variëren van het – hierboven vermelde – voorstel tot aanpassing van de verlofregeling tot het aanleggen van een extra terrasje. Vijf ideeën zijn beloond: verbetering van de klantvriendelijkheid door plaatsing van een extra loket bij de afdeling Burgerzaken voor afhandeling hondenbelasting e.d. – f. 100,00. Omzetting kermismiddag naar verjaardag – f. 100,00. Bevordering toegankelijkheid gebouw Dunantstraat tbv rolstoelgebruikers – f. 100,00. Aanmoedigingspremie voor aanstellen centrale inkoper – f. 250,00. Keuzemogelijkheid voor ’n diner ipv receptie bij afscheid of jubileum – f. 100,00. Binnen de commissie is o.a. de opmerking gemaakt dat er eigenlijk weinig ideeën zijn ingediend die direct betrekking op het werkproces hebben. Wie volgt ? Via deze column in Intercom hoop ik u op de hoogte te kunnen houden van nog vele creatieve en beloonde ideeën.

Ik liep al maanden lang met ideeën rond.
Ik wist niet of het mocht, of het hier al bestond.
Bij wie kan ik nu toch met mijn idee terecht.
Wie geeft mij goede raad als het wordt voorgelegd.
Mijn hoofd dat lijkt soms sprekend op een prullenmand,
van alles zit erin, ik hou ’t niet in de hand.
Zo ging het steeds totdat ik de oplossing vond,
ik zag je pas toen ik er pal voor stond.

Je hangt zo heerlijk aan de muur,
mijn redder van het eerste uur,
en met je gleufje in je kop,
neem jij al mijn problemen op.
Je hebt zo’n prachtig rode kleur
en je houdt ook nog van gezeur.
Jij brengt me zo maar van de wijs,
ik hoop al weken op een prijs.

Al veel ideeën heb ik aan jou toevertrouwd,
maar dat ik aan je hecht dat laat jou koud.
Jij bindt je niet, jouw gleufje is voor iedereen,
toch wil ik jou het allerliefste voor mij alleen.
Zo denkend kreeg ik plotseling een goed idee,
ik schroef je van de muur en neem je mee.
Dan hang ik je weer op vlak bij mijn eigen stoel,
en zeg je weer wat ik toch voor je voel.
Ik schrijf de spinsels van mijn hoofd steeds op en geef ze dan aan jou,
ik hoop dat jij er ook nog iets mee kunt, omdat ik van je hou.

Willem Duijs zou, in zijn ‘Muziekmozaïek’, ongetwijfeld vele superlatieven gebruiken om het lied over de ideeënbus te bespreken. Dus wil ik het maar gewoon bij ‘geweldig’ houden voor de uitvoering tijdens de oudejaarsbijeenkomst. Zowel voor de manier waarop Jacqueline Hollander het lied vertolkte op de melodie van ‘la solitudine’ van Aura Pausine, als de tekst van Fred van de Muijsenberg. Ideeën zijn vrijwel nooit volkomen nieuw. Zij zijn echter niet eerder in de desbetreffende situatie geopperd. Ik zou daarom als idee voor willen stellen: beiden als prijs een eervolle vermelding toe te kennen.
In het voorlaatste nummer van Intercom heb ik een overzicht gegeven van de door de commissie beloonde ideeën. Nadien zijn er nog een tweetal ideeën bijgekomen. Een idee om de visitekaartjes te voorzien van een promotietekst voor de gemeente Roosendaal – f. 100,00. Het aanbrengen van een spaarknop op de stortbakken van de toiletten – f. 100,00. Aan beloningen is tot op heden totaal f. 850,00 toegekend. Met het vermelden van dit bedrag wil ik een stimulerende werking laten uitgaan. Het kweken van een houding die het insturen van ideeën stimuleert, ondanks het feit dat uitvoering soms op de meest onvoorspelbare momenten wordt voorkomen. Zoals het idee voor het omzetten van het verlof van de kermismiddag in verlof op de verjaardag van collega’s. Door het ‘georganiseerd’ overleg is dit voorstel met een negatief advies richting B. en W. om zeep geholpen. Het idee om een alarmknop onder de receptiebalie aan te brengen is met f. 100,00 beloond De ideeën bij overheid liggen meestal in de communicatie of op het gebied van de klantvriendelijkheid. Bij ons zijn weinig mogelijkheden dat ideeën forse besparingen op zullen leveren omdat wij nu eenmaal niet in een commercieel ‘productieproces’ zitten. Zo liep ik onlangs tegen iets aan en besefte dat het klantvriendelijk, maar geen besparing was. Bij de achteringang van het Stadskantoor kwam ik twee ‘motermuizen’ tegen. Duidelijk ergens naar op zoek. Het bleek dat ze een garderobe zochten. Ze waren op een motor voor een trouwerij naar Roosendaal gekomen en wilden hun leren overall, handschoenen en helm ergens wegleggen. Een garderobe nabij de trouwzaal, een klantvriendelijk maar geen kostenbesparend idee ! Zo zie je hoe je onverwachts op een idee kunt komen. De Wet op de Ondernemingsraden (WOR) is 5 mei 1995 voor de overheid van kracht geworden. Mede hierdoor zullen de arbeidsverhoudingen binnen de lokale overheid veranderen en in toenemende mate worden geregeld als in het bedrijfsleven. Wie komt door dit thema op ’n goed idee ? In mijn vorige column heb ik er op gewezen dat binnen productieprocessen in de industrie makkelijker ideeën ingediend kunnen worden die al snel forse besparingen op kunnen leveren. Een idee met een mogelijke besparing zat er deze keer wel bij. Het afleveren van GFT- en papiercontainers bij nieuwbouwwoningen is afhankelijk van het verzoek om levering door de toekomstige bewoner(s). Voorgesteld wordt dat de oplevering van een nieuwbouwproject wordt gemeld bij de afdeling die voor de distributie van de containers zorgdraagt.
voordelen:
– geen ‘gesloten deuren’ bij aflevering
– slechts één aflevering waarbij alle woningen worden voorzien
– besparing op personeelskosten
– besparing op brandstof en slijtage materieel
– bij grote projecten rechtstreekse aflevering van fabriek
– mogelijke bestrijding van zwerfvuil op de bouwplaats

Dit idee levert een minimale besparing van f. 2.500,00 op jaarbasis op. De beloning bedraagt 20 % van de besparing – f. 500,00. Afgezien van de besparing leidt dit idee ook tot verbetering van de organisatie, werkmethoden, efficiency en dienstverlening. Vooral de verbetering van dienstverlening in combinatie met de financiële besparing is het goede van het idee. In de ideeënbus was ook een ‘gevleugeld’ idee gestopt.
Maandverband/tampon automaten in de damestoiletten. Dit scheelt vragen aan collega’s en/of tochtjes naar de drogist of supermarkt. Navraag bij mijn vrouw leverde de tegenvraag, ‘hangen die daar dan niet ? ’ Mijn mening was gevormd. Gezien het reglement is het idee nieuw in onze gemeente en kan bijdragen tot een verbetering van de werkomstandigheden, beloning – f. 100,00. Het volgende idee, het verstrekken van een folder bij bezoek aan de milieustraat kwam ook voor beloning in aanmerking. Vermelding welke stoffen kunnen worden gestort en waar de containers staan, zal vergroting van dienstverlening opleveren, beloning – f. 100,00. De opdracht die ik mezelf gegeven heb is de ideeënbus te promoten. Er wordt niet uitgehaald wat er in zit, soms ontstaat een idee in een fractie van een seconde of je loopt tegen een probleem op en gaat hiervoor een oplossing bedenken. Zoals, ‘ Het komt regelmatig voor dat raadsleden vergaderstukken meerdere malen ontvangen omdat zij in verschillende commissies zitting hebben waarin het onderwerp behandeld wordt. Voorkom dat vergaderstukken meerdere malen naar raadsleden worden verzonden. Ten behoeve van raadsvergaderingen zou in principe volstaan kunnen worden met een verwijzing naar het raadsvoorstel dat in de commissie is behandeld of dat het voorstel wordt verzonden zonder bijlagen. Het idee levert zowel milieuwinst als financieel voordeel op.’ In het advies van het hoofd van de afdeling Informatie en Automatisering werd positief over het idee geoordeeld. De voor de hand liggende besparingen bevatten verzend- en papierkosten. Daartegenover staan de kosten van de software voor de automatisering. Hierbij geldt, ‘de kost gaat voor de baat uit.’ Het probleem is dat het moeilijk valt in te schatten wat de besparingen zullen zijn. Wel kon worden vastgesteld dat bij invoering van het idee de besparingen niet eenmalig zullen zijn. Een probleem voor de commissie was derhalve, hoe bepaal je nu de beloning voor een idee waarvan de besparing niet te bepalen is. Waarbij de vraag blijft of er uiteindelijke wel van een financiële besparing gesproken kan worden. Gelet op het uitgebrachte advies heeft de commissie besloten voor het idee een beloning van f. 100,00 toe te kennen. De opmerkzame lezer heeft in het augustusnummer van Intercom wellicht deze column gemist. De invoering van de nieuwe spelling was niet de reden. Ik heb nooit de neiging gehad om ‘kreatief’ te schrijven. In het taalgebruik ben ik altijd vrij conservatief gebleven. De reden dat er in de vorige Intercom niets over de ideeënbus stond, was heel eenvoudig. De vergadering die voor de vakantie gepland was, ging niet door. Er waren geen ideeën ter bespreking. Het idee dat om nader advies doorgestuurd was, lag een beetje problematisch. Een ingekomen idee uit de gemeente Wouw: ‘hoe ga je hier nu mee om ?’ Vier maanden voor de definitieve ingangsdatum van de gemeentelijke herindeling kun je toch moeilijk zonder meer besluiten om een idee van een collega uit Wouw niet te behandelen !!! ‘Al enige tijd ben ik in bezit van het interne telefoonboek van de gemeente Roosendaal. Handig om toekomstige collega’s aan de lijn te krijgen. Wat ik mij echter afvraag is of het niet mogelijk is om in het boekje een zakenregister met het corresponderend telefoonnummer van de betreffende collega op te nemen, zoals bijvoorbeeld ook in de huidige VNG-almanak gebeurd. Zo’n aanvulling zou een bescheiden bijdrage kunnen leveren aan de doorzichtigheid van de organisatie voor het eigen personeel. Als alternatief voor het papieren exemplaar zou ook een geautomatiseerde versie op het netwerk te overwegen zijn. Er zij vanuit organisatorisch oogpunt op gewezen dat bij succes van zo’n boekje de informatiestroom beïnvloed wordt.’ In de volgende vergadering zal aan de hand van het advies dit idee verder besproken worden. Maar hoe moet het nu verder ? Door bloedarmoede dreigt de ideeënbus een zachte dood te sterven. Mijn stelling is, bij een nieuwe dynamische gemeente hoort een ideeënbus vol sprankelende ideeën.

Wordt vervolgd . ”

Nostalgisch lees ik een volgende ‘vrije’ bijdrage in het personeelsblad, los van de ideeënbus.

‘Een vrolijke Frans’

In zijn schertsende bijdragen over het ambtenarenwereldje bij de gemeente Roosendaal van eind ‘veertiger’ begin ‘vijftiger’ jaren was de hoofdpersoon – voormalig kabinetschef – nooit Frans de Clercq. Een rondje langs oud-collega’s levert het volgende verhaal.

Op de verdieping van het oude gemeentehuis, Markt 54, was een gang die meerdere afdelingen met elkaar verbond. Toen Frans van de ene naar de andere afdeling liep, zag hij dat een van de wc’s op deze gang bezet was. Denkend dat collega Harrie Cartens op de wc zat, bonsde hij op de deur en riep Harrie, kn…. ’m maar af. Even later komt de gemeentesecretaris Harrie Versteegen uit de wc. ‘Frans,’ zo praat je toch niet tegen je gemeentesecretaris. Met een rood hoofd, zonder iets te zeggen, maakte Frans dat ie weg kwam.

De familie de Clercq had van thuis uit een huidenhandel. Hier zwaaiden drie broers van Frans als directeur de scepter. Veel huiden die in het bedrijf gelooid werden, kwamen uit Italië. De correspondentie geschiedde hoofdzakelijk in het Italiaans. Dit leverde wel een klein probleem op. Maar geen nood: even naar het gemeentehuis waar broer Frans de brief wel zou vertalen. Ook met uitgaande brieven ging dat zo. Een doos grote sigaren van het merk dat Frans rookte was zijn loon. Dat vond Frans wel weinig. Hij ging naar een goede kleermaker en liet zich een kostuum aanmeten met als opdracht de rekening op naam van huidenhandel De Clercq te factureren. Zelf stuurde hij de volgende brief.

Aan Firma De Clercq.

Vertaald 25 brieven uit het Italiaans in
het Nederlands v.v. kosten 25 x f. 5,00 = f. 125,00

Ontvangen 1 doos sigaren f. 1,50

blijft f. 123,50

Bijgaande rekening van de kleermaker f. 123,50

blijft f. 0,00

Graag betaling van de nota aan de kleermaker

Met vriendelijke groet,

Frans

Tijdens een overleg op de kamer van de toenmalige directeur gemeentewerken – de heer van Benthum – kwam Frans binnen, pakte een stoel, ging zitten en legde daarbij zijn benen op het bureau van de directeur gemeentewerken. Schertsend zei hij: ‘van Benthum iedereen kent um.’ Ook presteerde hij het om plotseling – midden in een bespreking – gedurende een vijftal minuten op twee poten van zijn stoel te balanceren.
Bij een zitting op een stembureau zou Frans al om 16.00 uur – ruim voor sluiting – de uitslagen van de stembiljetten zijn gaan tellen. Ik kon dit niet geloven. Daarom heb ik het de maëstro zelf gevraagd, ‘Nee, dat was niet helemaal juist.’ Met een brede grijns en vol trots vertelde hij het verhaal: ‘Jan Thomas – hoofd afdeling bevolking – was om twee uur het stemlokaal binnengekomen. Waar is Frans de Clercq ? Al snel werd ik in een andere ruimte aangetroffen, waar ik druk bezig was de uitgebrachte stemmen te sorteren. Ik vond het nutteloos om met vier ambtenaren in het stemlokaal aanwezig te zijn. Die tijd kon ik wel beter gebruiken. Door alvast de uitgebrachte stemmen te gaan tellen, hoopte ik ’s avonds snel klaar te zijn. Jan Thomas was razend en zei dat hij er wel voor zou zorgen dat ik nooit meer op ’n stembureau mocht zitten. Als dat zou kunnen, zou je me een groot plezier doen. In een nota aan B. en W. stelde hij voor dat ambtenaren boven een bepaalde rang niet meer op een stembureau hoefden te zitten. In deze nota schreef hij dat mijnheer de Clercq het hiermee eens was. Maar hoe dan ook, doordat Jan Thomas mij toevallig betrapte, was ik van die vervelende klus af.’

Voor het ledenblad van de ANBO wilde ik jaren later dit verhaal inkorten en in hoofdlijnen overnemen. De redacteur vond het geschrevene kras en beter om Frans zijn mening en instemming te vragen. Intussen, de hoofdpersoon als tachtiger tot de ‘sterke’ behorend en zelf ook ouder en milder geworden, vond ik dat dit wel kon. Ten tijde van het schrijven van het verhaal zouden – bij de gedachte alleen – ‘de rapen gaar geweest zijn.’ In goede samenwerking tussen twee personen met het leeftijdverschil van een generatie is het een totaal ander product geworden.

In gesprek met Frans de Clercq.

Frans, al een hele tijd schrijf jij in dit blad ‘Schertsende Schetsen’ onder de titel ‘Terug naar Toen.’ Sommige staan ook in het boekje verkrijgbaar bij boekhandel ‘Het Verboden Rijk.’ Is hier sprake van een hoog gehalte dichterlijke vrijheid ?

Jongeman, we zijn allemaal grootgebracht met de ‘Catechismus’. Vragen en antwoorden. Ik herinner me, dat ik als vijfjarig mannetje woedend werd omdat mijn vader bij het overhoren zo vreselijk hard lachte omdat ik toen, de catechismus citerend, zei: ‘Het is verboden, op zondagen en christelijke feestdagen zonder geldige reden de Heilige Mis te verzuipen.’ Nou, in diezelfde catechismus stond dus ook het vraag en antwoordspelletje: ‘Is liegen altijd zonde ? Liegen is altijd zonde.’ Misschien werd er toen in het bisdom Breda veel gelogen, dat weet ik niet. Maar, hoewel ik het zonde vind, dat het niet mag, lieg ik dus nooit. Ik kleur mijn souvenirs wel bij, dát wel, maar de vraag: ‘Is bijkleuren altijd zonde ?, stond er niet in, zodoende.’

Het verhaal over die Italiaanse brieven en dat herenkostuum, hoe gekleurd
was dat ?

Nou kijk, Al heel lang geleden, voor de oorlog zelfs, begon ik mezelf wat Italiaans te leren. Dan kreeg je – op verzoek – uit Italië gratis propagandamateriaal toegestuurd. Met de dikke gehelmde kop van blaaskaak Mussolini op de voorpagina. Tussen haakjes: later hoorde mijn oudste zoontje mij in Italië wel eens met die mensen praten en besloot, toen hij achttien was, in Nijmegen Italiaans te gaan studeren. Is daarna tolk bij de E.E.G. geworden, wat hij overigens nog steeds is. Ik dacht, dat ga ik ook doen. Italiaans studeren, maar dat snap je wel. Minister Brinkman bezuinigde deze taal uit Nijmegen weg en moest toen uit armoe Spaans gaan doen. In die taal ben ik nu doctorandus, zei de opschepper.

Knap !

Ben je gek. Dan kun je allerlei geleerde teksten lezen, maar als je in Madrid een broodje met ham wilt bestellen, heb je problemen. Maar terug naar je vraag. Ik had dus drie broers die de eenmanszaak van mijn vader – huiden en leder – uitbouwden tot een multinational. En die kwamen voor hun correspondentie met Italiaanse zakenrelaties telkens een beroep op mij doen. Het probleem was alleen, dat ze wel van de vertalingen maar niet zo van betalingen hielden. Omdat ik af en toe in Vlaamse bladen schreef, had ik een klein bedrag op een Belgische bank staan, waarvoor we in Antwerpen of Merksem wel eens kinderkleertjes gingen kopen. Dat deden we ook op die avond, waarbij een van de directieleden van de Clercq Huidenhandel N.V. aanwezig was. Ik zag toen ook een net herenpak hangen, kocht het en vroeg mijn broer het even voor te schieten. Zo gezegd, zo gedaan. Thuisgekomen heb ik inderdaad die rekening verstuurd van het ‘Vertaalbureau Traductor’, luidende:
Vertaling 10 brieven Italiaans-Nederlands ad f. 25,00 f. 250,00
Idem 10 brieven Nederlands-Italiaans ad f. 25,00 f. 250,00
Ons tegoed totaal f. 500,00
Door ons aan u verschuldigd voorschot herenkostuum f. – 400,00
Resteert onze vordering op U ad. f. 100,00

Welk bedrag wij gaarne tegemoet zien op onze rekening enz. enz. ….

Die vordering loopt nog steeds. Wel ver… geen betalingen.

Dus zo klopt het verhaal. Mag ik dat publiceren ?

Ik ben met de bisschop begonnen en ik eindig er mee. Imprimatur, laat maar drukken

De paperassen op mijn boekenplanken weer wat in gareel plaatsend, valt mijn oog op een enige maanden geleden geschreven stukje tekst.

In memoriam: Pierre de Jong

“ Zou de leegstaande pastorie van de St. Antoniuskerk een goede woning zijn voor het grote gezin van het nieuwe hoofd van het werkvoorzieningschap ? ” Dit was in januari 1970 het eerste wat ik hoorde over de fam. de Jong zonder te weten over wie het ging. Later zou ik mee aanschuiven aan de keukentafel, waar vele partijgenoten en gemeentebestuurders met Pierre en zijn Corrie menig kopje koffie gedronken hadden. Hierbij bleef geen onderwerp onbesproken. De laatste keer op 4 mei. Nog met veel gevoel voor humor vertelde hij dat hun hond ook ziek was. En hoewel geen veearts, had hij ontdekt dat zijn trouwe viervoeter ook goed op het medicijn ‘prednison’ reageerde. Na ruim een uur stond Pierre op, zei het een gezellig gesprek te vinden, maar moe was en naar bed ging. Niet verrast, las ik op het gedachtenisprentje dat hij naar zijn wens in alle eenvoud en stilte gecremeerd was. In zijn rede bij de crematiebijeenkomst van oud collega-wethouder Ab van de Wiele uit Dinteloord in 1994 noemde Pierre hem de laatste socialist uit West Brabant. Op de terugweg uit Rotterdam zei ik, hém voor de laatste socialist in West Brabant te houden. Dat zag ik verkeerd en niemand zou diezelfde fout kunnen maken. Zijn afscheid zou in beperkte familiekring plaatsvinden, daar zou hij wel voor zorgen. “Op mijn ezeltje ernaar toe en het laatste stukje alleen.” Met Pierre de Jong is 22 mei 2001op ruim zeventigjarige leeftijd, te vroeg een echte sociaal-democraat van ons heengegaan.

Roosendaal
Wim Arts

En, hoe was het in 1970 allemaal begonnen met die vraag van het hoofd personeelszaken,
”Zijde gij van Roosendoal ? ” Hiervoor moet ik naar het gemeentearchief en zoek zorgvuldig een tijdstip uit dat er – in het gebouw waar ik mijn tijd als ‘medewerker begraafplaatsen’ gesleten had – de overige kantoren gesloten zijn. De afgelopen jaren hebben momenten gekend van, er is een ‘Roosendaoler’ doodgegaan. Maar toch, ROOSENDAAL blijft een stad om van te houden. In het gemeentearchief wordt mij het boekje ‘van Roosendaol nor Indië’ aangereikt. Vluchtig lees ik het verhaal van Kiske Dekkers door. Oorspronkelijk gesolliciteerd en aangenomen als telegrafist bij de P.T.T. besloot hij, aangekomen in Indië, voor het grote geld te kiezen en gaat – 1912 tot 1930 – bij de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij) werken. Halverwege het boekje vind ik de tekst van het liedje waaruit het hoofd personeelszaken dertig jaar geleden zijn vraag tijdens het sollicitatiegesprek stelde.

Artikel uit ‘De Grondwet’ (voorloper Brabants Nieuwsblad) van 27 juli 1923.

Roosendaolsch Lieke

1 2
Kend’n kloek meej pielekes, Protte van ’n kommeke,
Tiete, jonge krielekes, Zaojers en ’n ommeke,
Sperrewepse, aaiemaaie, Van ‘den dieje’, ‘uuke’, ‘zukke’,
Spaonse naaiers, klokkebaaie ? Zitte wel is op oew ukke ?
Witte gij wa butse zijn ? Kende gij n’n meuleneir ?
En wad aoremutse zijn ? En n’n ouwen zeemeleir ?
Stikkebezies, figelette, D’n ‘Brandaarref’ en de ‘Griebus’ ?
Stiekeballe en verkette ? Zèigde dan: “dás nogal wiebus !”
Kende lijvet en ’n klak ? Kende gij n’n bommeket ?
Piestelees en pletse ? Edde wel is stillekes,
Waarde vroeger ok n’n brak ? Pottebakkers opgezet,
Reede gèirre schètse ? In de plek van tillkes ?
Lustte gij n’n, ’n daol ? En begrèptet allemaol :
En hechte boeremikke ? ‘Kreukels’, ‘krieke’, ‘krikke’ ?
Dan zijde gij van Roosendaol. Dan zijde gij van Roosendaol.
Dan zijde net as ikke. Dan zijde net als ikke.

3 4

Kende glaoze tillekes, Kende gij kastrollekes,
Rölde wel is stillekes, Tollekes en pollekes,
Edde wel is durgedouwe, Juine, hartjes, lange luite,
Of vor oewen bal ge’oouwe ? Geile goepers, fliepers, puite ?
Witte ’t nog van n’n voet ‘knuut’ ? Spulde wel is baor of vlaoi ?
‘Van de meet’ en ‘oovrenuut’ ? Kende gij wel de Furmaoi ?
‘Knuusje foepe’, ‘ouwers’, ‘durris’ ? Staoltjes, Viesdonk,Fuizenbaarreg ?
Stongd’op zaod of waorde plurris ? Zeg mor joa, ’t is nikske’n aarreg..
Rokte z’aaltij, flipte nooit ? Witte atter nève’n is ?
Edde schoot gegeeve ? Wa ge dan mot zèige ?
Zijde gij wel is gedooit ? Witte wa ne gèive’n is ?
Of bleefd’aaltij leeve ? Kunde kortje lèige ?
Spulde gij aaltij reejaol ? En verstaod’oons eige taol:
En zèigde: ‘gatverdikke’ ? ‘Kweêke’, ‘kwèike’, ‘kwikke’ ?
Dan zijde gij van Roasendaol Dan zijde gij van Roosendaol
Dan zijde net as ikke. Dan zijde net as ikke.

C.J.D

Borneo, 17/6 – ‘23.

Terug uit het gemeentearchief overdenk ik……..

Dat je eigenlijk onvolwassen bent als je denkt dat een ‘gewoon’ verhaal geen boek kan worden. Maar goed, er komt altijd een vorm van hoogmoed aan te pas als je een boek wilt uitgeven. Wat doe je eigenlijk ? Meehuilen met de wolven in het bos en ontkennen dat je probeerde een ambtenaar met ambities te zijn. Bijna een, en moeilijk over te brengen ‘contradictio in términis’, maar toch ! Een enkele recensent zal mijn verhaal als notulisten- of boekhouderproza bestempelen. Het zijn inderdaad met een hoog ‘Kafka’ gehalte de feiten met alles erom heen gerangschikt. Wat moet, dat moet, dit verhaal kent veel ‘losers.’
Mijn verhaal !!.
Over de drempel en eindelijk met een nieuw leven van hobby’s als tekstschrijven en politiek besluit ik definitief dit boek…., met mijn drie nieuwe beroepen van schrijver, columnist en uitgever. Gedachtig de woorden van Joop den Uijl, ‘een ideaal raadslid is een lastig raadslid,’ ga ik de gemeenteraadsverkiezingen 2002 tegemoet. Wetend dat ik nooit een makkelijk manneke ben geweest. Als men niet in het reine komt met het verleden is het moeilijk aan de toekomst te bouwen.

Woordverklaring

1

kloek – kip die broedt of pielekes
(kuikens) heeft
tiete – kippen
jonge krielekes – krielkippen
sperrewepse – wespen
aaiemaaie – langpootmuggen
spaonse naaiers – libellen
klokkebaaie – bosbessen
butse – deuken
aoremutse – marechaussee (droegen vroeger
grote kolbakken)
stikkebezies – kruisbessen (aan struik zitten
stekels, doorns)
figelette – viooltjes (bloem)
stiekeballe – kaatsballen (van rubber, elastiek) verkette – vorken (afgeleid van Franse fourchette)
lijvet en ’n klak – borstrok en een pet
piestelees – kadetjes
pletse – stoepen
brak – kwajongen (komt van brak –
hondenras)
geire – graag
schetse – schaatsen
brok – toffee, snoepgoed
daol – dadel
boeremikke – eigengebakken boerenbrood

2

protte van – spreken over
kommeke – kopje
zaoijers en
’n ommeke – kuit en hom van een vis
den dieje – die daar
uuke – welke, wat voor soort
zukke – zulke
ukke – hurken
meuleneir – meikever
zemeleir – zeurpiet
brandaarref – afgebrand erf in de Kloosterstraat,
destijds door brand verwoest fabriekspand griebus – buurt op Kalsdonk
wiebus – wiedes (da’s nogal glad)
bommeket – grote sten of ijzeren stuiter
pottebakkers – knikkers die niet rond waren en dus
een eigenaardig effect gaven
tillekes – glazen stuiters
kreukels – alikruiken
krieken – kersen
krikke – houtskool voor vuurtest in oude
stoof

3

rölde – rolde jij
durgedouwe – de knikker stiekum met de voet
nog een zetje geven
vor oewen bal – de knikker stiekum bij het rollen
geóuwe tegenhouden
n’n voet knuut – als de knikker moeilijk ligt,
bijvoorbeeld in de modder, vragen om
deze een voet te mogen verleggen
overnuut (oovrenuut) – opnieuw
knuusje foepe – de knikkers met de vingers wegschieten
ouwers – als de knikker van een tegenstander stuitte,
riep de andere tegenspeler ‘ouwers’ en mocht
de knikker niet verder
durris – uitroep van de speler die zelf aan schot was.
Kwam zijn knikker tegen een voet of tegen een steen dan mocht hij deze schattenderwijs doorrollen
op zaod staon – winnen nog verliezen
plurris – blut zijn
flippen – een misschot geven
edde schoot – een betere positie kiezen om je tegenspeler te raken, gegeven de afstand moet echter worden aangehouden
gedooit – de tegenstander raken, die dan moet ophouden
bleefd’altij leeve – niet uitgeschakeld worden
reejaol – sportief

4

kasterollekes – pannen (Frans casserole)
tollekes – knol van de raap
pollekes – handjes, ook klein broodje
juine, hartjes, lange luiten – uien, erwten en peren (bepaald soort) geile goeper – geel graafbijtje met zwart achterlijf
fiepers – fluitjes, gemaakt van fieperhout, vlier
puite – kikkers
baor – overloopspelletje met verlossen
vlaoi – soort wegkruipertje (partout)
de Furmaoi – Vrouwemadestraat e.o.
Staoltjes – bosschage, nu omgeving burg. Godwaltpark Fuizenbaarreg – Vijfhuizenberg, gehucht voorbij
Hulsdonksestraat, richting Wouwse
Plantage
Witte atter nève ’n is – Weet je wat er naast zitten, fout zijn is
Ne gèive – Iemand die het niet zo nauw neemt, een bon
vivant
Kweêke – Telen
Kweike – Hard schreeuwen
Kwikke – Optillen om het gewicht te schatten

Ria van der Meer (corrector.)
“Een plezierig leesbaar en met een makkelijke hand geschreven boek.”

Redacteur Uitgeverij De Geus.
“De gebeurtenissen zijn schrijnend en deze illustreren eens te meer hoe mensen door ambtelijke en commerciële molens worden vermalen en hoe mensen het slachtoffer worden van manipulatie.”

Dringend advies van CDA-vice-partijvoorzitter aan partijvoorzitter om te weigeren het eerste exemplaar in ontvangst te nemen.
“Het boek bevat weinig fraais over de gemeentebestuurders.”

isbn 90-806477-1-3